Reislust

“Ga je alleen?”
“Ja.”
“Helemaal alleen?”
“Ja.”
“Echt helemaal alleen?”

Ik knik nu maar gewoon.

“Kun je dat?”
“Ja.”
“Echt?”
“Ja, echt.”
“En de kinderen dan?”
“Daar wordt uitstekend voor gezorgd door hun vaders. Ik laat ze niet alleen thuis ofzo.”
“Maar mis je ze dan niet.”
“Jawel, maar net niet teveel.”
“Vind je het niet eng, in je eentje?”
“Ik vind het spannend, niet eng.”
“Ik zou het niet kunnen.”
“Dat hoor ik vaker.”
“Ik zou het echt niet kunnen.”
“…”

Ik ga alleen op vakantie. En deed dat vaker alleen. Toen ik 18 was, bijvoorbeeld. Heel avontuurlijk naar Mallorca, een week, vliegend vanaf Airport Eelde. Tijdens de heenreis zat ik naast twee dames op leeftijd die eenzelfde conversatie als hierboven met me voerden, minus het stuk over de kinderen. Ze vonden me dapper en stoer en lieten me beloven dat ik een stoel met daarop een glas voor de deur van mijn hotelkamer zou zetten, elke nacht, zodat als iemand dan ongewenst binnen wilde komen, het glas zou vallen en ik wakker werd. Dat deed ik braaf, natuurlijk. Op dag twee van deze vakantie was ik door al mijn boeken heen en ik was nog nooit zo bruin geweest. Het was een heerlijke week met niets en niemand. Ik heb precies 1 club van binnen gezien, danste met iedereen die aan het dansen was en nam om 0:00 een taxi, samen met het stel dat ik had ontmoet. En ik dacht. Dacht heel erg veel na. Schrijven deed ik toen nog niet.

Dat schrijven begon tijdens mijn tweede vakantie alleen, bijna tien jaar later. Toen vloog ik naar Curacao en waren er geen handige tips van oudere dames in het vliegtuig. In plaats daarvan werd ik getrakteerd op een tien uur durende smeekbede om alsjeblieft, al was het maar heel even, alleen een voorgerecht, uit eten te gaan, straks op het eiland, afkomstig van de manfiguur die eerst al had geprobeerd mijn plekje bij het raam te kapen. Deze keer had ik meer boeken meegenomen die ik niet allemaal las omdat ik schreef. Niet alleen verhalen, maar ook mijn scriptie. En kwam ik vooral verbrand terug in plaats van zongebruind. Maar voelde ik me vooral opgeruimd, uitgerust en met bepakt met nieuwe energie.

Sindsdien deed ik het vaker. Soms een weekendje, soms wat langer. Niets ten nadele van niemand en niks: ik moet soms gewoon alleen zijn. Wakker kunnen worden met een dag in het vooruitzicht die ik zelf, helemaal zelf, mag inkleuren. Niet in conclaaf over rechts of links of rechtdoor, misschien wel terug? Nu eten, straks en waar morgen. Wel zwemmen, niet naar de kinderclub, ik ben gevallen, vergeet je zwembandjes niet. Even geen enkel beroep. Op niks.

Alleen ik met een beroep op mij. Zoals vorig jaar in Mexico. Toen ik schreef en schreef en schreef en daarbij mijn hele relatie met mijn vader herzag. Dat kan ik alleen als ik alleen kan zijn. Maar waar ik ook in heel korte tijd veel zag van het prachtige land. Zo zat ik op dag vier om zeven uur al in de bus op weg naar een Mayatempel, een paar uur rijden verderop. Er werd verteld over de geschiedenis van de streek en alsof het niets was noemde de Vlaamse tour guide nog even dat het Tarantulaseizoen net voorbij was en nam ik me voor een volgende keer iets meer vooronderzoek te doen qua het wat en hoe van mijn bestemming en met name het spinnengedrag aldaar. Ik keek tussen de bomen door of ik aapjes zag, kroop onder mijn sjaal want airco. En voelde me toen, op dat moment, zo ontzettend gelukkig. Onderweg naar ontdekken. Op andere bodem. Met overal zoveel te zien en te voelen. En het vermogen dat allemaal tegelijk binnen te laten.

Ik werd verliefd op dat gevoel, dat ik overigens ook had toen ik met mijn oudste dochter op Schiphol zat afgelopen zomer. Wel pas nadat de hele douaneadministratie was afgehandeld, reizen met kind en zonder bijbehorende vader, dat gaat niet zomaar. Reislust. Met de liefsten, maar dus ook alleen. Ik werd niet alleen verliefd op dat gevoel, maar ook op Mexico. Dus ga ik weer. Alleen. Ja dat kan ik. Nee ik verveel me niet. Ja het is spannend en niet eng. Tuurlijk mis ik de kinderen, maar niet teveel. Ja er kan van alles gebeuren. En ook niks. Als wel, dan is dat wat het is. Ja ik pas op, kijk uit, bij oversteken en meer.

Dit keer twee weken, alleen een ticket en mezelf. Alles van mezelf. Om na te denken zoals ik dat alleen kan als ik alleen kan zijn. Verder te schrijven waar ik gebleven was. Met hopelijk precies genoeg boeken en zonnebrand. Ik ben tot nu toe uitstekend reisgezelschap gebleken, vind ik zelf. Alle vertrouwen dat dat nog steeds zo is.

Ja. Dit kan ik dus. Echt.
Alleen mijn eigen rug insmeren; dat kan ik dus niet echt. 

 

Eén reactie

Leave a Comment