Marianne Zwagerman heeft gelijk.

Marianne Zwagerman vindt veel van veel. Veel van veel vinden kan nooit kwaad. Ook niet als je daarmee een groot deel van het Nederlandse vrouwvolk bestempelt als muts. Of zorgt dat een driekwart legging in het wit nooit meer met goed fatsoen gedragen kan worden.
Ze schreef een boek. Een manifest voor vrouwen die willen ontsnappen uit het mutsenparadijs. Luizenmoeders zijn zelfgekozen slachtoffer van emotionele chantage. Foto’s van kinderen op bureau’s moeten vervangen door paaldansfoto’s. Kinderen zelf zijn een uitvlucht om niet aan het werk te hoeven. Huilen in het openbaar doe je nooit, nooit. Je vraagt altijd exorbitant veel salaris als in onderhandeling. Je onderhandelt over alles. Je rijdt de grootste auto die er is. Enzovoort. Vooral onverschrokken leven.

Ik las het boek een half jaar geleden. Amusant. Soms leerzaam. Soms ook niet. Soms eens, soms ook niet. Marianne Zwagerman heeft niet de waarheid in pacht. Niet alle waarheid. Maar op die luie zondagmiddag met koffie in bed, zon in mijn gezicht, al lezend en vindend, had ze op bladzijde 265 ineens wel heel erg gelijk.

“Houd je meisjesnaam.”

Het hoofdstuk heette zelfs zo.

Daar zat ik. Een echtscheidingsconvenant in de maak. En niet die meisjesnaam. Er ontsnapte een diepe zucht. Deze kwam even binnen. Maar wel acht jaar te laat. Mijn meisjesnaam. Mijn vaders naam. Geladen naam. Waarom precies weet ik niet, maar ik droeg het nooit met trots. Dus toen de trouwambtenaar op een regenachtige oktoberochtend bij de ondertrouw vroeg welke naam ik zou gaan gebruiken na mijn huwelijk, werd het die van mijn man. Ik was 22. Ik had er zin in. Die nieuwe naam. Dat nieuwe leven. Als het ooit mis zou gaan, dan zou ik dat dan wel zien. Nu was nu. Toch?

Slokje koffie. Ik legde het boek weg. Het zou wel meevallen, loog ik mezelf gerust. Misschien hoefde ik het niet te veranderen, bedacht ik dommig. Onder de douche vervloekte ik heel kort mijn keus toen, oneindige aanwezigheid op het internet nu en het wennen straks. Waarschijnlijk had het niet eens uitgemaakt als Marianne me dat acht jaar geleden had toegeschreven. Zelfs niet als ze het me in mijn oor had geblaft. Ik koos zorgvuldig en ben nogal eigenwijs. Grote kans dat ik juist haar een muts had gevonden. Zachtjes fluisterde ik mijn eigennaam. Een keer of twintig. En een keer of honderd de maanden daarna. Terwijl ik onverschrokken zorgvuldig een leven ontmantelde. Afscheid nam. Verder ging. En zin kreeg. Zoals toen bij die trouwambtenaar. In mijn nieuwe leven. Met mijn nieuwe naam. Terug van weggeweest. Want nu is nog steeds nu. En ik ben er nog.

Het voelt een beetje tabula rasa. Die nieuwe naam. Dus ik zal me even voorstellen:

Minke Haveman.

Aangenaam.

 

Ik heb het over dit boek. En over deze Marianne Zwagerman.

Categorieën: verhalen met een lach

Eén reactie

Geef een reactie