Margaret en de gesjeesde regisseuse

Hoogzomer. Een graad of 29. De kantine van zo’n schoolreisjeskampeerboerderij. Ik ben aan het aarden. Beide voeten stevig op de grond, ogen dicht en dan dus aarden. De grond voelen. Prikkend zweet op mijn rug negeren. In mijn concentratie komen. In de zone. Dichter bij Margaret Thatcher, vandaag. Naast mij staan Bill en Hillary Clinton ook stevig te aarden. Ik vraag me af of hun zweet ook zo prikt. Ik spiek tussen mijn wimpers door en zie de regisseuse in haar neus peuteren. Of ik al genoeg geaard ben weet ik niet, maar ik veeg toch maar mijn voorhoofd af. “Scene 5. Toe maar.”

Een zomertheaterkamp. Want ik ging actrice worden. Ik ging later Julia spelen. Van Romeo. Of een lesbische variant in een experimenteel stuk waarmee we dan alle festivals veroverden. Daarna schitterde ik natuurlijk op een wit doek in een prachtige dramatische film, of een komedie waar mijn spel en bijbehorende humor als “van het unieke soort” gerecenseerd zouden worden. Dat was dan mijn grote doorbraak. Vanaf dan zou ik leven uit mijn koffer en in hotels met meer of minder sterren. Ik zou actrice zijn. En een goede ook.

Scene 5 is de scene waarin Margaret Thatcher in een gesprek met Bill laat weten dat ze het weet van miss Lewinsky en Hillary hoort dat dan. Ik weet al een paar repetitiedagen dat ik er niets van bak. Margaret ligt me niet. En daar leg ik me maar moeilijk bij neer. Dus ik concentreer en doe aan aarden zo hard als ik kan. Voor mijn vijftien jaar heb ik er op zich al wel één en ander aan acteren op zitten. Ik had het op mijn tiende zomaar bedacht, dat actrice worden. En ik mocht alles worden van mijn moeder, bij voorkeur vooral gelukkig. Dus daar ging ik. Toneellessen, audities, clubjes. Een verleidelijke kassajuffrouw, de moeder van Kees de Jongen, Meg in een stuk van Pinter, verdrietige veel te jonge bruid. Met publiek en mooie recensies. Maar deze Thatcher lukt me niet.

“Doe nog maar een keer, je zit er niet in. Kom op. De hele scene hangt op jou, je doet niet eens je best.” Ik ben het oneens. Meer mijn best bestaat niet. Ik zeg niets, haal adem, doe nog wat aarden. Rug recht, statig voorkomen. “Zo Bill. Dat is ook wat.” Eerste regel. “Stop maar. Jezus.” Bill en Hillary zuchten met nadruk. De regisseuse kijkt me met felle blauwe ogen aan. “Als ik wil, kan ik je nu aan het huilen maken.” Ik kijk terug. Ben stil. Ik haal diep adem. Slik al mijn tranen weg. “Dat denk je” bijt ik. Wat er ook gaat gebeuren, ik ga niet huilen. Dat denk ik.

Ik huilde niet. En Margaret Thatcher werd uit het stuk geschreven. Daar en toen besloot ik dat ik geen actrice werd. Door die ene waanzin zin van de gesjeesde regisseuse wist ik dat ik niemand liet bepalen wat ik voelen zou. En al helemaal geen zin meer had om te doen alsof. Bij voorkeur vooral gelukkig, bij voorkeur vooral mezelf. Dat ging ik toen worden. Besloot ik. En best goed gelukt.

4 reacties

Leave a Comment