Later als ik oud ben

hemelbestormersZaterdag, einde van de middag. Ik neem plaats aan de bar en bestel iets met bubbels. Ik ben te vroeg, hij is te laat, in ieder geval moet ik even wachten. Het hippe café met jonge, mooie mensen is druk en lawaaiig. “Proost” hoor ik naast mij. Een paar krukken verderop heft een dame met opgeheven pink haar glas witte wijn naar me. “Proost, mevrouw” hef ik mijn glas terug. Ze is halverwege zeventig, schat ik. Haar bloedrode lippenstift vervaagt in de diepe groeven rond haar lippen. Aan haar vingers draagt ze glimmende ringen met prachtige stenen, haar zwarte jurk is bezaaid met pailletten. Ze is wat te klein voor de barkruk, haar benen bungelen speels in de lucht. Ik weet niet of ze een pruik draagt of dat ze verft, maar haar haren zijn behoorlijk zwart voor haar leeftijd. Haar rug kaarsrecht en fonkelende ogen.

“Mooi café wel, dit. Ik ben hier nog niet eerder geweest” roept ze naar me, net iets te hard. “Klopt, dit is wel een leuke plek.” “Wat zeg je, kind?” “Dat het hier inderdaad best leuk is.” “Sorry, ik hoor je niet, ik ben een beetje doof.” Ik ga wat dichterbij zitten. Ze wacht niet tot ik nog een keer herhaal wat ik zei, maar vertelt hoe ze als kind besjes in haar oor stopte en dat die haar trommelvlies hadden doorboord. Ze had nooit meer echt goed gehoord sindsdien. Ze lacht hardop. “Ach, er zijn ergere dingen hoor, kind. Echt waar. Proost.” En ze heft nogmaals haar glas.

De vrouw vertelt. Kleine stukjes chique leven, geboortes van kinderen, over haar moeder. En dat ze af en toe op zaterdagmiddag het café op zoekt, gezellig. Meestal haar stamcafé, maar vandaag toevallig deze. “Gezellig café, hoor. Ik ben hier nog nooit geweest.” Ik bewonder het wel, deze kwieke instelling. Wijntjes in een hippe bar na je zeventigste, ik zie mezelf dat eerder doen dan bingoën met mijn medebejaarden, later, als ik oud ben. En zo’n paillettenjurk misstaat me dan vast ook niet.

De dame valt even stil en ik bestel nog een glas bubbels. “Groot gelijk” zegt ze. “Ik lust ook nog wel een glaasje”. Opvallend sierlijk wenkt ze de barman. “Ik zou nog graag een glaasje Chardonnay bestellen” en ik denk even te zien dat ze er bij knipoogt. “Mevrouw van Dalen, dat kan ik helaas niet doen.” Haar gezicht verstart, haar lippen worden een klein, streng streepje. “Hoe bedoelt u!?” De barman probeert zo discreet mogelijk met haar te praten. Rustig en zacht legt hij uit: “We hebben afgesproken dat u hier één wijntje mag drinken. En dan schenken we niet meer. Het is wel eens misgegaan, weet u nog?.” Mevrouw van Dalen wiebelt heftig met haar benen. Het was schandalig. En het was haar nog nooit gebeurd.  Haar bedeesde en chique toon en tongval, vervallen in Haags gesnauw. Haar verontwaardiging is groot. De barman houdt voet bij stuk. De dame die hier nooit eerder kwam heeft hier kennelijk meer dan eens te diep in het glaasje gekeken. Dit is dus verval.

Ze rekent haar enkele glas Chardonnay af, trekt haar jas aan. Ze kijkt kort naar me. Nog steeds fonkelende ogen. Met een ruk draait ze zich om. Ze doet drie stevige stappen. En dan maakt ze een kort huppeltje. Als het kleine meisje van vroeger. Vervolgens stapt ze dapper door. Op naar het volgende café, waarschijnlijk.

Mevrouw van Dalen met paillettenjurk en glimmende ringen. Met gitzwart haar en bloedrode rimpellippen. Beschermd tegen zichzelf door de barmannen uit de stad. Ik weet niet. Misschien is dat bingoën zo gek nog niet. Later. Als ik oud ben.

 

 Dit verhaal schreef ik voor KRO’s Hemelbestormers en werd 4 mei uitgezonden op Radio 2. Luister het fragment hier terug