Buddy – lockdowndiaries, dag achttien

Het is 2 april 2020 en dag en dag achttien van het gevang zonder tralies. Echt heel veel geruster wordt de berichtgeving niet. Er wordt nog steeds veel gevraagd van een ieder en de zorg in het bijzonder. En er wordt nog steeds gespannen gekeken naar wat de wind gaat doen, hoe stevig de storm gaat zijn. En op straat lijkt het zo rustig. 

Vanavond deed ik een online schrijfworkshop. In mijn vorige leven en dan een jaar of drie geleden, ging ik een week op ‘schrijfkamp’ in Eindhoven. Ik heb het eerder gezegd en ik zeg het nu weer: het was een van de meest bijzondere weken die ik beleefde. En leerzaam, bovendien. Diezelfde club organiseert nu online workshops, gegeven door mooie namen. De eerste: Buddy Wakefield. Ik wist na 1,5 minuut al: dit wil ik wel elke dag. De energie, het tempo, de opdrachten, maar ook het samenzijn in een groep met gelijkgestemden, al was het virtueel. Het interessante van een workshop als dit, is dat je wordt gedwongen tot schrijven. Vijf “prompts” kregen we, in elk drie minuten. Wat in het theater improviseren is, zo is dit qua schrijven: niet denken, maar doen. Met interessant en totaal nog niet deelbaar resultaat. Verrassend ook. “A God given blowjob” had ik ook niet aan zien komen als tekst door mij geschreven. 

Wat ik wil zeggen: denk om je input. De dagen en de weken als nu vragen veel. Ze vragen vooral om te geven, ongeveer alles dat je hebt. En nieuwe indrukken, nieuwe beelden, nieuwe perspectieven moeten we actief opzoeken en dat kan niet meer door naar het theater, de bioscoop, een museum, de kroeg of de stad in te gaan.  Dus voor we helemaal opdrogen: vind input. Er zijn heel veel mooie films te bekijken online (check bijvoorbeeld Cinemember), SPOT Groningen zet voorstellingen en concerten online (gratis), musea bieden virtuele tours, veel professionals doen aan online lessen: daar waar je kan, probeer het, want het helpt. Nieuwe indrukken wekken nieuwe gedachten op. En daardoor groeien we. Ook nu. En juist nu. 

Vandaag was dag achttien van uitzitten, afwachten, hopen en het beste er van maken. Vandaag was dag achttien, er werd weinig geruststellend gemeld. Het was dag achttien en steeds meermensen sterven in hun eentje. Hun spullen worden nagestuurd. Vandaag was dag achttien, iedereen doet nog steeds ieders best, in ieder geval voor zover ik kan zien. Het was dag achttien en ik gilde als een viswijf uit het raam naar verveelde jongens die hondenpoep op een achteruitkijkspiegel smeerden: dat ze dat niet moesten doen. Het was dag achttien, er werd niet op straat gezwaaid, maar wel telefonisch en net zo gewaardeerd. Op deze dag achttien zag ik mijn lieve vriendin even kort, we hadden het nodige te bespreken, op afstand, veel afstand. Want hoe ontzettend het dag achttien van een wereldwijde crisis ook was, het leven op microniveau vindt ook weer een weg. Vergeet niet ook uw liefdesverdriet en liefdesvreugd met elkaar te delen. Het was dag achttien. En dat is wat het was. 

Het lukt allemaal maar net, maar het lukt – lockdowndiary dag 16 & 17

Het was 31 maart 2020 en dag zestien van de intelligente lockdown, zo heeft M. Rutte het genoemd. Het was ook de dag dat diezelfde M. Rutte een verlenging van deze intelligente lockdown aankondigde in een voor de verandering niet te misverstane persconferentie. Niet verrassend, wel, tja, wel niemand heeft er echt woorden voor. Tot en met 28 april blijft alles dat dicht is dicht.  Het was ook 1 april 2020, dag zeventien van het slimme opsluiten. We zijn er nog lang niet. 

Ik had een soort herkenning, de laatste dagen. Van een eerder gevoel, maar ik kon het steeds maar niet goed plaatsen. Tot vandaag. Het was van toen ik zwanger was, de meest recente keer. Ik en zwangerschapshormonen: geen goede combi, ik ga er ongelooflijk raar op. Zo eet ik bijvoorbeeld veel, als ik zwanger ben. Niet een beetje veel, echt ongelooflijk, belachelijk, gênant veel. Zoveel dat ik aan niemand ooit ga toegeven hoeveel, zoveel. En het gaat niet over wortels en sinaasappels, dat eten. Ook word ik enorm poetserig, dat is me doorgaans vreemd. Ik strijk de vaatdoekjes, als er een baby in me huist. Als niet, dan strijk ik niks. Maar goed, dat is niet wat ik herkende. Wat ik herkende: dat van alle dagen thuis. Toen ik zwanger was, volgde er een soort thuisisolatie uit de behoefte van thuisgeïsoleerd. Ik verdroeg de mensen niet en was zelf ook redelijk tot stevig onverdraagbaar. Dus: toen ik zwanger was, was ik thuis. Alle dagen, hele dagen. Mijn fantastische kantoor, daar kwam ik niet meer. Koffies en lunches en borrels skipte ik, ondanks het gratis eten. Ik ging nog maar met een paar redenen de deur uit:

  1. Oudste kind halen of brengen van of naar school
  2. Verloskundige
  3. Boodschappen doen
  4. Werkafspraken die ik echtechtecht niet telefonisch kon doen
  5. Subways of Mc Donalds

Dat was het. Verder deed ik niks. Ja, werken in mijn woonkamer. Net als nu. Alleen eet ik minder en beweeg ik meer, die negen maanden stonden in het teken van er alles aan doen om zo min mogelijk te hoeven verplaatsen. Ik broedde in mijn nest. En that was it. Toen uitstekend te verdragen. Totaal geen moeite, geen centje pijn. Want bevangen door hormonen. Hoe anders is dat nu. Want nu moet ik, moeten we, wel. Ik gun jullie allemaal een beetje van mijn zwangerschapshormonen van toen en hoor graag hoe die eventueel reproduceerbaar zijn zonder feitelijk zwanger te worden want ik heb al allemaal kinderen en het is ook nogal onmogelijk gezien de social distancing. En ik heb al allemaal kinderen, vooral.  

Gister reageerde ik dan wel weer redelijk zwangerschapshormonaal op een mevrouw in de supermarkt die haar PMS op mijn projecteerde (of waarschijnlijk was dit andersom). Het begint er toch een beetje op te lijken dat veel mensen onder hoogspanning staan, mijzelf incluis, bleek toen. En logisch ook. Er wordt veel gevraagd van iedereen. Meer dan ooit, denk ik zelfs. Kinderen bezighouden, begeleiden, geruststellen, redden van onmogelijke vallen, helpen bij onmogelijke sommen, er af en toe wat eten in, een soort van ritme of structuur, ruzies sussen, pleisters plakken, kusjes delen, dansjes doen en allemaal tegelijk naar bed. Want ondertussen moet gewerkt. Gehuishoud. Gebeld. Gedacht. Gepland. Gerekend. Geademd. En niet doorgedraaid. Het lukt hier, met dank aan een noodoplossing, allemaal maar net. En dan zijn er nog de gezinnen zonder noodoplossing. Gezinnen zonder kinderen, mensen met een giftig huwelijk, singles met helemaal niemand, behalve online. Ik kan werkelijk niemand bedenken voor wie dit geen enorme wissel trekt, behalve dan misschien mensen die -nu dan- gezegend zijn met dezelfde zwangerschapshormonen als ik destijds. Ik mis mijn vrijheid, ik mis uit eten, ik mis naar de bioscoop in het Forum, ik mis mijn ritme en rituelen, ik mis mijn vriendinnen en vrienden, mijn familie, de kinderen missen hun vriendjes, ik mis de beveiligersloze supermarkt, ik mis zoals iedereen van ons mist. Maar ik ben nog gezond. En daar gaat het om. Vandaag verdrietige berichten van waar het anders is. Dus ik koester dat, dat van gezond. Ik koester de dromen over straks en alles wat we dan gaan doen. En tel mijn zegeningen. 

Het waren dag zestien en zeventien, dit is nog lang niet voorbij. Het waren dag zestien en ook zeventien en het is wel echt heerlijk lang licht. Dag zestien en zeventien, horen jullie ook al meer vogeltjes en valt de heldere lucht jullie wel op? Het waren dag zestien en zeventien van velen meer en ik ben kapot om eerlijk te zijn, zo ontzettend moe. Dag zestien en zeventien, nog steeds niemand weet wat de cijfers betekenen. Dag zestien en zeventien, de IC-bedden zouden wel eens snel schaars kunnen worden, blijkt alsnog. En we hopen allemaal van niet. Dag 16 en 17, ik prijs mezelf nog steeds gelukkig met zulke lieve kinderen als die van mij. Het waren dag zestien en zeventien en dag zestien was ronduit kut om allerlei, maar vandaag ging het alweer beter. Dag zes- en zeventien, er werd gezwaaid, helemaal uit Amsterdam, en ik huilde. Het waren dag zestien en zeventien. Hang in there, liefjes. We zijn er nog niet, maar we komen er wel. 

Drift away, lockdowndiaries, dag 15

Het is 30 maart 2020. Dag vijftien van een lockdown die officieel geen lockdown heet. En het is vandaag precies twaalf jaar geleden dat mijn vader overleed.

Nu denken veel mensen dat herdenkingsdagen wel makkelijker worden, over tijd. Is niet zo. Mijn tranen zitten misschien zelfs wel hoger dan de jaren hiervoor. Kan komen door de idiote wereld waarin ik en we wederom wakker werden, maar het heeft ook te maken met waar ik het afgelopen jaar mee bezig was: het optekenen van verhalen over hoe ik opgroeide met mijn vader. Of eigenlijk nauwelijks met hem opgroeide, maar als wel, dan was het ontzettend rommelig. Ik sprak met mensen die hem kenden toen ik er nog niet was en deed uitgebreid onderzoek naar sporen van zijn leven op het wereld wijde web en in mijn eigen bestanden. Ik vond oude mails -“hallo minke, met papa”-, foto’s die hij had gemaakt en sporen in een oude krant waarin mijn vader op eenzelfde activistische toon als ik soms kan hebben één en ander aanhangig maakte over het drugsbeleid van de gemeente. Hij was tegen.

En ik kwam Lucy tegen. Lucy was ik lange tijd vergeten, terwijl ik toch echt veel over haar heb nagedacht, twaalf jaar geleden. Lucy plaatste namelijk een advertentie in de krant.

Someday, somewhere
dag lieve Alle.
Lucy.

…schreef ze.

Maar niemand wist wie Lucy was. Niemand wéét wie Lucy is. Ik in ieder geval niet. Ze heeft me regelmatig wakker gehouden en dan fantaseerde ik over een geheime liefde, of verloren wel misschien. Met name dit afgelopen jaar, toen ik probeerde wat gangen na te gaan en meer dingen te snappen van die vader van mij. En schreef en schreef en schreef, geen meesterwerk, maar wel behoorlijk relevant voor mijn eigen gemoed. Ik heb lang gedacht dat de aanwezige ouder toch veel meer impact zou moeten hebben dan de afwezige ouder en ik zat denk ik verkeerd.

In het fenomenale en daarmee zeer lezenswaardige interview met Nina de la Parra zegt ze: ‘Ik ben heel geëmancipeerd, tot er een man voor me staat die me eventueel zou kunnen afwijzen.’ Die zin heeft zich in me genesteld. Alles wat ze daar zegt, nestelde nogal, maar deze uitspraak in het bijzonder. Ze legt uit: ‘Ik heb verlatingsangst, wat vast door mijn vader komt.’ En ik denk dat ze gelijk heeft. Ik herken het in ieder geval wel. Als zelfs je vader je niet goed genoeg vindt, van wie kan je dan nog iets verwachten, met goed fatsoen? Op het oog: van heel veel mensen en vrijwel iedereen doet z’n best, maar op het oog is nog niet voor het hart. Het vergt in ieder geval heel veel en veel te veel overtuigingskracht dan dat je kunt vragen van een kind, een puber, een opgroeiende volwassene, een volwassen vrouw. Of man.

Waarom afgelopen jaar zo belangrijk was en vandaag zo bijzonder, is omdat ik al schrijvende beter snapte wat er speelde bij mijn vader en daarmee nuance aan kon brengen in die afwijzing die ik zolang onbenoemd met me meedroeg. Maar ook de absurditeit van sommige situaties kon plaatsen. Of soms ook helemaal niet, trouwens. Ik heb altijd geprobeerd het goede, het fijne en het grappige te zien en te benoemen, maar het was gewoon niet altijd dat. Het zijn vele lagen pijn, proberen en onvermogen.

Over de doden niets dan goeds, maar dit is ook mijn léven. En een leven van velen. Daarom staat het hier nu, omdat ik maar wil zeggen dat verdriet en een gebroken hart en al het andere van het leven ook overkoombaar kunnen zijn, mooie lessen kunnen leren en de je verder kunnen brengen dan dat je anders was geweest, al sloeg je het allemaal liever over. Behalve dan de dood, die is zelden van opbrengst. Of een pandemie, die heb ik ook nog niet helemaal helder. Voor wat betreft wat ik leerde van mijn vader: wat empathie écht betekent, hoe je goede grappen maakt, hoe je kan zorgen dat je niet in de steek laat, hoe je altijd zorgt dat het leven je er niet onder krijgt tot het echt niet anders kan, dat activisme loont, hoe je een perfecte joint draait en hoe je oprecht onvermogen van anderen verduurt. Als ook: hoe om te gaan met het mysterie van Lucy, want ik heb nog steeds geen idee, maar ze schreef alsof ze van hem hield en ik ben zo benieuwd.

Het was dag vijftien van nog veel. Het was dag vijftien en een dag van rouw. Voor mij, maar mijn rouw is bijna bejaard, verse rouw gaat voor. Want het was dag vijftien en veel mensen vielen uit het leven, keurig samengevat in een cijfer dat iedereen goed in de gaten houdt. Het was dag vijftien en de straten waren heel erg mooi leeg. Het was dag vijftien en ik heb gelukkig veel werk kunnen doen, daarna gedanst met de meisjes. Het was dag vijftien en het ergste moet nog komen, we houden onze adem in. Het was dag vijftien en ik geef me even over aan Drift Away van The Rolling Stones, dat ik draaide op mijn vaders uitvaart. Een aanrader om te luisteren nu. Het was dag vijftien en morgen weer een dag.

Niet ok is ook ok, lockdowndiary, dag 13 & 14

Het is zondag 28 maart 2020. Nee. Het is zondag 29 maart 2020. Dag zoveel (veertien) van thuis voor de buis, so to speak. En wij hielden een rustdag. Net als gisteren, trouwens.

Dat betekent hier dat er even niet wordt gewerkt en het thuisonderwijs staakt. Dat we doen waar we zin in hebben, wanneer we daar zin in hebben. Ik had zin in een vrolijke bloemenjurk gister en mijn Fuchsialievelingstrui vandaag. De kinderen hingen en speelden. Ik fatsoeneerde het huishouden een beetje (niet omdat ik er zin in had, maar omdat het gênant werd, de chaos). Het ruimde op, ook m’n hoofd. Eigenlijk is het niet zoveel anders dan hoe we normaal onze weekenden doorbrengen, alleen de bezoekjes aan vrienden missen, als ook het tripje naar de stad. Die maakte ik nu even alleen, lopend en met afstand van andere mensen.

Eigenlijk gaat het ons wel goed. De paniek is gezakt, de angst heeft een plekje, de nieuwe situatie krijgt vorm. Er komt steun uit onverwachte hoek en ook wordt pijnlijk duidelijk waar het onterecht ontbreekt. Zonde. En door. Want we moeten door en dat doen we ook. Allemaal. Afstand blijkt een relatief begrip.

Tijdens mijn wandeling door het uitgestorven centrum van mijn prachtige stad luisterde ik op aanraden van een vriendin de podcast “Dying for Sex”. Nu niet gelijk lachen – of projecteren. De titel is verraderlijk. Deze podcast gaat over Molly die hoort dat ze terminaal ziek is. Ze besluit haar man te verlaten en begint een ongekend geestig seksueel avontuur waar ze in alle openheid over vertelt. En ze legt uit hoe ze door seks voelde dat ze leefde. Het zette me aan het denken. Want seks is intimiteit. En volgens mij is intimiteit juist in een crisis heel belangrijk, maar het is ook precies wat er nu voor heel veel mensen wegvalt of onbereikbaar is geworden. Veel van mijn vriendinnen zijn single en daar helemaal gelukkig mee, behalve nu. Tegelijkertijd troost ik mezelf en hen dan maar met de gedachten dat heel veel huwelijken en relaties zo ontzettend krakkemikkig in elkaar zitten dat dit gedwongen op elkaar lip zitten verreweg van een pretje is. Zoals mijn vriendin zei: no boyfriend, no problems.

Maar zwaar is het wel, soms. Intimiteit en interactie rondom intimiteit maakt inderdaad dat je voelt dat je leeft. En virtuele intimiteit is toch ook wezenlijk anders dan een arm om je heen of een goed potje bedworstelen (ik heb dit woord altijd al een keer willen opschrijven, vergeef me). Al wandelend door mijn prachtige stad, luisterend naar het verhaal van Molly en de man die onder geen beding in zijn auto wilde ejaculeren, vroeg ik me af hoe het met de lingeriemarkt zou zijn. Gaan de mensen die een partner hebben nu helemaal los om in ieder geval dát dan nog wat feestelijk te maken? Zouden singles stoppen met het kopen van kant, omdat ze toch niemand hebben om het aan te laten zien, of bepaalde dat sowieso al niet de conjunctuur? Of: neemt het sexting nu dusdanige vormen aan dat er zaken voor worden aangeschaft, men moet toch wat?

Ik onthoud mij verder van commentaar, ik deel gewoon een paar van mijn gedachten. :) En ik ben nog maar bij aflevering twee van de podcast, maar tip ‘m graag bij deze. Als ook: hang in there voor diegenen die zich alleen of eenzaam of allebei voelen. Het is prima en logisch, ik heb het ook. Soms. En dan weer niet. En dan weer wel. En dat is allemaal ok. Het is ok van niet ok. En app me als je wil kletsen.

Het was dag dertien en het was dag veertien. Er gebeurde weinig nieuws. Het waren de dagen van weekend, behalve voor de harde werkers in de zorg en in de supermarkten. Het waren dag dertien en veertien en niemand snapt de cijfers meer. Het waren dag dertien en veertien, de condooms waren in de aanbieding zag ik in de gauwigheid; zou het, dat uitgebluste partners elkaar weer herontdekken, maar nu genoeg over seks. Het waren dag dertien en veertien, honderd BN-ers presenteren een Coronalied en ik wil graag weten hoe we daar onderuit kunnen komen. Het is nu twee weken van thuis, maar ik vraag me af of ik wel goed tel en ik heb geen zin om het uit te zoeken. Het waren dag dertien en veertien, trek iets moois aan, doet je goed. Het waren dag dertien en veertien, in Brabant zijn er meer uitvaarten dan dat ze kunnen behappen of snappen. Blijf bij elkaar uit de buurt. Het waren dag dertien en veertien: houd elkander vast waar mogelijk en als het nog niet kan: droom er dan vol overgave van.

Designated driver, lockdowndiary dag 10, 11 en 12

Het was 25 maart 2020. 26 maart 2020. En 27 maart 2020. Dag tien, elf en twaalf waarin het woord surrealistisch meerdere malen viel omdat nog niet wil landen dat dit de nieuwe realiteit is. Hoofd, hart en lijf willen zich toch lastig overgeven aan de oneindige onzekerheid van nu. Van hoe lang, van wij ook, van hoe het er aan de andere kant van deze crisis uit gaat zien. 

Wat als, vroeg ze. Mijn oudste. Wat als jij ook, mama. Wat als jij ook ziek wordt? Wat dan met mij? Een terechte vraag die ik al had voorspeld en toch niet aan zag komen. Een vraag die bij heel veel kinderen van ouders die alleen, of nagenoeg alleen, zorgen onvermijdelijk komt bovendrijven nu. Voor noodlottige ongevallen, de echte noodlottige ongevallen die leiden tot de dood, weet ze wat er is geregeld. Dat bespraken we toen ik mijn testament liet opmaken. Ze bedacht toen vooral hoe ze haar erfenis kon gaan besteden en wilde weten of ze ook mijn lievelingsjurkjes mocht hebben, jawel toch? Dit was geen vraag van overlijden, dit was een zorg  over zorg als ik dat even niet zou kunnen en bovendien ook niet zou mogen. Mijn hart zakte centimeters naar beneden bij de bezorgdheid in haar ogen. Ik stopte nog snel een krieltje in mijn mond, weggespoeld met witte bonuswijn. “Wat zou je willen” vroeg ik haar en we namen de mogelijkheden door. Ik beloofde het te regelen. Ze knuffelde me lang. Ik bewaarde mijn tranen voor later die avond. 

Het waren dag tien, elf en twaalf en ik schreef en schreef, maar de verhaaltjes raakten niet goed genoeg af door allerlei omstandigheden van leven. Sommige dingen zijn volledig stilgelegd, andere dingen gaan gek genoeg gewoon door. Zoals werk. Godzijdank: zoals werk. Het gaat niet helemaal van harte, de eerste week van deze twintigtwintigclusterfuck zorgde voor vertraging in ongeveer alles. Ik verkeerde in staat van overdrive, het deed me denken aan een ritje op de Duitse snelweg in een Porsche 911 in mijn vorige leven van toen dat nog mocht. Ik zag de 250 kilometer per uur nog aangetikt worden en sloot toen mijn ogen op hoop van zegen terwijl de snelheid meer en meer toenam. Niets zien, niets horen behalve het razen van asfalt en totaal geen controle. En uiteindelijk toch op plaats van bestemming komen. Dankzij de chauffeur, maar zeker ook dankzij het vermogen tot overgave. En binnen die overgave zorgen voor controle waar het kan. Mijn ogen sluiten was een keuze. 

Het is die balans die we nu ook moeten zoeken. We zijn allemaal plotseling op de passagiersstoel gezet, daar waar we gewend zijn te sturen met de voet nonchalant op het gaspedaal. Dus dat het tijd kost om te wennen, is logisch. De afgelopen dagen dacht ik veel terug aan jaren geleden, toen ik volledig stuurloos was geraakt. Van de een op de andere dag kreeg ik paniekaanvallen. Eerst eentje per dag. Toen twee. Uiteindelijk zat ik vierentwintig uur per dag hyperventilerend op bed. Achteraf een goede oefening voor nu: thuisisolatie avant la lettre. Misschien was dat wel hoe ik het alleen zijn ben gaan waarderen, ook was het uiterst uitzichtloos. De huisarts wist het niet meer, de therapeut had het opgegeven, iedereen om me heen keek toe want er was niets aan te doen. Zelfs de slaappillen die ik kreeg waren niet bestand tegen mijn paniek en de pammetjes waren leuk geprobeerd, maar totaal niet effectief. Geen idee waar ik zo bang voor was, maar mijn lijf nam mijn hoofd over en andersom. Ik had totaal geen controle. Hoe het uiteindelijk beter ging? Toen ze me bij de afdeling psychiatrie zeiden dat ze me wilden opnemen. En ik onmiddellijk antwoordde: nee, dat gaan we niet doen. Ik voelde aan elke panikerende vezel in mijn uitgeputte lijf dat ik dat niet wilde. Die nee, díe nee, gaf me controle terug, het zit kennelijk in gekke dingen. Het was niet een wonderbaarlijk en plotseling herstel, maar dit was wel wat dat uiteindelijk  inluidde. Het kostte me nog een aantal keer flink ruzie maken met een therapeut aldaar om helemaal paniekvrij te raken, eigenwijs was ik blijkbaar nog steeds. Wat ik maar wil zeggen: dat ik leerde dat ankertjes belangrijk zijn. Een goedgeplaatste nee of ja. Een klein ritueel. Maar vooral en bovenal: voelen en volgen. Als we niets meer hebben, hebben we altijd onze intuïtie nog. En het lijkt me belangrijker dan ooit om die nu designated driver te laten zijn. Mij hielp het in ieder geval toen en mij helpt het nu.

We navigeren in chaos met ogen gesloten zonder eindbestemming en het valt niet mee, maar het lukt steeds een beetje beter. 

Het waren dag tien, elf en twaalf van blijf toch thuis. Het waren de dagen van verder oplopende cijfers, weggevallen mensen zijn nu een statistiek die niemand nog begrijpt. De dagen van een paar woorden van onze MP en een eerbetoon aan Liesbeth List. De dagen van hulp uit onverwachte hoek. De dagen van steeds vragen hoe het gaat en eerlijk zeggen van niet zo goed met dan troostende woorden. De dag erna weer andersom. De dagen van weinig concentratie en hoge snelheid. De dagen van rijen bij de super omdat minder mensen per vierkante meter beter is. De dagen van eindelijk even geen regen meer. De dagen van meer zwaaiende mensen en bijpraten op straat en met gepaste afstand. De dagen van drones op het strand met robotstem die herhaaldelijk anderhalve meter roept. De dagen van samenscholingsverboden en boetes bij teveel mensen bij elkaar. Het waren dag tien, elf en twaalf nog maar en we kunnen niet stoppen met dromen van terug naar normaal. Het waren drie dagen van nog een lange rit te gaan, harder dan 250 kilometer per uur en onze ogen dicht. Gelukkig zijn we niet alleen. 

Geen tranen van verdriet, lockdowndiary – dag 9

Het is 24 maart 2020. De negende dag van thuis, meer thuis dan ooit. En de enige tranen die er kwamen, kwamen uit ontroering van heel veel goede wil en geefdrift. Binnen een dag haalden we bijna 1000 euro op voor gezinnen die nu in acute problemen komen met geld of spullen. En vergis je niet: dat zijn er veel.

Al bijna twee jaar regelen we met Lutje Geluk uitjes voor gezinnen die dat zelf niet kunnen betalen. Een dagje naar de Efteling of dierentuin om zo samen herinneringen te maken. Zo hebben de kinderen ook een keer iets te vertellen in de kring en zijn de ouders een dagje van hun zorgen verlost. Een simpel en doeltreffend concept. Maar er komt zoveel meer bij kijken. Wieke, Yvanka en ik hebben ontzettend veel geleerd over leven met weinig. Wat het betekent voor ouders, wat het doet met kinderen. De belangrijkste afspraak die we met elkaar hebben gemaakt, is dat we onbevooroordeeld handelen en altijd vanuit vertrouwen. Roept een gezin onze hulp in? Dan heeft dat gezin het nodig. Punt. Die aanpak loont al de hele tijd, maar nu nog een beetje meer.

Ik kreeg een berichtje van een moeder die geen tablet had en zo haar kind niet meer kon laten doen met de lesjes op school. Ze had de gebruikelijke wegen al bewandeld, zonder resultaat. “Ik weet niet wie ik nog kan vragen, dus ik vraag het nu aan jullie.” Binnen een uur hebben we een tablet kunnen brengen, maar ook geld om boodschappen te kunnen doen. Door het hamsteren van anderen, waren de gebruikelijke goedkope producten steeds op en dat drukte op het boodschappenbudget. “Heel erg bedankt” schreef ze. “Bedank jezelf maar, jij stelde de vraag.” Want: om hulp vragen is moeilijk. Veel moeilijker dan het lijkt. En dat is helemaal nu belangrijk om te beseffen. Daarom zijn we gezinnen actief gaan benaderen of ze het allemaal wel rond kregen, financieel. Of we ergens mee konden helpen. En waar vragen moeilijk is, is ontvangen dat ook. Maar net een beetje makkelijker. Veel gezinnen bleken het heel lastig te hebben, we zorgden voor vijfentwintig van hen voor extra lucht in de vorm van boodschappenbudget. We stelden maar één vraag, de enige relevante: kun je dit gebruiken? En gaven in vertrouwen en overtuiging weg. Dat werkt, roepen wij al langer. En bewijst zich andermaal. Schaamte hoeft niet afgepeld of uitgepeuterd. Schaamte is namelijk al gênant genoeg. Na een oproep en een berichtje in het nieuws, maakten tientallen mensen geld over om zo verder te kunnen helpen in de komende tijd. Vandaag waren het tranen van ontroering en geen tranen van verdriet.

Het was dag negen van nog een heleboel en bij sommigen komen de muren akelig dichtbij. Het was dag negen nog maar en ook zelf vroeg ik om hulp. Het was dag negen, er begint zich een nieuwe structuur te vormen en ik bezie het inmiddels per twee uur in plaats van per een. Het was dag negen nog maar, niemand sprak het volk toe vandaag. Het was dag negen nog maar, de cijfers stijgen, de doden zijn een statistiek. Het was dag negen nog maar en ik moest denken aan de mensen die het afscheid nemen is ontnomen, een tragische consequentie. Het was dag negen. Dag negen was goed te doen.

Schermafbeelding 2020-03-25 om 09.53.41

De beste dag tot nu toe – lockdowndiary, dag 8

Het is 23 maart 2020. Dag acht van anderhalvemeterafstand en blijf bij mensen uit de buurt. De dag dat ik iets beter sliep, maar toch weer naar adem happend wakker schrok. Van de ene nare droom zo in de andere nare droom die toch gewoon écht echt bleek te zijn. Toch stond ik anders op dan de vorige dagen. Lichter, iets meer ontspannen en zelfs een beetje melig.

Dus ik maakte koffie, liet de dochter nog even liggen want die valt ook maar lastig in slaap, pakte mijn laptop en ging werken. De concentratieboog stond in vergelijking met de afgelopen week aardig gespannen en ik was helemaal klaar voor een klus die deze middag ook wel echt af moest. Ik opende het betreffende document. Nam nog een slokje koffie. En toen ging er een schuurmachine aan. Mensen die mij al langer volgen weten dat ik jaren geleden suburbia ben uitgevlucht met zo ongeveer Kärcherzondag als belangrijkste reden. Het geluid van een schuurmachine, boorapparaat of hogedrukreiniger maakt me sowieso al zeldzaam agressief, laat staan als ik én geen kant op kan én ik moet werken én hoehaaljehetüberhauptinjehoofdlaatmeingodsnaammetrust. Coronacrisis maakt me ietwat ongefilterd, merkte ik al een paar dagen. Zowel in goede als in iets minder goede zin. Waar ik vroeger, met mijn pre-covidgemoed, nog wel even had afgewacht of misschien wel helemaal niet had ingegrepen, stormde ik nu de trap af, naar buiten. Daar bleek plots een steiger gerezen met daarop twee opgewekte schildersmannen, fanatiek schurend aan een kozijn. “Goedemorgen” zei ik, terwijl ik een rondje om de steiger heenliep, ik weet ook niet precies waarom. “Goedemorgen” zeiden ze terug. “Dus jullie maken dit lawaai” vroeg ik naar een veel te bekende weg. “Ja, wij zijn aan het werk.” Ik wilde gillen: IK OOK, MAANZAAD DIE JE ER BENT, maar dat deed ik nog niet. “Hoe lang gaat dit nog duren, denken jullie” met een gemaakt vriendelijk stemmetje. “Nou, nog wel de hele dag.” “Dat denk ik niet, meneer. Mijn hele huis trilt, ik moet werken, mijn kind moet schoolwerk doen, mijn andere kind moet slapen, er zijn omstandigheden.” Het was even stil. “Waar woont u dan?” “Je ziet me toch tweeënhalve seconde geleden die deur uitlopen of niet dan, waar denk jij dat ik woon!” Dat was dan ook wel weer zo. Toch kon hij zich niet voorstellen dat ik er zoveel last van had. Hij zei het echt. Hij kon het zich gewoon echt niet voorstellen. “NOU WEET JE WAT IK ME NIET KAN VOORSTELLEN SCHILDERMENEER, DAT WIE DAN OOK DIT EEN GOED IDEE VINDT WAAR OOK TER WERELD EN OP WELKE PLANEET DAN OOK DENK NA EN BLIJF UIT DE BUURT VAN JE COLLEGA” fluisterde ik niet bepaald. Maar hij moest werken anders had hij geen geld en toen zei ik dat dit voor mij ook gold dus ik dat wel begreep en graag wilde terugkeren naar mijn vraag van origine: “Hoe lang gaat dit nog duren, dan houd ik daar rekening mee?”.

Hij zou in een uurtje wel klaar zijn.

‘Het is een vreemde tijd’ appte een goede vriend me vandaag. Mijn antwoord: ‘de tijden zijn nog nooit zo vreemd geweest’. En ergens bemerkte ik vandaag gewenning. Nog niet van de situatie, maar een soort gewenning van de chaos in mezelf. Wat hielp was dat mijn dochter kon gaan videobellen met klasgenootjes. Ze lachten en gilden wat af en ze hadden elkaar hoorbaar gemist, daar heb ik echt van genoten. Er ontstaan langzaam maar zeker kleine ankertjes in de dag en het voelt allemaal wat minder reddeloos of uitzichtloos. Af en toe kwamen er zelfs geruststellende gedachten bij me op die 100% nergens op sloegen, maar wel hun werk konden doen. En ik telde mijn zegeningen. Want we hebben het goed.

Het was dag acht nog maar van velen en velen zo vertelde de regering vandaag. Het was dag acht en de regels werden strenger omdat de onverschilligen onder ons te perfectionistisch zijn geweest. Het was dag acht nog maar en de kappers moesten sluiten, straks wil helemaal niemand meer naar buiten, ziet u het verband? Het was dag acht nog maar en ik kreeg zowaar werk verricht, het werd nog goed bevonden ook. Het was dag acht en zoals elke dag poogden we veel te prematuur alvast alle cijfers te duiden, want wat is anders nog houvast? Het was dag acht, we proberen onze weg te vinden nu we weten waar we onze adem over inhielden: dit duurt tenminste tot 1 juni en waarschijnlijk nog veel langer, we wisten het al, maar nu hoorden we het ook. Het was dag acht en de tijden zijn nog nooit zo vreemd geweest. Het was dag acht alweer, het was de beste dag tot nu.

De schildermeneer kwam sorry zeggen. En ik zei sorry terug.

Reuzenkinderen

Het is 22 maart 2020. En dag zeven van oplopende spanning bij mensen die vinden dat andere mensen thuis moeten blijven. Boosheid en verontwaardiging. Ik zei gister nog tegen iemand: boos zijn is niet constructief. Het is gif drinken en dan willen dat de ander doodgaat. Deze situatie is een uitzondering, het is zien dat anderen gif drinken en hopen dat je zelf niet doodgaat.

Blijf bij andere mensen uit de buurt.

En houd elkaar vast. Vooral de kinderen. U mag best weten: het moeilijkst van alle moeilijke dingen vind ik de kinderen in de benen houden. Met name omdat mijn hoofd en hart in overdrive zijn. Niet constant, maar in sommige uren wel. Ik weet dat dit beter gaat worden, dat ik wel land in de nieuwe realiteit, maar ik was graag wat meer emotioneel beschikbaar geweest. De meisjes doen het hoe dan ook geweldig, al weet ik soms niet zeker of ze zich niet simpelweg groot aan het houden zijn.

882DC9C9-A3DA-4645-AE3B-5D0B212DA68DIn ons vorige leven fietste ik elke dag langs dit beeld van het reuzenkind, bedoeld als hoopgevend voor de mensen die het protonentherapiecentrum van het UMCG bezoeken. Want daar wil niemand liever heen, dan kun je echt alle steun gebruiken. Het symboliseert de bergen werk die door de mens worden verzet in technologie en wetenschap. Vandaag zag ik het na dagen weer staan toen ik naar mijn kantoor wandelde voor essentiële dingen als post enzo- in m’n eentje en niet in de buurt van de zeven mensen die ik tegenkwam. En het reuzenkind van glas lokte mijn tranen. Als ouders zijn we bergen aan het verzetten. Ik voel me klein, maar moet groot zijn. Ik ben verdrietig, maar word geacht te lachen. Alle tijd is ineens fluïde en er hoort zorg op gezette tijden. Ik wil troosten maar kan ook wel wat troost gebruiken. Probeer de moed er in te houden terwijl het soms doodstil in mijn schoenen lijkt gezonken. Ik wil kietelen, lachen, spelletjes, kletsen, snappen wat er gebeurt en wat er gaat gebeuren zodat ik het fatsoenlijk kan uitleggen en het zelf ook nog geloof. 

Niets van dat al, dacht ik vanmiddag bij het reuzenkind. Dus wat dan wel? Accepteren dat we allemaal even reuzenkinderen zijn, voor nu. Breekbaar als glas, tegelijkertijd sterk en krachtig. Daar en toen herinnerde ik me ook hoe belangrijk het is om alles er te laten zijn. Ook bovenstaande niet zulke opbeurende gevoelens en gedachten. Niet oneindig als het even kan. En een beetje in gezelschap van relativering en ratio. Maar toch. Mijn huilen helpt me. Mijn denken helpt me. Ook al is het niet mindfuloptimistisch. En niet te vaak en niet te veel. Leuk is het niet, maar echt is het wel. Bovendien zijn er ook een hoop zorgen weggevallen. Waarvan velen voor altijd. Het reuzenkind blijft namelijk wel staan. Dit is eigenlijk wat we altijd al deden, maar dan een beetje meer. Laten we vooral nog vaker zegeningen tellen, als dat nodig is.

Het was dag zeven alweer. Nog maar. Dag zeven en er werd een NL-alert verstuurd ter afstand houden. Het was dag zeven en ik wil toch ook even vertellen dat de plant die ik in december kreeg nog steeds leeft, de mensen die ik ken, kennen de uitzonderlijke prestatie. Het was dag zeven en mijn wasmand groeit in plaats van slinkend, want: morgen weer een dag. Het was dag zeven en de ziekenhuizen raakten voller. Het was dag zeven nog maar en veel zorg is al gestopt. Het was dag zeven, er was geen toespraak op tv. Het was dag zeven, dag zeven viel wel mee.

P.S. Het kunstwerk heet Aden en is gemaakt door Herman Lamers. 

Uit zorg

Het is 21 maart 2020. Dag zes van veel. De dag dat veel van onze lieve medelanders toch besloten dat ze er op uit moesten met elkaar – blijf uit de buurt van andere mensen.

Waar ik gister plechtig beloofde netjes gekleed het raam te openen voor zwaaienden, heb ik vandaag echt faliekant gefaald. Bij de eerste stond ik onder de douche, bij de tweede was ik een blokje om – in m’n eentje en uiteraard uit de buurt van andere mensen. Het was verder de dag dat ik besloot dat uur per uur een betere strategie is dan dag voor dag. Mijn gemoed wisselt, mooier kan ik het ook niet maken. Bij dat ommetje gingen mijn tranen aan de loop, ook door een ingewikkeld telefoongesprek trouwens. Waaruit ik dan wel weer leerde dat krachtig zijn heel veel verschillende definities kent. Ik geloof namelijk dat we allemaal doen wat we kunnen en dat wat we kunnen krachtig is – zo lang je uit de buurt van andere mensen blijft. Zorg voor een ander impliceert niet dat er geen zorg is voor jezelf. Het impliceert draagkracht, het betekent dat er iets over is dat weggegeven kan worden. Het impliceert diepe zakken en bereidheid om te geven. Ruimte maken voor een ander is niet hetzelfde als ruimte inleveren van jezelf. Het impliceert empathie. En het betekent bovenal vermogen tot het allerbelangrijkste bezit op dit moment: liefde. Maar wie nu even niets over heeft, zorgt met alle liefde en begrip vooral heel erg goed voor zichzelf. En blijft uit de buurt van andere mensen.

Tot zover mijn filosofisch uurtje. Vlak na dit blokje pieste ik bijna in m’n broek van het lachen door een grap van mijn oudste dochter. En bouwden we de woonkamer om tot disco, we dansten een uur met z’n allen. Het was het fijnste uur tot nu toe en daarmee een belangrijke tip: dans op de muziek. Ook als je denkt dat je daar geen zin in hebt. En blijf uit de buurt van andere mensen.

Het was dag zes nog maar en een dag zonder toespraak op tv. Het was dag zes nog maar, ik installeerde WeChat en sprak met China over medische hulpmiddelen, die had ik ook niet verwacht. Het was dag zes en we lieten spullen bezorgen bij mensen zonder geld. Het was dag zes en ik hoorde over een man zonder huis die nergens naartoe kon, inmiddels onder dak, maar let op elkaar. Het was dag zes en ik ben zo blij met de discolamp van Sinterklaas. Het was dag zes, de zon scheen en het waaide hard. Het was dag zes, het stormde en was ongelooflijk windstil in mij tegelijk. Het was dag zes en BLIJF UIT DE BUURT VAN ANDERE MENSEN. Uit zorg. En uit liefde.

D23BFFC2-885B-497E-827E-426AC745D437

Ruimte en lucht – Lockdowndiary, dag 5

Het is 20 maart 2020. En dag vijf van steeds stillere straten terwijl de druk in de lucht steeds toeneemt.

Ik liep om geen idee meer naar het raam vandaag en zag daar ineens mijn lieve vriendin aan de overkant van de straat. Dit gebeurde een keer eerder, toen was ik me aan het aankleden en ging mijn telefoon die op de vensterbank van het betreffende raam lag. Ik sprintte er naartoe in mijn blote tieten en stond toen oog in oog met W die daar nog een week om heeft gelachen. Vandaag had ik gelukkig wel kleren aan en hing ik uit het raam. “We komen even zwaaien” luidde ze mijn dagelijkse huilbui in. “Gaat het goed” gilde ik als een viswijf over straat. “We wandelen, met jou” riep ze terug. Goed te weten: deze vriendin is al weken full pull in touw in een ziekenhuis. Er zijn weinigen die ik momenteel zo bewonder als zij. En dan dit.

We zwaaiden af, ze liepen verder.

Tranen gedroogd, raam weer dicht, terug in de cocon waar ik nog maar matig een weg in vind. En wel steeds een klein beetje meer. Ik werkte wat, maar het is slecht concentreren. Dus besloot ik op te ruimen en weg te gooien en iets van orde aan te brengen in de chaos die me eerder nooit zo in de weg zat. We moeten ruimte maken. En zwaaien naar elkaar.

Het was dag vijf van velen vandaag. Het was dag vijf en ik kreeg tulpjes bezorgd van iemand die ik helemaal niet goed ken, ik liet chocolade bezorgen bij een ander, laten we lief zijn voor elkaar. Het was dag vijf en het stof van de chaos daalde hier iets meer neer. Het was dag vijf en ik besloot de dagen per uur te bezien, in plaats van als geheel. Het was dag vijf en de Koning sprak ons toe, hij nam de toespraak voor de zekerheid van te voren op. Het was dag vijf van velen en een nieuwe minister betrad zijn post. Het was dag vijf en ik werd wakker bij “You’ll never walk alone” op 150+ radiostations. Mijn vriendin heeft nu een wandel club met die naam. Het was dag vijf al en nog maar, ik moet nog wennen en de kinderen ook. Het was dag vijf, er zijn weer 24 uur voorbij. We zijn een land met ingehouden adem. En we maken samen een nieuw normaal.

Wie wil komen zwaaien krijgt mijn adres. Ik zorg voor fatsoenlijk kledij.

93FEEE92-0FEB-4C49-8345-8C5E6014C7EA

Ze rijden – lockdowndiary, dag 4

Het is 19 maart 2020. Dag vier. Dag vier van mensen die in de supermarktlanen vreemdsoortige en ongemakkelijke dansjes maken om maar zoveel mogelijk van elkaar uit de buurt te blijven en daarbij even ongemakkelijk lachen.

Vandaag wil ik graag even aandacht voor de buschauffeurs. Vanuit mijn raam zie ik: rijden de bussen af en aan, leeg. Met alleen de buschauffeur. Het viel me vandaag pas voor het eerst op. Hij moet wel, hij heeft plots een vitaal beroep. (Zij trouwens ook) En plots ook vooral een heel saai beroep. Of misschien vergis ik me, dacht ik dus vandaag, en vinden ze het heerlijk. Geen drommen klagende, naar regen ruikende mensen, niet het concert van chipkaartpiepjes gecombineerd met overbodige telefoongesprekken of puberroddels. Niet elke keer stoppen als je net lekker snelheid hebt. Geen geschreeuw of de deuren open mogen. Ik ben zo benieuwd welke muziek ze keihard aanzetten voor zichzelf.

Ze rijden want ze moeten wel. Ik vind het een mooi symbool van hoe we in noodtempo zijn afgepeld: ze rijden voor de mensen die ook moeten. En verder voor niemand. Het is misschien ook wel een beetje symbool voor waar we allemaal inzitten: we doen het want we moeten wel. Toch benijd ik ze niet, de buschauffeurs in stilte.

Het was dag vier. De dag dat de minister afzwaaide, onder druk bezweken en met luid begrip. Het was de dag dat de verpleegtehuizen op slot gingen, behalve voor zij al bijna aan de andere zijde. Het was de dag dat bleek dat anderhalve meter niet hetzelfde is als twintig centimeter -mannen wisten dit al lang. Het was dag vier en de dag dat ik leerde dat alles ok is, rustig aan doen mag en moet. De dag dat ik een brief schreef voor de mensen aan het bed. Het was de dag dat een man mijn was deed, in andere omstandigheden belde ik de krant. Het was dag vier, toiletpapier hamsteren heeft allemaal te maken met de anale fase, Google maar. Het was dag vier. Denk om elkaar.

En zwaai eens naar de buschauffeur.

Comic relief – lockdowndiary 3

Het is 18 maart 2020. De derde dag. De derde dag van binnen. De derde van een heleboel meer. Vandaag was beter dan gister. En laten we beginnen met de zegeningen:

  • Ik heb fantastische én fantastisch flexibele kinderen.
  • Ik heb geld op de bank.
  • Ik heb nog werk.
  • Ik heb fantastische mensen om me heen en doe er alles aan net zo fantastisch terug te zijn.
  • De wijn is niet uitverkocht bij de supermarkt.

Voordat we in deze clusterfuck belandden, zat ik op toneel. Ik heb me weken, het voelt als jaren, geleden in een vlaag van verstandsverbijstering aangemeld voor niet gewoon toneel, maar ook nog eens een cursus cabaret. Doodeng en geweldig tegelijk. Dus we hebben goed en wel 4 lessen gehad, alles afgelast, want COVID (ik kan het woord Corona niet meer horen). Deze lessen gaan nu verder in de appgroep. We schrijven liedjes en teksten over wat er is en proberen er uit alle macht wat lucht in te pompen. Lucht door te lachen.

En dat was precies wat ik nodig had, even. Comic relief. Als we dan toch moeten, dan maar lachend. Vanavond belde ik met een vriendin, tot over haar oren in een vitale zorgfunctie, en het lukte ons elkaar aan het lachen te maken tot ik bijna in mijn broek pieste. Bijna. Really bijna.

Maar ook had ik een huilbui. Het aan de gang krijgen van Skype voor de online zangles van mijn dochter lukte niet en plots kwam alles er even uit. Gelukkig was er even iemand bij me die dan weer niet kon zeggen dat alles goed gaat komen, want: wie wel? Maar er wel voor zorgde dat de tranen snel weer deden wat ze moeten doen nu: er zijn met niet teveel en niet allemaal tegelijk. Dat is ook alles dat we kunnen doen nu, toch? Dit bekijken per dag, misschien zelfs wel per uur. Het is een zware wissel, ook als je elk van die uren je zegeningen telt.

Op mijn vorige verhaal kwamen prachtige reacties van mensen die het af en toe moeilijk hebben. Laten we dat alsjeblieft delen. Dit is geen tijd om kracht te veinzen. Of ons stoerder voor te doen dan dat we zijn. Het is een tijd van zegeningen tellen en tegelijkertijd uit te reiken als het even niet meer gaat. Doen alsof, doen we alleen voor onze kinderen. Waar uberhaupt mogelijk.

Het was dag drie nog maar en mijn kleinste huisgenoot heeft het voor elkaar gekregen een iPhone met de wolwas mee te sturen. Het was dag drie nog maar en er waren zoveel lieve berichten en mooie initiatieven. Het was dag drie nog maar en ik had meer contact met mijn liefsten dan ooit. Het was dag drie nog maar en de oudste vroeg zich af of ik ook dood kon gaan. Het was dag drie nog maar en ik heb nog steeds geen schema, maar dat komt vanzelf. Het was dag drie nog maar en we zagen hoe zelfs ministers bezwijken onder de druk. Het was dag drie nog maar en we stelden vast dat Etos mondkapjes verkoopt voor belachelijke bedragen waar ze natuurlijk linea recta naar de huisartsen moeten worden gebracht. Het was dag drie nog maar en we stelden allemaal vast dat niemand weet hoe of wat, wanneer, hoe lang, what else. Het was dag drie nog maar en ik had ook nog eens een gebroken hart. Het was dag drie nog maar en we zijn er nog. 

Morgen is dag vier alweer. Vier van velen. Laat ons lachen. Alsjeblieft.

Niet zo prima – lockdown diary 2

Het is 17 maart 2020. De tweede dag waarop de stilte op straat oorverdovend klinkt. De dag dat mijn jongste een zeldzame huilbui had waarmee de door mij overgedragen spanning haar kleine lijfje verliet. De dag dat mijn oudste me bij het naar bed gaan lang aankeek en vroeg: “Hoe voel je je, mama?”

Ik heb toen voor het eerst in haar leven tegen haar gelogen en gezegd dat ik me prima voelde. Zo prima voelde ik me vandaag namelijk helemaal niet. Het bleek dat sommige dingen van het leven gewoon doorgaan, zachtjes huilende harten bijvoorbeeld, crisis of niet. En dat werd vandaag een beetje veel zoals ik het ook bij anderen veel zag worden. Even.

Want veel, dat zal het blijven. Daarom heb ik besloten vanaf nu elke dag mijn zegeningen te tellen. Dat zijn er pas veel. En het helpt. Wat ook helpt is de vele berichtjes van lieve mensen die vragen of het gaat, of hoe het moet. Doe dat. Vraag elkaar elke keer hoe het is. En verzacht je eigen antwoord niet. Denk extra om elkaar en dan weer een beetje extra aan de mensen die de ziekenhuizen draaiende houden, de huisartsen, de mensen in de supermarkt, de mensen die nu het land en de mensen in leven houden en helemaal geen tijd hebben om hun zegeningen te tellen.

Er is veel en er is veel moois. Maar er gebeuren ook veel minder mooie dingen. Het beste en het slechtste komt keihard naar boven gestoten. Waar de thuiswerkers dapper schema’s maken en delen om het kroost wat te bedaren en te onderwijzen en zoveel mensen zo hard werken voor ons allemaal, worden de supermarkten nog steeds massaal leeggekocht. Mensen moeten stad en land af om nog aan babyvoeding te komen, onze zorgverleners grijpen mis voor hun avondeten. Deze hamsteraars tellen hun zegeningen niet genoeg.

Laten we allemaal tellen en tellen tot we niet meer kunnen en als het zelf even niet lukt, dan telt een ander wel voor jou. Ik bijvoorbeeld, vraag gerust.

Vandaag voelde ik me niet zo prima. Maar morgen weer een dag. En dan hoef ik niet meer te liegen. 

Zie je morgen – Lock down diary, 1

Het is 16 maart 2020: Nederland, Europa, de wereld houden hun adem in. Hier zijn we. In Corona-lockdown. Mijn dochter van tien riep gister dat ze dit nog nooit had meegemaakt. Ik antwoordde: niemand heeft dit eerder meegemaakt. 

Wat lang werd afgedaan als griepje, heeft ons allen stilgelegd. En ons vrijwel zonder waarschuwing in een vacuüm gestort. De straten zijn stil, de scholen zijn dicht, de kinderen thuis. Kelderkasten volgestopt met de allernieuwste eerste levensbehoefte: toiletpapier. En ook wat pasta. De dagen hebben ineens zeeën van tijd en niemand weet nog hoe lang dit gaat duren. Binnen de muren van de ziekenhuizen wordt alles op alles en iedereen gezet om de mensen te redden die nog te redden zijn. Met zweet op hun hoofd en adrenaline in hun lijf manen dokters en verpleegkundigen zichzelf en elkaar tot rust en handelen. Omdat ze wel moeten. De orde van het heldendom is plotsklaps versprongen. Zij staan nu bovenaan. Met stip. 

Ik kan wel zeggen dat ik me geen zorgen maak, maar dat zou een leugen zijn. Een ontwrichting als dit is maar lastig luchtig te bezien. Als er zoveel tegelijkertijd kantelt, verlies dan maar eens niet je evenwicht. Gister zei ik mijn twee vriendinnen gedag na een weekend met onze dochters op het mooiste eiland van de wereld. Ik hield me groot, maar kon wel janken. Dat deed ik later ook maar gewoon. Ik heb mezelf een enkele onbedaarlijke huilbui gegund. En nu gaan we door. Allemaal. Met goede moed en op z’n minst veinzen we die. 

Niemand weet nu wat er komt. We kunnen nergens op vertrouwen en tegelijkertijd is vertrouwen het beste dat we hebben. Op onszelf, op elkaar. Op vandaag, morgen en daarna. Heb vertrouwen, wees betrouwbaar en heb lief. Heb geliefden lief, maar absoluut ook de mensen die je nog niet kent en hulp nodig gaan hebben. We bewaren meer afstand dan ooit, tegelijkertijd voelt iedereen dichterbij dan eerder.

Dit is een ultieme Proeve. En we kunnen dit. 

Zie je morgen weer. En anders overmorgen.  

 

Laten we dansen

Wie mijn huis binnenkomt, kan het niet ontgaan: het bordje boven mijn keukendeur met de onnavolgbare boodschap “I kiss better than I cook”. Ooit gekregen van mijn zus als knipoog naar mijn weerstand tegen koken. Of het waar is heb ik eigenlijk nooit echt kunnen achterhalen, er zijn er ook maar echt heel erg weinig die daarop het antwoord hebben en eigenlijk wil ik het ook gewoon niet weten. Ignorance is bless, nietwaar?

Wie dan naar de woonkamer loopt, passeert de enige andere clichequote die mijn huis ooit rijk zal zijn: “Life isn’t about waiting for the storm to pass; it’s about learning to dance in the rain.” Dit vintagelook-bordje kocht ik dan weer helemaal zelf toen ik na mijn scheiding in dit huis ging wonen. Een vriendelijk geheugensteuntje kon geen kwaad, vond ik. En toch begreep ik gister pas echt wat het bordje bedoelde.

Gister stormde het namelijk letterlijk. Ciara vervoerde de takken en bomen, daagde gras en struik en bloem en plant uit stevig stand te houden, waaide mijn jongste bíjna van haar sokjes toen we eventjes naar buiten durfden en daarna maar besloten lekker binnen te blijven. Ciara ramde rond ons huis. En binnen was het heel gezellig.

Dingen die je overvallen, kondigen zich niet aan en houden weinig rekening met het weer. Zo’n ding gebeurde me gister.  Waardoor het plotseling niet alleen meer buiten waaide. Er stak een zomerstormpje op in februari. Ik keek lang naar de dansende takken en het regen op het raam, wilde de wind negeren, besloot toen maar naar bed te gaan. En kwam langs dat bordje. Mijn vintagelook-bordje met friendly reminder. Alsof ik het voor het eerst zag en nu pas snapte snapte dat het al die tijd eigenlijk al een uitnodiging was. Ik trok mijn schoenen aan en stond op het balkon. Dat balkon lijkt beschut, maar bleek een soort windsluis. Ik trok mijn vest, dat ik intuïtief even daarvoor had aangetrokken over mijn dikke trui, alsof ik het ongemerkt al aan had zien komen dat een extra laagje huid geen kwaad kon, extra stevig om mijn verloren lijf. En stond. Met mijn ogen dicht. Met de regen. En Ciara.

God, wat was dat koud.

Ik dacht aan het berichtje dat ik laatst kreeg van iemand dierbaar over de laatste verhalen die ik schreef: “Je schrijft alsof het stormt.” En hij had gelijk. Het stormde ook, de laatste tijd. Op een goede manier. Het is een soort tegenstelling geweest, al langer. Als het daadwerkelijk stormt in mijn leven ben ik windstil. Is het windstil, dan storm ik. Als een soort nagekomen bericht. Maar het leeft veel lekkerder als je kunt meewaaien. Of kan dansen in de regen. Toch?

Ik stond en stond en deinde, in het donker tot de regen die Ciara meenam genadeloos al mijn lagen extra aangetrokken huid had doorweekt. Het was tijd om weer naar binnen te gaan.

Ik had dus, ondanks het moedig gekochte bordje, helemaal nooit gedanst in de regen. Ik was te druk met vechten tegen de wind. Of me verwonderen over de hagel. Ik ontweek vallende takken. Ruimde de bladeren op. Het stormde wel, ik deed er niks mee. Want ik was toch al die tijd gewoon aan het wachten tot het over was. Maar clichés zijn clichés met een reden en worden zelden zomaar op een vintagelook-bordje afgedrukt. Dus aan de wind laaf je je maar. En regen in je gezicht spoelt veel meer weg dan alleen mascara. Koud tot op het bot geeft niet als de kachel lekker brandt en het bed je zo fijn warmt.

Of ik beter kook dan dat ik kus of andersom: dat weten we niet en doet er ook niet toe. Maar dansen in de regen kan ik inmiddels eindelijk wel.

5B9B7E63-BDCD-456C-960A-E04BAF36CECC

 

Waar de hemel is geboren

Het fijne van alleen reizen? Heel veel dingen. Bijvoorbeeld zonder verder overleg spontaan een kantoortje inlopen waar ze tours organiseren. Dat deed ik twee dagen geleden. Ik kon mountainbiken, maar m’n billen deden nog pijn van de tocht naar Tulum “downtown”. Ik kon een Cenote bezoeken, maar daar had ik er al een paar van gezien. En toen sloeg de vrolijke tourguide de bladzijde van zijn boekje nog een keertje om. Er verschenen foto’s van een gezellig bootje, zonnetje, práchtige meren, veel verschillende dieren. Dat wil ik, zei ik en luisterde, achteraf onhandig, verder niet meer echt naar zijn verhaal, betaalde de tour en fietste terug naar m’n hotel. Gisterochtend was het zover. Een relaxte boottocht door het natuurgebied Sian Ka’an- “Waar de hemel is geboren” uit het Maya vertaald.

Allereerst: ik versliep me. Elke ochtend om 6u of eerder wakker, maar nu had ik maar drie minuten om me klaar te maken. Het verslapen had misschien wel een heel klein beetje iets te maken met wat ze dan ook maar in de Margaritas gooien hier, maar goed, ik gooide wat dingen in mijn tas, trok mijn bikini aan en zat in het busje. Pfieuw. We rijden een half uurtje, stappen dan in het gezellige bootje van de foto’s. Zes personen per boot, er wordt zeventien keer verteld dat het zwemvest absoluut verplicht is. Safety first kan ik altijd wel waarderen, er gaan verder nog geen lampjes branden. Mijn groepje bestaat uit Amerikanen. John en John, vader en zoon uit Minnesota. Dave, door grote John structureel David genoemd, uit Californië. Gran, waarvan ik me nog steeds afvraag of ze echt zo heet of dat de tourguide haar zo doopte omdat ze ook wel echt een klassiek oma-uiterlijk had, uit het boekje zeg maar en haar man van wie ik de naam niet heb gehoord, maar hoogstwaarschijnlijk ook gewoon John heet. En daar gaan we. Tourguide voor op het bootje, de kapitein achter. Lekker kalm en rustig varen we door het werkelijk prachtige natuurgebied heen, we zien krokodillen, de meest bijzondere vogels, wachten op de zeekoeien, maar die laten zich niet zien. Iedereen is op een of andere manier vooral gespitst op de vraag of ik alle dieren wel zie. “Look Minkie (mijn naam is een hilarisch drama in het buitenland), you see the crocodile” vragen de kapitein, John 1, 2 en 3, dan Dave en tenslotte Gran. Het is superschattig allemaal. Het is precies wat ik me er van had voorgesteld.

Dan kondigt de tourguide aan dat we een vogeleilandje gaan bezoeken. Tof. Ze wijst ergens naar een stipje in de verte en het lijkt me wel wat lang duren met dit bootje, maar het weer is prima en onderweg zijn er wellicht dolfijnen, want we varen de oceaan op. Heerlijk. Maar de kapitein geeft gas. Heel veel gas. Meer gas dan ooit, ooit toegestaan zou zijn op of nabij Nederlandse wateren en ver daarbuiten. De golven nemen toe, het bootje beukt er overheen en knalt steeds met een klap terug op het wateroppervlak, waarbij het een krakend geluid produceert alsof het elk moment door midden kan breken. Ladingen zeewater klotsen in mijn gezicht. Ik hoor niks anders dan wind en de motor, ik zie alleen maar oceaan. Deze had ik even niet aan zien komen. We houden stil, want we zien inderdaad dolfijnen. Eerst eentje, dan een moeder en een baby, dan een stuk of acht, cirkelend om de boot. Het is magisch. We varen verder, bekijken de grappige vogels op het vogeleiland (ik moet u de namen even schuldig blijven, ik ben al niet zo’n kenner, laat staan dat ik de Engelse namen makkelijk naar het Nederlands vertaal) en knallen dan weer de zee op. En midden op die zee, houdt het bootje weer stil. We gaan snorkelen.

Oh ja. Dat was ook zo. Snorkelen. Ik deed het nooit eerder, want ik heb een ding met onderwater, ik heb ook een ding met ademhalen, kortom: ik vind het doodeng en liet het altijd maar gaan als de kans zich voordeed. Ach, dacht ik, ik kan het altijd proberen toen het in de ochtend inderdaad als programmaonderdeel werd genoemd. In mijn hoofd was dat snorkelen alleen niet midden op de fucking zee. Een schattig baaitje met wat geinige visjes en zee-egels, stukje koraal, zo had ik dat een beetje voor me gefantaseerd. Niet dus. Weer is iedereen schattig-bezorgd. Ik krijg uitgebreide instructies, Papa John ruilt zijn duikbril met me (wel nadat hij er al in had gespuugd, maar dat was het minst van mijn zorgen), de kapitein verzekert me bij hem in de buurt te blijven wat ik een prima idee vind, hij komt nogal doorgesnorkeld over. En dan moet ik het water in. De laatste keer dat ik van een boot de zee in sprong was vijftien jaar geleden en ik raakte toen om volstrekt onnavolgbare redenen volledig in paniek. Nou ja, het was niet mijn beste periode ooit, ik leefde van paniekaanval naar paniekaanval dus het zou natuurlijk zomaar kunnen dat dat er iets mee te maken had, zeg maar. Hoe dan ook heeft dat me er altijd van weerhouden die sprong nog een keer te wagen. En nu zit ik op de rand van een wiebelig bootje met het voornemen het best onstuimige diepblauwe zeewater in te duiken alsof ik precies weet waar ik mee bezig ben en mijn hart niet als een idioot tekeergaat en zeggen wil: ben je helemaal gek geworden, idioot wijf?! Wellicht. Blijkbaar. Ik bedenk wie ik wil zijn. De vrouw die in de boot bleef omdat ze op een eerder moment in een ander land, in wat soms lijkt een vorig leven, naar adem hapte omdat het enige dat ze nog kende angst was? Of de vrouw die dat misschien maar eens moest achterlaten, bewijzen dat dingen veranderen, dat zelfs de heftigste paniek te overkomen is, de vrouw die -zoals een van de Johns het noemde- once in a lifetime opportunities aangrijpt in plaats van met lede ogen voorbij laat gaan? En ik spring.

John, John, probably-John, Gran, Dave, de kapitein en de tourguide juichen. Maar ik ben er nog niet. Ik zwem cq trappel richting de kapitein die me bezweert dat ik nu maar mijn gezicht door het wateroppervlak moet duwen. Dat het prachtig is. Alleen: werkelijk alles in mijn lijf biedt weerstand. Onderwater kun je niet ademen. Het voelt zo tegennatuurlijk dat ik niet geloof dat er werkelijk zuurstof tot me gaat komen door het rare stokje boven mijn hoofd. En ik heb zuurstof nodig, veel, zowel via mijn mond als via mijn neus, zoveel als ik wil. “You can do it” roept de kapitein. “Yeah, Minkie, you can do it” herhaalt jonge-John. En dan doe ik het. Zomaar. Eerst een paar seconden, mijn lijf reageert door oncontroleerbaar grote happen lucht tot zich te nemen. Ik laat het gebeuren en verdwijn steeds een beetje langer in de onderwaterwereld. Flipper achter de kapitein aan, ademhappend en verwonderend. Over het rif, de visjes, de vrouw die ik ineens ben, daar in de Caraïbische zee.

Dan maak ik een domme fout: ik kijk achterom naar hoe ver we van de boot af zijn. Eerst zie het hele ding niet eens door de steeds hoger wordende golven, dan wel, maar angstig ver weg. Op dat zelfde moment schreeuwt de kapitein de enige woorden die ik nu niet, onder geen enkel beding, wil horen. “Shark! Shark!” What the actual fuck. Hij zwaait met zijn armen en ik heb geen idee waarom of wat er van me wordt verwacht. “Look Minkie! Can you see the shark” versta ik dan. Voor de zoveelste keer in erg korte tijd denk ik niet na, doe mijn hoofd onder water en zie, tussen de rotsen en het rif inderdaad een haai. En daarna een enorme zeeschildpad, zo’n grote platte vis, duizend andere visjes en nog net geen zeemeermin, maar zo waan ik mezelf inmiddels al. Het is adembenemend mooi. Het is fantastisch. Het is magisch. Als ook doodeng. Maar ik doe het. Ik ben het aan het doen.

De tourguide roept dat we terugzwemmen naar de boot. En dat is een stuk gemakkelijker geroepen dan gedaan, want de zee wordt ineens een stuk wilder. De golven nemen toe in aantal en hoogte, maar dat is niet het grootste probleem. Ik voel een sterke stroming aan mijn benen trekken, richting verder op zee, niet richting boot en denk aan de duizenden keren dat mijn moeder uitlegde hoe gevaarlijk de zee kan zijn, ook al lijkt ze nog zo kalm. Dat de zee geeft en neemt en als ze neemt, zou ze zonder genade zijn. Niet per se opbeurende gedachten op dit moment in mijn leven, trappelend zo hard als ik kan en heel erg blij met alle uren work-out in de afgelopen twee jaar. Die spieren heb ik hard nodig nu. Ik zwem en zwem en zwem, blijf zo horizontaal mogelijk zodat de stroming minder grip heeft en bereik uiteindelijk de boot.

John, jonge-John, probably-John, Dave, Gran, de tourguide, de kapitein en ik zitten uiteindelijk allemaal weer op onze plek, iedereen is er een beetje stil van. Het was wat spannender dan bedoeld, licht de tourguide toe, maar hey: “That’s nature.” De kapitein scheurt even later weer met magnifieke snelheid terug naar land waar we lunchen en kletsen. En dan is het tijd om terug te gaan. Drie kwartier varen op topsnelheid, we denderen door en door en door. Alles wat er nog aan zorg of twijfel in m’n hoofd zat, over wat dan ook, wordt voor altijd weggeblazen door de wind die we met onze snelheid maken. Meegenomen door de zee zonder genade. Alle Johns, Dave, Gran, de kapitein, de tourguide: ze waren erbij toen ik een andere vrouw werd. De vrouw die zwom en zwom en houvast vond. Die geen paniek voelde, die rustig bleef. De vrouw die niet alleen vertrouwde op zichzelf, maar zo mogelijk nog moeilijker, ook op hen. De vrouw die zichzelf overwon. Nog eens. De vrouw die zo ontzettend hard genoot dat ze wel kon huilen. De vrouw die zeker wist dat ze niet alles wist, maar wel veel dingen zekerder. De vrouw die zich gezegend voelde, in plaats van niet genoeg. Of veel te veel.

De vrouw die de zee in sprong terwijl ze eigenlijk niet durfde.

 

Recht uit het hart, zoals het hoort

Ik wilde eigenlijk een stuk schrijven waar Lizzo in voorkwam, omdat ik deze powerhouse bijna onafgebroken luister deze vakantie, soms afgewisseld met de soundtrack van A Star is Born. There she is: Lizzo. Maar ik kan er nu niet teveel op ingaan, want mama was er even, net.

Ja. Mama was er even net. En mama is er bijna nooit. Niet omdat ze er niet wíl zijn, maar omdat ik haar er niet zo vaak láát zijn. Want alles dat mama is, doet pijn. Niet de methode waar ik haar het meeste recht mee doe. Wel eentje die er voor heeft gezorgd dat ik niet totaal ben ingestort ergens in de afgelopen 10+ jaren dat ze dood is. Een zogenaamd contactmomentje beleefde ik.  Het ging zo.

Mijn ochtend was lui en relaxed, op het strand, met een boek, met wat kletsen met thuis, met meer lezen, met zon, zee, alles. Toen pakte ik mijn “fiets” en besloot de andere kant van de strandweg te verkennen, met name omdat ik cadeautjes voor de meisjes wilde kopen en nog moest lunchen. Fiets, fiets, fiets, soepeltjes de gaten in de weg ontwijkend, keurig achteromkijkend naar de grote vrachtwagens en bussen die me al dan niet voorzichtig inhaalden. De cadeautjes lukken, de lunch ook, als wel als de Corona’s. Klinkt als een vluggertje, maar ik was een uur of drie druk met praktisch niks: heerlijk. Dan zoek ik een ATM om de cashflow gaande te houden, besluit ik verder te fietsen naar het geinige verkeersbord dat ik eerder zag en keer terug in mijn hotel. Stay present.

Processed with MOLDIV

Niet Hugo zit er deze keer, het is een andere jongen die ik gisteren ook al zag. Hij vraagt me hoe mijn tripje was, ik zeg van goed en vraag naar zijn dag. We kletsen wat en dan vertelt hij dat hij fotografeert, films maakt en daar graag zijn beroep van wil maken. Een goed idee, dat vind ik altijd een goed idee. Ik vraag of hij zijn werk al deelt. Dan is hij even stil. Nee. Want hij is nog niet goed genoeg, vindt hij zelf. Er zijn zoveel andere fotografen en filmmakers. Hij moet eerst meer ervaring opdoen. Blabla. Bla. Ik zeg dat niet, ik denk dat. En kijk zo, hoogstwaarschijnlijk, daar kan ik nou eenmaal weinig aan doen. Ik vraag hem hoe oud hij is. Negentien. Negen-tien. Ik haal adem, negeer mijn “oma-spreekt” stemmetje en zeg hem dat hij nu, ofwel over vijf minuten, zijn werk moet gaan delen met de wereld. Dat het eng is, dat weet ik, maar dat het moet. Vertel over het eerste verhaal dat ik ooit deelde en hoe ik dacht: wie hemelJansnaam zit hier op te wachten? Dat ik een column had op de radio en elke rit naar Hilversum, élke twee uur Azoveel, onafgebroken dacht: dít is de uitzending waarna de programmamakers gaan zeggen dat het eigenlijk één grote vergissing bleek, ik op de radio. Of dan minstens dat hun mailbox zou overlopen met de vraag waarom deze vrouw in Henksnaam op de radio moest. Het tegendeel bleek waar. De reacties qua radio waren prachtig, ik werd keer na keer teruggevraagd. De reacties op mijn andere verhalen zo mogelijk nog mooier. En toch, zo zei ik hem, en toch is er nog steeds, elke keer, zelfs nu, een klein stemmetje dat heel zachtjes fluistert: wie denk jij wel niet dat je bent? Met je verhalen. En het enige, echt het enige, verschil tussen droom en ambitie en echt op die plek komen waar woorden of beelden worden geloofd, gehoord, gezien en gekoesterd, is publicatie. Het delen. Hoe eng en nerve breaking en kwetsbaar het ook voelt. Het is de enige manier.

Dan vertel ik nog over het moment dat ik dat voor het eerst deed. Echt iets delen. “Man met hamer” heet het verhaal. Een moment dat ik beschreef waarop ik mijn moeder ineens miste. Het was een vreemde eend in de bijt tussen mijn vrolijke vakantieverhalen. Het was zo kwetsbaar dat ik liever naakt voor een volle concertzaal een liedje had gezongen- en ik kan niet zingen. Ik publiceerde het verhaal en dook onder. Ik durfde 48 uur lang niet naar de reacties te kijken. En toen ik eindelijk de moed bij elkaar had geschraapt, waren die stuk voor stuk mooier dan ik ooit had kunnen denken. Al die dingen vertel ik. Ik zie dat hij luistert. Ik voel dat ik het meen. “Put yourself out there, it is the only way to go” en hij lacht. “Take this advice from this old lady” lach ik terug. “You’re not old, you’re just older” en hij heeft gelijk. “Just take my advice. Or don’t. But I can see you have this urge to share your work. Do it. Or don’t. Do what feels right. And take this advice of someone that knows how scary it is and did it anyway. With lots and lots of beautiful experiences because of it. Or don’t. It’s your life.”

Dan parkeer ik mijn fiets en loop naar mijn kamer. Het is nog geen minuut lopen, maar daar is mama. Want ik was een beetje mama. Mama had de gave om de goede dingen te zeggen op de goede momenten. Ze had overigens ook absoluut de gave om tegen mij de verkeerde dingen te zeggen op totaal verkeerde momenten, zoals moeders dat kunnen. Mama had een open hart. Ze verwelkomde mensen zoals maar weinigen dat doen. De mensen die ze kende, maar ook zeker de mensen die ze niet kende. Mijn vriendinnen waren dol op haar omdat ze vragen stelde die niet veel andere volwassenen stelden, maar ook nog een slimme antwoorden gaf. Omdat ze oprechte interesse had, omdat ze liefde en genegenheid kon opbrengen voor iedereen, welk verhaal er ook schuilging. En vooral: ze had altijd iets wijs te zeggen. Recht uit haar hart.

Nu wil ik niet per se pretenderen dat ik iets wijs zei tegen deze negentienjarige fotograaf-in-spe. Maar recht uit mijn hart kwam het wel. En daarom was mama er, denk ik. Omdat ik veel te lang en veel te veel niet in contact was met daar waar mijn hart bodem vindt. En nu even wel. Ik nam “the courtesy”. Sprak me uit, oprecht. Uit mijn hart. Aan iemand die luisterde. En er misschien iets mee doet. Misschien ook wel niet. Want het is nogal wat.

Ik hoop het. Dat hij de moed vindt te publiceren zoals ik dat ooit vond. Dat wie dan ook die dit leest en twijfelt, de stap neemt. Recht uit het hart. Altijd. En dat ik de moed blijf vinden, mijn hart blijf horen, en een beetje meer als mijn moeder durf te zijn. Zodat zij er iets vaker is. Vanaf nu.

Op fietse

Ze zijn ontzettend vriendelijk bij het hotel. Eigenlijk is iedereen de hele tijd vriendelijk en gastvrij en behulpzaam, maar deze jongens spannen de kroon. Omdat ik vroeg ben, is mijn kamer nog niet klaar. Hugo drukt me daarom een badhanddoek in mijn handen, wijst me naar het strand en vertelt dat op een minuutje lopen een goed restaurant zit. Hij let op mijn spullen.

Ik moet wennen aan Tulum. Iedereen die ik sprak zei dat het een absolute must-visit was. En als ik de zee aanschouw, met de visvangende Pelikanen en echte hoge golven, het zachte, witte zand, dan snap ik waarom. Maar voor de rest heb ik het nog niet helemaal door. Ten eerste is alles twee keer zo duur als op de duurste plekjes waar ik was. Kost het allemaal nog niks, maar het is wel opvallend. Op de kaart van het restaurant staan allerlei hypergezonde snacks and juices in plaats van Mexican food. Om mij heen hoor ik alleen maar Amerikanen, de tienermeisjes roddelen onafgebroken over allerlei friends and marriages, die van Maggy in het bijzonder, want zij liet een scheet op haar wedding reception (ik verzin dit niet).

Ik weet het nog even niet met Tulum. De vegan taco’s met avocado en humus laat ik aan me voorbij gaan, dan blijft er alleen pasta over en die smaakt prima. Ik kijk of mijn kamer klaar is en dat is ‘ie. Hugo wijst me de weg, de inderdaad wat verstopte lichtknopjes, en wenst me veel plezier. Het is prachtig, de kamer. Het is een soort hut op palen, prachtig simpel en strand-ish ingericht, een rieten dak, schattige klamboe. Perfect. Voor mensen. Voor heel veel verschillende mensen. Niet per se voor mij. Ik zie de gaten in het dak, de kieren langs de ramen, lekker robuust en in de natuur, en dat is precies het probleem. Eh, de uitdaging. Want ik houd wel van natuur, en ik hoor de golven stukslaan en dat is magisch, maar ik houd niet van beestjes. Niet van kleine beestjes en al helemaal niet van het formaat beestjes dat hier regulier is. Als ik mijn zorgen deel met thuis, ben ik een watje. Misschien. Maar ik was meer watje als ik gelijk zou uitchecken. Dat overweeg ik serieus, ik deed dat al vaker als iets niet beviel, maar laat ik. Avontuur wilde ik. Avontuur is er nu. Als ik ga slapen sluit ik mijn queen sized bed (de benen van deze queen zijn daar overigens echt veel te lang voor) hermetisch af met de klamboe en ga slapen op goed geluk. Midden in de nacht word ik wakker van de kou (?) en maak een dekentje van de badhanddoeken, slaap verder, word wakker van geritsel boven m’n hoofd en visualiseer een schattig klein vogeltje. So far, so good.

Hier wordt het ontbijt op de kamer gebracht en dat is hemels. Ik eet, doe wat werkdingetjes, werk nieuwe plannetjes uit, schrijf en lees. Dan wil ik naar “downtown”. Dat kan met de taxi. Of met de fiets. Ik besluit tot het laatste: als ik de nacht in de halfopenlucht overleef, dan dit vast ook. Voor 10 US Dollars mag ik de fiets alle dagen gebruiken. Ik slik de woorden “business” en “model” in. Het grappige hier, vind ik, is dat het ze allemaal geen ruk uitmaakt. Amerikanen (en enkele Europeanen) willen blijkbaar fietsen, want oh experience en goedkoop bovendien. Dus elk hotel tikt een lading totaal verrotte fietsen op de kop, hangt er een cijferslotje aan en zegt: good luck. Jij wil een fiets, jij krijgt een fiets. En nu niet meer zeuren. Dus de ene na de andere opgespoten Amerikaanse diva hobbelt haar siliconen rond op een veel te grote mountainbike, de teentjes raken maar net de pedalen, hun Chaneltasjes keurig aan het stuur. Ze rechten hun rug, lachen gemaakt en vervloeken zichzelf, deze fiets, Mexico en hun hele leven binnensmonds. Dan de mannen. Door en door gespierd, de tandjes gebleekt en een Calvin Klein of gelijkende zonnebril op de neus, kekke Hugo Boss swimshort: op een babyroze beach cruiser met mandje voorop en veel te klein. Werkelijk iedereen zit als een debiel op deze Mexicaanse fietsen, ik incluis, met als verschil dat het me echt helemaal niks kan schelen. Ik draag al dagen geen make-up, het is nog maar de vraag of mijn haar-in-een-eeuwige-knot überhaupt nog uit de knoop gaat en in mijn jurkje zitten gaatjes, zag ik bij het aantrekken, maar mijn garderobe is momenteel niet zo genereus, dus ik negeerde dat. Mijn beach cruiser is baby blauw, aftandser dan de gemiddelde studentenfiets, door en door verroest, maar I don’t care. Het ding brengt me naar waar ik wilde zijn. Niet in de door Hugo beloofde 20 minuten, maar een uur is ook prima. “I hope I won’t die” zei ik bij het wegfietsen. “Don’t say that, lady.” “Just pray for me, everything will be fine.” “I will” antwoordde hij. En waarschijnlijk deed hij dat ook, want ik kwam veilig weer terug. Ondanks de metersdiepe gaten in de weg, de honderden auto’s en slippende bermen, ondanks de takken die je slim moet ontwijken, ondanks mezelf. Ik vond zelfs de weg heen én terug in één keer.

Tja, Tulum. Je bent prachtig en een beetje overgenomen tegelijkertijd. Overgenomen door mensen zoals ik. Door toeristen. Maar dan wel door toeristen die in het land van taco’s graag veganopties eisen. Eten dat door de lokale bevolking nooit te betalen is. Hugo woont niet “downtown” want dat is te duur geworden. Hij en zijn familie zijn teruggedrongen naar verderop en hebben in het stadje niets meer te zoeken, want ze kunnen er niets meer betalen. Iemand in Mexico verdient gemiddeld 20 euro per dag. Daar zitten heel veel mensen heel ver onder, ook nog. In Valladolid waren er gezinnen die gezamenlijk lunchten in dezelfde cafés als de sporadische toerist like me. Hier in Tulum is dat onmogelijk. Op mijn fietstocht zag ik investeringsproject na investeringsproject in aanbouw. “Don’t wait to invest, invest and wait”.

Tulum, ik weet het nog niet met je. Maar je zee is prachtig en je stranden ook. Het is precies dat waar de mensen op afkomen. Hopelijk word je gekoesterd en ga je niet ten onder aan je succes.

And I love what you did with the bikes.

In de bus

Deze andere tijdzone wil nog niet helemaal wennen, dus ik ben ook deze ochtend alweer wakker voor de zon zich laat zien. De hanen gillen onafgebroken, het zijn er veel. Vogels zingen daar dwars doorheen en mijn kamer vult zich met de geur van het rook van de vele vuurtjes die worden aangestoken om het ontbijt klaar te maken in de huisjes om me heen. Ik lig nog even. Lees een beetje. Douche. En ga dan op zoek naar ontbijt. De zon komt langzaam boven de huizen uit en sluipt rustig aan het plein op, waar ik ga zitten waar ik de avond ervoor ook zat. Koffie, fruit en toast, nogal een ontbijt voor een niet-ontbijter. Deze dag kent nog geen plan en dat is prima. Ik ga wandelen, ik zie wel.

En of ik zag. Straat na straat, zo’n 8000 stappen. Huizen in alle kleuren, hondjes van diverse formaten. Een slapende ijscoman op een bankje, een vader en zijn zoon die sinaasappelsap in plastic zakjes aan de deuren verkopen. Spelende kinderen. En veel straten waren leeg en stil (een soort Eibergen-ervaring, Alfred), want zondag. Ik loop en loop en loop en tref een kerk. Maak foto’s, ga niet naar binnen. Ik loop en loop en loop en tref een heel vreemd, overdreven groot, soort verlaten Chinees paleis. Ik loop en loop en loop en vind de enige Cenote die de stad rijk is. Een Cenote is een enorm zinkgat met daarin water. Een magisch gezicht en van oudsher wordt gedacht dat het de doorgang naar de onderwereld zou zijn. Ik eet wat, lees wat, (niet zomaar wat, een van de mooiste passages over de liefde ooit geschreven) en betaal. Als ik het restaurant uitloop, bevind ik me ineens in een parade. Voorop een Jeep met een metershoge pop; een vrouw in wit gewaad. Daarachter mannen, vrouwen, jongens en meisjes in dezelfde gewaden met bloemen en soms een kroon. Daar weer achter bakfietsen, volgeladen met mensen. Open vrachtwagentjes met kinderen die zich verdringen om iets te kunnen zien. Motoren. Scooters. Drie mensen op één brakke mountainbike. En daar weer achter: paarden. Mannen en vrouwen en baby’s (?) op tientallen paarden. Er worden vuurpijlen afgestoken, Mexicaanse muziek schalde uit de vele meegebrachte boxen, de mannen dronken bier uit flessen van twee liter. Ik wandel mee en probeerde uit te vogelen wat de gelegenheid is. Veel politie, maar ook soldaten. Het gezelschap houdt stil bij de kerk die ik eerder die ochtend had bezocht. Wéér een bruiloft? Wat is dat nou weer voor een bericht van het universum? Maar het zit anders. De stoet gaat verder en ik dus ook. Op het dorpsplein waar eerder die dag de ijscoman lag te slapen, bleek het een dorpsfeest met zang en dans en gratis eten en drinken. Whenever you walk into a parade, join. Zou ik willen zeggen.

Een late lunch en dan zit ik even op het centrale plein. Ik denk om te lezen, maar daar denken de 518020261 vogels anders over; ze gillen alles, maar dan ook alles bij elkaar. En een zeldzame vermoeidheid overvalt me. Alsof alles van de afgelopen dagen, van de afgelopen tijd in één minuut alle energie uit me zuigt. Het is 18u. En ik ga naar bed.

Om 5u ben ik weer wakker. Wakkerder dan in tijden. Ik klets wat met de lieve mensen thuis, kijk een serie, pak mijn tas in, ontbijt en neem de bus. Next stop: Tulum.

Het busstation is chaotisch en warm. Er zijn veel mensen, wanneer welke bus gaat is niet te verstaan. Toch lukt het de juiste te vinden. En daar sluit ik een vriendschap. Niet gelijk, het duurt ongeveer een half uur snelweg voor we elkaar ontdekken, de vrouw en ik. Ze vertelt me haar naam en ik de mijne. Ook alleen? Ja ook alleen. Ook zo heilzaam? Jazeker. Haar besliste toon, maar warme antwoorden verraden een kwetsbaarheid die ik herken. Ze noemt haar route tot nu toe. En ik die van mij. Ja het was mooi en indrukwekkend en intensief, alleen, zeggen we allebei. “Ik heb het niet allemaal goed gedaan, een tijdje, m’n leven” bekent ze zomaar na bijna een uur. “Wie wel” antwoord ik. “Andere mensen. Bij andere mensen lijken de dingen zo makkelijk en vanzelf en volgens het boekje. Zij maken geen fouten, ofzo. Ik weet het niet. Ik ben daar wel eens jaloers op.” “Jaloers?” “Nou ja, jaloers, misschien is het meer dat ik zo ontzettend boos op mezelf ben geweest, soms. Dan stond ik ‘S ochtends op en hield ik eerst een interne monoloog over welke dingen ik beter had moeten of kunnen doen. Soms duurde dat de hele dag.” Ik ben even stil en pak mijn vest, de airco staat hoog en mijn benen vatten kou. “Ben je gelukkig” vraag ik dan. “Steeds een beetje meer.” “Wat zou je tegen mij zeggen als ik precies dit aan jou zou vertellen?” Nu is zij even stil.

“Dat het niet helpt. Dat je beter verdient” zegt ze dan. En vertelt ze hoe het kwam. Hoe haar leven wendingen had genomen die ze niet had voorzien en dat ze niet had geweten wat te doen. Dat ze vast had gehouden aan het enige dat ze zeker wist: dat alleen zijn het allerengst zou zijn van alles dat er kon gebeuren. Ze had zich als een Greenpeace-activist met kettingen vastgeklonken aan alles dat ook maar een beetje veilig voelde en alles voelde veiliger dan alleen. En dat ze zo ontzettend niet had geloofd in zichzelf, om allerlei voor de hand liggende redenen, maar toch. Er waren dagen geweest dat ze niet wilde opstaan. Of juist niet naar bed zou. Ze was alles dat ze kende en alles dat ze was vergeten. En toen was ze verdwaald. In gedachten, in mogelijkheden, in onmogelijkheden, in de dingen die moesten, de kinderen, het meest nog in zichzelf. Haar hoofd had gemaald en gemaald en alle operatie overgenomen van haar hart. Ze had manieren gevonden niet te voelen, omdat het moest, want ze moest door. En daarom was ze zo boos op zichzelf. “Ik deed wat ik kon, maar ik deed niet wat ik moest.”

“We doen allemaal wat we kunnen. En soms is het dat wat moet. Soms is het dat wat we willen. Soms is het dom, soms is het levensreddend” en ik kijk haar aan. “Waarom ben jij eigenlijk niet wat liever voor jezelf” vraag ik. Nu beginnen er tranen over haar wangen te lopen, ik pak haar hand. “Zit ik alweer te janken” lacht ze. “Het is vakantie hoor.” “Je bent hier niet voor niets alleen. We komen elkaar niet voor niets tegen. Alles gaat zoals bedoeld. Er wordt voor je gezorgd, kijk maar eens om je heen. Kijk hoe mooi je bent. Kijk wat je kunt, wat je hebt, kijk wat is gelukt. Kijk: je bent er nog. En ja het was kut en zwaar en moeilijk en die tijd, die tranen, die krijg je nooit meer terug. Maar dat is geweest, dat weet je en dat voel je. Je bent er nog, en kijk eens hoe.” “Jij dan” zei ze. “Kijk naar jezelf.” We lachen, hand in hand. Dan stopt de bus en zijn we er. De laatste bestemming van deze overweldigende reis. Wij zijn in Tulum.

En onderweg daarnaartoe, in de bus, op de Mexicaanse snelweg, sloot ik dus een vriendschap. Of eerlijker: hernieuwde ik het verbond met mezelf dat veel en veel te lang geleden werd verbroken.

Ik was zelf die vrouw. Ik ben niet alleen.

En ik ben nooit alleen geweest.

 

Sal

Kilometers Mexicaans asfalt razen onder me door, duizenden bomen schieten voorbij. Af en toe een huisje, een hutje, een dorpje, lang niet zo groot als het kleinste dorp op het Hogeland. Huizen zijn kleurrijk en met veranda, van verweerd beton met kippengaas als landafzetting, dan weer een rieten hut, onbeschut, behalve door de bomen. Kinderfietsen, halve motoren, hele scooters, een huilend kind achter een hekje. Rode Coca Cola stoelen van plastic als belangrijkste huisraad. In één straat tel ik vier kerken, allemaal helblauw geschilderd. Een bar, bestaande uit een tafel en een koelkast, ernaast koken twee vrouwen iets in een pot op een vuur. Alles flitst voorbij. Isla Holbox ligt een paar uur achter me, mijn nieuwe bestemming nog een paar uur voor me, met de bus. Ik luister muziek, zie de zon verdwijnen achter de boomkruinen, de lucht kleurt nog even oranje en wordt dan langzaam zwart.

“The Island” was heilzaam. Mijn hotel was een klein paradijsje op een paradijsje, aan het strand, weldadige rust, heerlijk eten, ik lag acht uur achter elkaar op het strand te lezen. Toen ik mijn boek uit had, wandelde ik naar “downtown” (niet over het strand) en vroeg een passerende taxichauffeur waar te eten. Er was muziek, er waren leuke mensen, ik nam een Corona en ging naar m’n bed. De volgende ochtend lekte ik tranen op het witte zand van van alles en over van alles en zag de zoute druppeltjes het zand intrekken, dacht en daar is strandzand ook gewoon voor bedoeld. Dat is wat ze altijd al doet: het opslokken van zilt. Ik laat ze hier, besloot ik, deze tranen en alles waar ze voor staan gewoon ook. Toen pakte ik mijn tas in, checkte uit, bedankte vriendelijk en ging al die tranen lichter naar de boot.

De bus maakt een scherpe bocht naar links en parkeert. Vrijwel iedereen staat op, pakt tassen en stapt de bus uit. Dat “vrijwel” vind ik altijd een beetje ingewikkeld. Ik kon nergens aan ontlenen dat dit inderdaad Valladolid was, probeerde door de ramen heen te spieken naar een teken van goede bestemming, vond niks, stapte ook maar uit. En om het hoekje stond inderdaad dat dit busstation hoorde bij de stad die ik wilde bezoeken en waar als het goed is ook Casa Bamboo zou staan. Ook wel: mijn hotel. Een van de belangrijkste dingen die ik mezelf heb aangeleerd als ik alleen reis (ik schreef er al eens over toen ik mijn auto niet kon vinden op een parkeerplaats op Curacao): zie er altijd uit alsof je precies weet waar je mee bezig bent. Ook als het tegendeel waar is. En ik heb even geen idee waar ik mee bezig ben. Zie geen taxi’s, zag in de paar minuten voor dit busstation vooral verlaten huizen en braakliggende terreinen, verder zijn er om me heen alleen een heleboel mensen die  wel precies weten waar ze mee bezig zijn. Dus ik leun zo nonchalant als mogelijk tegen een muurtje en zoek het adres van het bamboehotel op mijn telefoon. Rechts van mij een hysterisch fluitende verkeersregelaar, foeterend tegen de tientallen auto’s en motoren, links drommen mensen over de smalle stoepjes. Dan stapt er een man op me af en vraagt of ik een taxi nodig heb. Kijk. Zie je? Nonchalance is altijd goed. Ik noem de naam van mijn hotel en hij lacht vriendelijk, gebaart me mee naar de hoek van de straat, wijst en zegt dat het maar ‘one block’ die kant op is, dat kan makkelijk lopend. Ik herinner me ineens dat het inderdaad dit hotel was dat op 100 meter van het busstation zou zijn, die andere was verder. Prima. Ik ga lopen.

One block? Hoe ver is one block hier? En zijn 100 Mexicaanse meters wel hetzelfde als 100 Nederlandse meters? Want ik zie geen hotel, de straat wordt steeds donkerder, ik zie steeds minder dingen die een hotel zouden kunnen zijn, ik heb het warm. In mijn beste Duolingo-Spaans vraag ik het in een winkeltje. Ja, het is vlakbij. Nee, nog even verder en dan aan de linkerkant. Ik heb inmiddels gezelschap gekregen van een mager, druk kwispelend beige hondje, het verkeer neemt af, de straatverlichting wordt schaarser. Dan zie ik de nummers op de hoeken van de straat en begrijp ik de logica van het adres met een x38 en y35 en een Calle 46. En dat betekent dat ik toch echt veel te ver ben gelopen. Dus ik en het hondje keren om en doen een nieuwe poging. Met deze keer meer succes.

Ik check in en vraag de hoteljongen waar ik zou moeten eten. Hij heeft een handige plattegrond, kruist wat dingen aan, wenst me een fijne avond. Prima. Met één probleem: ik heb -joh- totaal geen gevoel voor oriëntatie. Als ik in een willekeurige gang een deur uitstap waar ik net nog ben binnengelopen, kies ik pertinent rechts in plaats van links of andersom. En als Google Maps niet tegen me praat in de auto, kom ik precies nergens fatsoenlijk aan. Sta ik. Met die kleurrijke plattegrond in een afgelegen straatje, te doen alsof ik weet waar ik mee bezig ben. Ik stop het ding in mijn tas, loop in de richting die de hoteljongen aanwees en kies daar op een kruispunt de straat waar de meeste mensen heenlopen. Bij het volgende kruispunt weer. En daar sta ik ineens toch nog oog in oog met de práchtige kathedraal bij het centrale plein, waar kinderen zich rond de kraampjes met lekkers verdringen en alle bankjes vol zitten met kletsende mensen.

Dit was gelukt. Nu nog oversteken. En dat, lieve mensen, dat blijkt hier een vak apart, zo niet topsport. Iemand heeft een keer in een helder moment bedacht om gele zebrapaden te verven op de grijze keien, maar die zijn er duidelijk alleen maar voor de sier. Rondom het plein zijn allemaal stoplichten voor auto’s, niet voor voetgangers. Het zijn vier kruispunten, op elke hoek een. En om de overkant van de weg te bereiken, moet je precies het moment kiezen tussen dat het stoplicht van de ene kant op rood springt en die van de andere kant op groen. Dat is een tijdslot van ongeveer een halve seconde. Dat betekent dus gewoon: rennen. Hard. Het is een erg lachwekkend gezicht, als het niet zo levensgevaarlijk zou zijn en nog meer als ik er zelf geen onderdeel van was. Maar goed. We spelen dit spelletje mee.

En nu schrijf ik dit, aan een tafeltje van een restaurant, aan de straat, waar de serveerster me bij die tafel zomaar complimenteerde met mijn mooie ogen (ik verstond het zowaar), het stel naast mij serieus al anderhalf uur aan het kibbelen is over het programma van morgen en probeer ik te wennen aan het drukke verkeer, het bijbehorende getoeter, de vele rondjesrijdende politieauto’s en al wat anders is aan een stad, dan aan de paradijselijke stilte van Holbox. En het is goed. Links van me de wielen over de keien, rechts de mensen van hier die in steeds mooiere kledij langslopen als ware het een catwalk. Glitters, roodgestifte lippen, mannen in stijfgestreken overhemden, de kleine meisjes met strikken in hun haren, rennend in een Mickey Mouse jurk. Zelfs de baby’s dragen chique tenue. Steeds een nieuw parfum waait voorbij. Net als ik bedenk dat we in Nederland ook wel wat beter ons best mogen doen, dat het straatbeeld daar best van opknappen zou, blijkt het toch niet helemaal gebruikelijk, deze parade. Uit het niets verschijnt een bruidspaar, iedereen loopt inderdaad richting de kathedraal. Zij straalt, hij straalt, de moeder van de bruid kijkt vooral waterig. Het koppel houdt elkaars handen stevig vast.

Vanavond wordt er getrouwd in Valladolid. En ik ben er een beetje bij.