Voor later

mallorcaHet enige wat je wilde eten was patat. De hele vakantie. Dus toen ik tapashapjes voor je bestelde, werd je boos. Je sprong van je stoel, gilde wat voor een stomme moeder ik was, liep naar me toe, sloeg me hard op mijn arm. Je keek zo boos. Al dagen. En weken. Ik wist niet meer hoe ik het moest doen. Twintig nieuwsgierige toeristenogen keken naar ons. Je huilde genadeloos hard. En bleef slaan. Ik pakte je bij je arm, zei dat “we dit niet deden”. Dat ik er klaar mee was, met je boosheid. Dat we terug naar het huisje gingen en je het kon bekijken de rest van de dag, de rest van de vakantie. Maar je gaf je niet gewonnen. Ik legde veel te veel geld neer voor eigenlijk inderdaad niet zulke lekkere tapashapjes en jouw Fristi. Ik pakte je hand en sleepte je achter me aan langs de overvolle terrassen. Om de twee stappen gooide je jezelf luid gillend op de grond. Het zweet brak me uit. Ik trilde. “Je doet me pijn, hou op!” En nu huilde ik ook. En ik gaf op. “Zoek het maar uit, Emily.”

Het was niet eens een trucje, dat ik wegliep. Het was niet omdat ik dacht dat je toch wel achter me aan zou komen. Ik wist het echt niet meer. Ik hoorde je onafgebroken huilen terwijl je achter me aan hobbelde en zag dat je moeite had om me bij te houden. Je riep dat je patat wilde en zeker niet terug naar het huisje. Ik riep terug dat je pech had. En dat ik je niet meer wilde horen. We stonden bij een zebrapad en luid toeterende Spaanse taxi’s passeerden zonder te stoppen voor ons. Huilende moeders dwingen maar weinig voorrang af, blijkbaar. Je stond daar naast me en we keken elkaar aan. Toen deed je iets wat ik nooit had verwacht. En wat alles voor altijd anders maakte. Je vroeg: “Mama, waarom ben jij eigenlijk verdrietig.” Ik knielde naast je. Naast tranen liep er vooral snot over mijn gezicht inmiddels. Bij jou ook. Je handjes lagen in die van mij. “Omdat ik zo ontzettend graag wil dat we het fijn hebben. En het lukt ons niet, even.” Dat was het. Ik kon je al weken niet bereiken. Je was zo terecht zo boos, alles wat je kende was in de maanden daarvoor veranderd. Je huis, je basis. Logisch dat je boos was. Ik wilde alleen gewoon met alles dat je niet boos was. Dat je oogjes weer zo straalden als voordat alles anders werd. En het lukte me gewoon maar niet. “Waarom ben jij verdrietig dan, schat?” “Ik ben boos omdat ik patatjes wilde en omdat ik papa mis.” We lachten. “Zullen we er morgen een leuke dag van maken, mama?” “Nee, schat. De dag is nog lang niet voorbij. We gaan patatjes eten en je gaat papa bellen.” Je pakte me zo stevig vast toen. En ik jou. We hadden een echt gesprek, voor het eerst. Je liet me zien waar ik de mist in ging: het was niet dat ik niet wist wat ik met je moest. Het was dat ik niet wist wat ik zonder je moest.

Vanaf toen, dat moment op een Spaans eiland. Omringd door blubberige Engelsen en witte Duitsers. Toen voelde ik dat het goed kwam. En jij voelde het ook. Want God, Emily. Wat hebben wij het ontzettend fijn. Wat ben je ontzettend mooi, groot, wijs en grappig. Wat heb ik bizar veel van jou geleerd in de afgelopen vier jaar. En wat doe je het geweldig.

We aten nog acht keer patat na het incident. Kon ons het schelen. Het was vakantie. En wat voor één.

 

 

2013. Waarin echt alles ander werd.  Waarvan ik sommige dingen graag vergeet. Maar niet: mijn prachtige dochter die dichterbij kwam dan dat ik had durven hopen. Mijn lieve vrienden die me door mijn tranen heen tot piesen aan toe aan het lachen maakten. Mijn familie: zij zorgden voor een verdomd onvergetelijke kerst voor Emily. John Legend die “All of me” zong.  Mijn verhalen die ineens leefden op papier en in de ether. De mooie reacties daarop. Mijn moeder omdat ze laat zien dat er niet zijn niet betekent dat je er niet bent. Mijn vader om hetzelfde.

En dat met die liefde ;). 

 

Bushalte

man-bij-bushalteMijn keukenraam kijkt uit op een bushalte. Ik kan dit iedereen aanraden, zo’n raam. Het overtreft op allerlei manieren televisie. Ik drink er koffie, rook er stiekem sigaretjes en bekijk vooral rennende mensen die bussen dreigen te missen. Zie verliefde stelletjes afscheid nemen onder toeziend oog van altijd norse buschauffeurs. Sla ongegeneerd ruziënde stelletjes en roddelende studentenmeisjes gade. Ook mooi: de man die elke ochtend op de fiets bij het  bushaltehokje arriveert, fiets parkeert, op het bankje gaat zitten, koffie uit een thermosfles schenkt, sigaret opsteekt en zichtbaar even tot zichzelf komt.

Fantastisch en, toegegeven, een beetje voyeuristisch. Helemaal omdat niemand mij ziet. Ik woon op de derde verdieping. En niemand kijkt naar boven.

Tot twee weken geleden. Ik zong wat mee met een top veertig hit terwijl ik kleine slokjes te hete thee dronk. Bij de bushalte zat nu een nieuwe meneer. Rastahaar, legerbroek, trui, geen jas. Hij had twee halve liters bier in goudkleurig blik uitgestald en zat een joint te draaien.  Hij praatte in zichzelf en tegen de rijdende auto’s. Zijn lichaam deinde mee op een onhoorbare beat. Een bijna onzichtbaar dansje op het bushaltebankje. Het was vermakelijk om naar te kijken. Ik was moe van een lange dag rennen en vliegen en vond het mooi om te zien hoe deze meneer hetzelfde rustmomentje als ik zelf op zocht. Zij het onder andere omstandigheden.

Ineens keek de man omhoog. Recht in mijn ogen. Zomaar. Ik lachte. En toen zwaaide ik. Hij deed hetzelfde. Breeduit en met twee handen. De joint was inmiddels af en achter zijn oor gestoken. Hij stond op, stak de straat over en kwam onder mijn raam staan: “Ik wil je wat zeggen!” Ik opende mijn raam. “Wat wil je zeggen?”

“Jij zag mij! Ik voelde dat er iemand keek en jij was het!”

Daar stond hij, onder mijn raam, nog steeds dat dansje op onhoorbare beats, maar nu staand op straat. Voorbijgangers keken verbaasd en een beetje bezorgd.

“Ik heb mijn biertjes mevrouw, ik heb een goede dag.”
“Fijn” riep ik.
“Je ogen prikten me. Je bent een engel. Bedankt.”
En toen: “Ik voel me lonely, can I join you?”

In alle oprechtheid. Hij vroeg het in alle oprechtheid.

“Dat gaat niet, helaas.” En dat ging ook niet.
“No problem! Fijne dag!”

En daar swingde hij weg. Dakloos, gokte ik. En eenzaam. Maar wel met bier. En dus een fijne dag. Deze swingende man had me opgevrolijkt. En ik hem. In anderhalve minuut, met een beetje onbevoordeelde vriendelijkheid bij de bushalte. En door een keer omhoog te kijken. Onbetaalbaar, vind ik dat. Helaas is eenzaamheid lastig af te kopen. Wat je spaarsaldo ook is.Gelukkig is een glimlach gratis.

Slingers

slingersIk deed altijd alsof ik sliep, vroeger. Op mijn verjaardag. Genadeloos vroeg werd ik dan wakker en hoorde mijn moeder boven rommelen. Wist allang dat er slingers waren opgehangen en ballonnen aan het balkon. Dat er ontbijt zou zijn en kado’s. Ik ken bijna geen herinnering zo warm als mijn moeder die zingend mijn kamer in kwam, een verjaardagskus op mijn wang gaf terwijl ze met haar hand door mijn haar ging. Met mijn ogen dicht wist ik de tranende ogen. Van geluk. Van weer een jaar. Van trots. Geen goedemorgen in het jaar was enthousiaster dan die op mijn verjaardagsochtend. De rest van de dag kon me eigenlijk gestolen worden. Dat wakker worden, zo. Daar deed ik graag voor alsof ik nog sliep. Daar sliep ik later zelfs voor thuis, terwijl ik allang was uitgevlogen.

Vanochtend was het weer mijn verjaardagsochtend. Gewekt door een hysterische wekker. Zelf de lampjes aan, zelf de koffie gezet. En: geen slingers of ballonnen. “Het leven is een feest, maar je moet wel zelf de slingers ophangen” schoot door mijn hoofd terwijl ik naar mensen door de regen keek. Daar is helemaal niets mis mee, kan ik best. Wat ze er echter niet bij vertellen: je moet de slingers wel zelf kopen, voor je ze op kunt hangen. En dat had ik dit jaar even over het hoofd gezien.

Dus zeg me maar: waar vind ik het slingerwinkeltje? Dan koop ik ze allemaal. Een paarse tegen rampspoed en voor goed geluk. Een rode voor de liefde (of twee, dat kan nooit kwaad in het geval van liefde). Die met de bloemen die herinneringen beschermt, een paar roze tegen het missen. En dan die gouden met ontelbaar veel glitters, de allerduurste en allermooiste. Die wil ik voor Emily.

Echt, ik hang ze zelf wel op. En laat ze het hele jaar hangen. Beloofd.

Spoodie

papaHij zit wijdbeens op een rij met winkelwagentjes, vlak voor de uitgang van de supermarkt. Zijn benen rusteloos, grote zwarte kisten wiebelen heftig heen en weer. Gescheurde, vlekkerige spijkerbroek. Hij leunt met zijn ellebogen op zijn knieën. Draagt een zwarte trui met capuchon. En een petje. Ooit wit, nu vuilgrijs. In zijn oren rijen ringen van zwartig zilver. Onder zijn oog een schimmige tattoo. Begin dertig, denk ik. Iets ouder dan ik.

Terwijl ik mijn zware boodschappen in de niet zo stevige plastic tasjes veilig op mijn fiets probeer te binden, heeft Emily haar jas uitgetrokken. En is ze er met haar modderlaarzen op gaan staan. Armpjes over elkaar, ze kijkt me aan. “Doe je je jas aan?” “Nee.” “Emily, doe je jas aan.” “Neeeeeeeeeeeeee” gilt ze stampvoetend. Zoals alleen kinderen dat doen. Doorgaans.  Hij lacht. “Mijn dochter doet dat ook” zegt hij terwijl hij van de winkelwagentjes afspringt en op Emily afloopt. Hij knielt. Pakt haar jas. Zijn korte nagels aan zijn vieze vingers zijn bevangen met zwart vuil. Hij schudt Emily’s jas uit en houdt deze in de lucht. “Mooie jas, hele mooie jas.” Emily lacht: “Mijn jas, mijn jas”. Zonder verdere aansporing trekt ze haar jas aan en kijkt breed lachend naar de man. “Ik heet Spoodie en jij?” “Emily!” Haar ogen twinkelen.

Alarmbellen bij mij: onverzorgd type, vast drugs. Dakloos of nog net dakhebbend, maar dat kon niet lang duren. Niets beters te doen hebben dan wiebelig op winkelwagentjes zitten bij de supermarkt. Het maakt mij niet uit, maar niet te dicht bij mij en mijn kind komen, alsjeblieft. “Kom maar Emily, we gaan naar huis.” Hij loopt met haar mee naar mijn fiets. “Hoe oud is ze?” “Drie” zeg ik vlug, terwijl ik haar haastig in haar kinderzitje zet. “Mijn dochter is vijf. Ik heb haar al een half jaar niet gezien.” Hij kijkt niet naar mij, maar naar Emily. En ik kijk naar hem. Zie verdriet in zijn ogen. Zijn ogen die een beetje zijn dochter zien in Emily. In Emily die zich niet bewust is van schimmige tattoos of rouwrandjes onder nagels. En hem net zo tegemoet treedt als alle andere mensen die ze tegenkomt: open en met haar ontwapenende twinkeloogjes. Goedlachs. Vol vragen. “Hoe heet ze, je dochter” vraag ik. Hij slaat zijn ogen op naar mij en slikt zo onzichtbaar mogelijk iets weg. “Lola.” Met dezelfde vadertrots als elke papa. En ogen die verraden dat het heus allemaal niet de bedoeling was geweest. Dit. Die verraden dat er meer dromen zijn vervlogen dan iemand ooit zal weten. En een beetje hoop laten doorschemeren.

“Wat heb jij in je neus?” Emily wijst naar de ring in zijn neusschotje. “Dat heet een piercing. Gek he?” “Ja, heel erg gek” antwoordt ze. We lachen. “Nou ga maar lekker naar huis, meid” besluit Spoodie het gesprek. Emily zwaait uitbundig. “Fijne dag nog” roep ik. Hij steekt zijn duim omhoog en knipoogt.

Pas dan zie ik het: Spoodie lijkt op mijn vader. Een jonge versie. Dezelfde openheid, dezelfde vuile kleren. Dezelfde zeggende ogen. Dezelfde nagels met vuil bedekt. Dezelfde grote handen. Het moet een gek gezicht zijn geweest, vroeger. De lange man met kisten, FC Groningen sjaal, kapotte broeken en – een hele tijd-  een zwarte leren jas, bijna tot aan zijn enkels. En dan aan zijn hand een klein blond meisje met steevast een Barbie. Soms onderweg naar de bioscoop, soms naar de kroeg. Vaker geen huis dan wel. Dus als we elkaar zagen, was dat in de stad. Nooit was ik me er van bewust waarom mensen soms onderzoekend naar ons keken. Pas later, veel later kon ik dat plaatsen. En toen eigenlijk nog niet goed. Dat was gewoon mijn papa. Ja, een beetje anders dan andere papa’s. Maar veel grappiger ook, dus ik zag het probleem niet.

Al fietsend schaam ik me voor mijn terugdeinsreactie in de Spoodie-ontmoeting. Ik moet beter weten. En ik moet zeker beter leren. Er anders uitzien dan anderen maakt je niet minder mens. En niet minder vader. Dat het leven soms rechts inhaalt of dat keuzes ongelukkig worden gemaakt, dat maakt je nog geen uitschot. Dat zag Emily heel goed. Gelukkig.