Waar de hemel is geboren

Het fijne van alleen reizen? Heel veel dingen. Bijvoorbeeld zonder verder overleg spontaan een kantoortje inlopen waar ze tours organiseren. Dat deed ik twee dagen geleden. Ik kon mountainbiken, maar m’n billen deden nog pijn van de tocht naar Tulum “downtown”. Ik kon een Cenote bezoeken, maar daar had ik er al een paar van gezien. En toen sloeg de vrolijke tourguide de bladzijde van zijn boekje nog een keertje om. Er verschenen foto’s van een gezellig bootje, zonnetje, práchtige meren, veel verschillende dieren. Dat wil ik, zei ik en luisterde, achteraf onhandig, verder niet meer echt naar zijn verhaal, betaalde de tour en fietste terug naar m’n hotel. Gisterochtend was het zover. Een relaxte boottocht door het natuurgebied Sian Ka’an- “Waar de hemel is geboren” uit het Maya vertaald.

Allereerst: ik versliep me. Elke ochtend om 6u of eerder wakker, maar nu had ik maar drie minuten om me klaar te maken. Het verslapen had misschien wel een heel klein beetje iets te maken met wat ze dan ook maar in de Margaritas gooien hier, maar goed, ik gooide wat dingen in mijn tas, trok mijn bikini aan en zat in het busje. Pfieuw. We rijden een half uurtje, stappen dan in het gezellige bootje van de foto’s. Zes personen per boot, er wordt zeventien keer verteld dat het zwemvest absoluut verplicht is. Safety first kan ik altijd wel waarderen, er gaan verder nog geen lampjes branden. Mijn groepje bestaat uit Amerikanen. John en John, vader en zoon uit Minnesota. Dave, door grote John structureel David genoemd, uit Californië. Gran, waarvan ik me nog steeds afvraag of ze echt zo heet of dat de tourguide haar zo doopte omdat ze ook wel echt een klassiek oma-uiterlijk had, uit het boekje zeg maar en haar man van wie ik de naam niet heb gehoord, maar hoogstwaarschijnlijk ook gewoon John heet. En daar gaan we. Tourguide voor op het bootje, de kapitein achter. Lekker kalm en rustig varen we door het werkelijk prachtige natuurgebied heen, we zien krokodillen, de meest bijzondere vogels, wachten op de zeekoeien, maar die laten zich niet zien. Iedereen is op een of andere manier vooral gespitst op de vraag of ik alle dieren wel zie. “Look Minkie (mijn naam is een hilarisch drama in het buitenland), you see the crocodile” vragen de kapitein, John 1, 2 en 3, dan Dave en tenslotte Gran. Het is superschattig allemaal. Het is precies wat ik me er van had voorgesteld.

Dan kondigt de tourguide aan dat we een vogeleilandje gaan bezoeken. Tof. Ze wijst ergens naar een stipje in de verte en het lijkt me wel wat lang duren met dit bootje, maar het weer is prima en onderweg zijn er wellicht dolfijnen, want we varen de oceaan op. Heerlijk. Maar de kapitein geeft gas. Heel veel gas. Meer gas dan ooit, ooit toegestaan zou zijn op of nabij Nederlandse wateren en ver daarbuiten. De golven nemen toe, het bootje beukt er overheen en knalt steeds met een klap terug op het wateroppervlak, waarbij het een krakend geluid produceert alsof het elk moment door midden kan breken. Ladingen zeewater klotsen in mijn gezicht. Ik hoor niks anders dan wind en de motor, ik zie alleen maar oceaan. Deze had ik even niet aan zien komen. We houden stil, want we zien inderdaad dolfijnen. Eerst eentje, dan een moeder en een baby, dan een stuk of acht, cirkelend om de boot. Het is magisch. We varen verder, bekijken de grappige vogels op het vogeleiland (ik moet u de namen even schuldig blijven, ik ben al niet zo’n kenner, laat staan dat ik de Engelse namen makkelijk naar het Nederlands vertaal) en knallen dan weer de zee op. En midden op die zee, houdt het bootje weer stil. We gaan snorkelen.

Oh ja. Dat was ook zo. Snorkelen. Ik deed het nooit eerder, want ik heb een ding met onderwater, ik heb ook een ding met ademhalen, kortom: ik vind het doodeng en liet het altijd maar gaan als de kans zich voordeed. Ach, dacht ik, ik kan het altijd proberen toen het in de ochtend inderdaad als programmaonderdeel werd genoemd. In mijn hoofd was dat snorkelen alleen niet midden op de fucking zee. Een schattig baaitje met wat geinige visjes en zee-egels, stukje koraal, zo had ik dat een beetje voor me gefantaseerd. Niet dus. Weer is iedereen schattig-bezorgd. Ik krijg uitgebreide instructies, Papa John ruilt zijn duikbril met me (wel nadat hij er al in had gespuugd, maar dat was het minst van mijn zorgen), de kapitein verzekert me bij hem in de buurt te blijven wat ik een prima idee vind, hij komt nogal doorgesnorkeld over. En dan moet ik het water in. De laatste keer dat ik van een boot de zee in sprong was vijftien jaar geleden en ik raakte toen om volstrekt onnavolgbare redenen volledig in paniek. Nou ja, het was niet mijn beste periode ooit, ik leefde van paniekaanval naar paniekaanval dus het zou natuurlijk zomaar kunnen dat dat er iets mee te maken had, zeg maar. Hoe dan ook heeft dat me er altijd van weerhouden die sprong nog een keer te wagen. En nu zit ik op de rand van een wiebelig bootje met het voornemen het best onstuimige diepblauwe zeewater in te duiken alsof ik precies weet waar ik mee bezig ben en mijn hart niet als een idioot tekeergaat en zeggen wil: ben je helemaal gek geworden, idioot wijf?! Wellicht. Blijkbaar. Ik bedenk wie ik wil zijn. De vrouw die in de boot bleef omdat ze op een eerder moment in een ander land, in wat soms lijkt een vorig leven, naar adem hapte omdat het enige dat ze nog kende angst was? Of de vrouw die dat misschien maar eens moest achterlaten, bewijzen dat dingen veranderen, dat zelfs de heftigste paniek te overkomen is, de vrouw die -zoals een van de Johns het noemde- once in a lifetime opportunities aangrijpt in plaats van met lede ogen voorbij laat gaan? En ik spring.

John, John, probably-John, Gran, Dave, de kapitein en de tourguide juichen. Maar ik ben er nog niet. Ik zwem cq trappel richting de kapitein die me bezweert dat ik nu maar mijn gezicht door het wateroppervlak moet duwen. Dat het prachtig is. Alleen: werkelijk alles in mijn lijf biedt weerstand. Onderwater kun je niet ademen. Het voelt zo tegennatuurlijk dat ik niet geloof dat er werkelijk zuurstof tot me gaat komen door het rare stokje boven mijn hoofd. En ik heb zuurstof nodig, veel, zowel via mijn mond als via mijn neus, zoveel als ik wil. “You can do it” roept de kapitein. “Yeah, Minkie, you can do it” herhaalt jonge-John. En dan doe ik het. Zomaar. Eerst een paar seconden, mijn lijf reageert door oncontroleerbaar grote happen lucht tot zich te nemen. Ik laat het gebeuren en verdwijn steeds een beetje langer in de onderwaterwereld. Flipper achter de kapitein aan, ademhappend en verwonderend. Over het rif, de visjes, de vrouw die ik ineens ben, daar in de Caraïbische zee.

Dan maak ik een domme fout: ik kijk achterom naar hoe ver we van de boot af zijn. Eerst zie het hele ding niet eens door de steeds hoger wordende golven, dan wel, maar angstig ver weg. Op dat zelfde moment schreeuwt de kapitein de enige woorden die ik nu niet, onder geen enkel beding, wil horen. “Shark! Shark!” What the actual fuck. Hij zwaait met zijn armen en ik heb geen idee waarom of wat er van me wordt verwacht. “Look Minkie! Can you see the shark” versta ik dan. Voor de zoveelste keer in erg korte tijd denk ik niet na, doe mijn hoofd onder water en zie, tussen de rotsen en het rif inderdaad een haai. En daarna een enorme zeeschildpad, zo’n grote platte vis, duizend andere visjes en nog net geen zeemeermin, maar zo waan ik mezelf inmiddels al. Het is adembenemend mooi. Het is fantastisch. Het is magisch. Als ook doodeng. Maar ik doe het. Ik ben het aan het doen.

De tourguide roept dat we terugzwemmen naar de boot. En dat is een stuk gemakkelijker geroepen dan gedaan, want de zee wordt ineens een stuk wilder. De golven nemen toe in aantal en hoogte, maar dat is niet het grootste probleem. Ik voel een sterke stroming aan mijn benen trekken, richting verder op zee, niet richting boot en denk aan de duizenden keren dat mijn moeder uitlegde hoe gevaarlijk de zee kan zijn, ook al lijkt ze nog zo kalm. Dat de zee geeft en neemt en als ze neemt, zou ze zonder genade zijn. Niet per se opbeurende gedachten op dit moment in mijn leven, trappelend zo hard als ik kan en heel erg blij met alle uren work-out in de afgelopen twee jaar. Die spieren heb ik hard nodig nu. Ik zwem en zwem en zwem, blijf zo horizontaal mogelijk zodat de stroming minder grip heeft en bereik uiteindelijk de boot.

John, jonge-John, probably-John, Dave, Gran, de tourguide, de kapitein en ik zitten uiteindelijk allemaal weer op onze plek, iedereen is er een beetje stil van. Het was wat spannender dan bedoeld, licht de tourguide toe, maar hey: “That’s nature.” De kapitein scheurt even later weer met magnifieke snelheid terug naar land waar we lunchen en kletsen. En dan is het tijd om terug te gaan. Drie kwartier varen op topsnelheid, we denderen door en door en door. Alles wat er nog aan zorg of twijfel in m’n hoofd zat, over wat dan ook, wordt voor altijd weggeblazen door de wind die we met onze snelheid maken. Meegenomen door de zee zonder genade. Alle Johns, Dave, Gran, de kapitein, de tourguide: ze waren erbij toen ik een andere vrouw werd. De vrouw die zwom en zwom en houvast vond. Die geen paniek voelde, die rustig bleef. De vrouw die niet alleen vertrouwde op zichzelf, maar zo mogelijk nog moeilijker, ook op hen. De vrouw die zichzelf overwon. Nog eens. De vrouw die zo ontzettend hard genoot dat ze wel kon huilen. De vrouw die zeker wist dat ze niet alles wist, maar wel veel dingen zekerder. De vrouw die zich gezegend voelde, in plaats van niet genoeg. Of veel te veel.

De vrouw die de zee in sprong terwijl ze eigenlijk niet durfde.

 

Recht uit het hart, zoals het hoort

Ik wilde eigenlijk een stuk schrijven waar Lizzo in voorkwam, omdat ik deze powerhouse bijna onafgebroken luister deze vakantie, soms afgewisseld met de soundtrack van A Star is Born. There she is: Lizzo. Maar ik kan er nu niet teveel op ingaan, want mama was er even, net.

Ja. Mama was er even net. En mama is er bijna nooit. Niet omdat ze er niet wíl zijn, maar omdat ik haar er niet zo vaak láát zijn. Want alles dat mama is, doet pijn. Niet de methode waar ik haar het meeste recht mee doe. Wel eentje die er voor heeft gezorgd dat ik niet totaal ben ingestort ergens in de afgelopen 10+ jaren dat ze dood is. Een zogenaamd contactmomentje beleefde ik.  Het ging zo.

Mijn ochtend was lui en relaxed, op het strand, met een boek, met wat kletsen met thuis, met meer lezen, met zon, zee, alles. Toen pakte ik mijn “fiets” en besloot de andere kant van de strandweg te verkennen, met name omdat ik cadeautjes voor de meisjes wilde kopen en nog moest lunchen. Fiets, fiets, fiets, soepeltjes de gaten in de weg ontwijkend, keurig achteromkijkend naar de grote vrachtwagens en bussen die me al dan niet voorzichtig inhaalden. De cadeautjes lukken, de lunch ook, als wel als de Corona’s. Klinkt als een vluggertje, maar ik was een uur of drie druk met praktisch niks: heerlijk. Dan zoek ik een ATM om de cashflow gaande te houden, besluit ik verder te fietsen naar het geinige verkeersbord dat ik eerder zag en keer terug in mijn hotel. Stay present.

Processed with MOLDIV

Niet Hugo zit er deze keer, het is een andere jongen die ik gisteren ook al zag. Hij vraagt me hoe mijn tripje was, ik zeg van goed en vraag naar zijn dag. We kletsen wat en dan vertelt hij dat hij fotografeert, films maakt en daar graag zijn beroep van wil maken. Een goed idee, dat vind ik altijd een goed idee. Ik vraag of hij zijn werk al deelt. Dan is hij even stil. Nee. Want hij is nog niet goed genoeg, vindt hij zelf. Er zijn zoveel andere fotografen en filmmakers. Hij moet eerst meer ervaring opdoen. Blabla. Bla. Ik zeg dat niet, ik denk dat. En kijk zo, hoogstwaarschijnlijk, daar kan ik nou eenmaal weinig aan doen. Ik vraag hem hoe oud hij is. Negentien. Negen-tien. Ik haal adem, negeer mijn “oma-spreekt” stemmetje en zeg hem dat hij nu, ofwel over vijf minuten, zijn werk moet gaan delen met de wereld. Dat het eng is, dat weet ik, maar dat het moet. Vertel over het eerste verhaal dat ik ooit deelde en hoe ik dacht: wie hemelJansnaam zit hier op te wachten? Dat ik een column had op de radio en elke rit naar Hilversum, élke twee uur Azoveel, onafgebroken dacht: dít is de uitzending waarna de programmamakers gaan zeggen dat het eigenlijk één grote vergissing bleek, ik op de radio. Of dan minstens dat hun mailbox zou overlopen met de vraag waarom deze vrouw in Henksnaam op de radio moest. Het tegendeel bleek waar. De reacties qua radio waren prachtig, ik werd keer na keer teruggevraagd. De reacties op mijn andere verhalen zo mogelijk nog mooier. En toch, zo zei ik hem, en toch is er nog steeds, elke keer, zelfs nu, een klein stemmetje dat heel zachtjes fluistert: wie denk jij wel niet dat je bent? Met je verhalen. En het enige, echt het enige, verschil tussen droom en ambitie en echt op die plek komen waar woorden of beelden worden geloofd, gehoord, gezien en gekoesterd, is publicatie. Het delen. Hoe eng en nerve breaking en kwetsbaar het ook voelt. Het is de enige manier.

Dan vertel ik nog over het moment dat ik dat voor het eerst deed. Echt iets delen. “Man met hamer” heet het verhaal. Een moment dat ik beschreef waarop ik mijn moeder ineens miste. Het was een vreemde eend in de bijt tussen mijn vrolijke vakantieverhalen. Het was zo kwetsbaar dat ik liever naakt voor een volle concertzaal een liedje had gezongen- en ik kan niet zingen. Ik publiceerde het verhaal en dook onder. Ik durfde 48 uur lang niet naar de reacties te kijken. En toen ik eindelijk de moed bij elkaar had geschraapt, waren die stuk voor stuk mooier dan ik ooit had kunnen denken. Al die dingen vertel ik. Ik zie dat hij luistert. Ik voel dat ik het meen. “Put yourself out there, it is the only way to go” en hij lacht. “Take this advice from this old lady” lach ik terug. “You’re not old, you’re just older” en hij heeft gelijk. “Just take my advice. Or don’t. But I can see you have this urge to share your work. Do it. Or don’t. Do what feels right. And take this advice of someone that knows how scary it is and did it anyway. With lots and lots of beautiful experiences because of it. Or don’t. It’s your life.”

Dan parkeer ik mijn fiets en loop naar mijn kamer. Het is nog geen minuut lopen, maar daar is mama. Want ik was een beetje mama. Mama had de gave om de goede dingen te zeggen op de goede momenten. Ze had overigens ook absoluut de gave om tegen mij de verkeerde dingen te zeggen op totaal verkeerde momenten, zoals moeders dat kunnen. Mama had een open hart. Ze verwelkomde mensen zoals maar weinigen dat doen. De mensen die ze kende, maar ook zeker de mensen die ze niet kende. Mijn vriendinnen waren dol op haar omdat ze vragen stelde die niet veel andere volwassenen stelden, maar ook nog een slimme antwoorden gaf. Omdat ze oprechte interesse had, omdat ze liefde en genegenheid kon opbrengen voor iedereen, welk verhaal er ook schuilging. En vooral: ze had altijd iets wijs te zeggen. Recht uit haar hart.

Nu wil ik niet per se pretenderen dat ik iets wijs zei tegen deze negentienjarige fotograaf-in-spe. Maar recht uit mijn hart kwam het wel. En daarom was mama er, denk ik. Omdat ik veel te lang en veel te veel niet in contact was met daar waar mijn hart bodem vindt. En nu even wel. Ik nam “the courtesy”. Sprak me uit, oprecht. Uit mijn hart. Aan iemand die luisterde. En er misschien iets mee doet. Misschien ook wel niet. Want het is nogal wat.

Ik hoop het. Dat hij de moed vindt te publiceren zoals ik dat ooit vond. Dat wie dan ook die dit leest en twijfelt, de stap neemt. Recht uit het hart. Altijd. En dat ik de moed blijf vinden, mijn hart blijf horen, en een beetje meer als mijn moeder durf te zijn. Zodat zij er iets vaker is. Vanaf nu.

Op fietse

Ze zijn ontzettend vriendelijk bij het hotel. Eigenlijk is iedereen de hele tijd vriendelijk en gastvrij en behulpzaam, maar deze jongens spannen de kroon. Omdat ik vroeg ben, is mijn kamer nog niet klaar. Hugo drukt me daarom een badhanddoek in mijn handen, wijst me naar het strand en vertelt dat op een minuutje lopen een goed restaurant zit. Hij let op mijn spullen.

Ik moet wennen aan Tulum. Iedereen die ik sprak zei dat het een absolute must-visit was. En als ik de zee aanschouw, met de visvangende Pelikanen en echte hoge golven, het zachte, witte zand, dan snap ik waarom. Maar voor de rest heb ik het nog niet helemaal door. Ten eerste is alles twee keer zo duur als op de duurste plekjes waar ik was. Kost het allemaal nog niks, maar het is wel opvallend. Op de kaart van het restaurant staan allerlei hypergezonde snacks and juices in plaats van Mexican food. Om mij heen hoor ik alleen maar Amerikanen, de tienermeisjes roddelen onafgebroken over allerlei friends and marriages, die van Maggy in het bijzonder, want zij liet een scheet op haar wedding reception (ik verzin dit niet).

Ik weet het nog even niet met Tulum. De vegan taco’s met avocado en humus laat ik aan me voorbij gaan, dan blijft er alleen pasta over en die smaakt prima. Ik kijk of mijn kamer klaar is en dat is ‘ie. Hugo wijst me de weg, de inderdaad wat verstopte lichtknopjes, en wenst me veel plezier. Het is prachtig, de kamer. Het is een soort hut op palen, prachtig simpel en strand-ish ingericht, een rieten dak, schattige klamboe. Perfect. Voor mensen. Voor heel veel verschillende mensen. Niet per se voor mij. Ik zie de gaten in het dak, de kieren langs de ramen, lekker robuust en in de natuur, en dat is precies het probleem. Eh, de uitdaging. Want ik houd wel van natuur, en ik hoor de golven stukslaan en dat is magisch, maar ik houd niet van beestjes. Niet van kleine beestjes en al helemaal niet van het formaat beestjes dat hier regulier is. Als ik mijn zorgen deel met thuis, ben ik een watje. Misschien. Maar ik was meer watje als ik gelijk zou uitchecken. Dat overweeg ik serieus, ik deed dat al vaker als iets niet beviel, maar laat ik. Avontuur wilde ik. Avontuur is er nu. Als ik ga slapen sluit ik mijn queen sized bed (de benen van deze queen zijn daar overigens echt veel te lang voor) hermetisch af met de klamboe en ga slapen op goed geluk. Midden in de nacht word ik wakker van de kou (?) en maak een dekentje van de badhanddoeken, slaap verder, word wakker van geritsel boven m’n hoofd en visualiseer een schattig klein vogeltje. So far, so good.

Hier wordt het ontbijt op de kamer gebracht en dat is hemels. Ik eet, doe wat werkdingetjes, werk nieuwe plannetjes uit, schrijf en lees. Dan wil ik naar “downtown”. Dat kan met de taxi. Of met de fiets. Ik besluit tot het laatste: als ik de nacht in de halfopenlucht overleef, dan dit vast ook. Voor 10 US Dollars mag ik de fiets alle dagen gebruiken. Ik slik de woorden “business” en “model” in. Het grappige hier, vind ik, is dat het ze allemaal geen ruk uitmaakt. Amerikanen (en enkele Europeanen) willen blijkbaar fietsen, want oh experience en goedkoop bovendien. Dus elk hotel tikt een lading totaal verrotte fietsen op de kop, hangt er een cijferslotje aan en zegt: good luck. Jij wil een fiets, jij krijgt een fiets. En nu niet meer zeuren. Dus de ene na de andere opgespoten Amerikaanse diva hobbelt haar siliconen rond op een veel te grote mountainbike, de teentjes raken maar net de pedalen, hun Chaneltasjes keurig aan het stuur. Ze rechten hun rug, lachen gemaakt en vervloeken zichzelf, deze fiets, Mexico en hun hele leven binnensmonds. Dan de mannen. Door en door gespierd, de tandjes gebleekt en een Calvin Klein of gelijkende zonnebril op de neus, kekke Hugo Boss swimshort: op een babyroze beach cruiser met mandje voorop en veel te klein. Werkelijk iedereen zit als een debiel op deze Mexicaanse fietsen, ik incluis, met als verschil dat het me echt helemaal niks kan schelen. Ik draag al dagen geen make-up, het is nog maar de vraag of mijn haar-in-een-eeuwige-knot überhaupt nog uit de knoop gaat en in mijn jurkje zitten gaatjes, zag ik bij het aantrekken, maar mijn garderobe is momenteel niet zo genereus, dus ik negeerde dat. Mijn beach cruiser is baby blauw, aftandser dan de gemiddelde studentenfiets, door en door verroest, maar I don’t care. Het ding brengt me naar waar ik wilde zijn. Niet in de door Hugo beloofde 20 minuten, maar een uur is ook prima. “I hope I won’t die” zei ik bij het wegfietsen. “Don’t say that, lady.” “Just pray for me, everything will be fine.” “I will” antwoordde hij. En waarschijnlijk deed hij dat ook, want ik kwam veilig weer terug. Ondanks de metersdiepe gaten in de weg, de honderden auto’s en slippende bermen, ondanks de takken die je slim moet ontwijken, ondanks mezelf. Ik vond zelfs de weg heen én terug in één keer.

Tja, Tulum. Je bent prachtig en een beetje overgenomen tegelijkertijd. Overgenomen door mensen zoals ik. Door toeristen. Maar dan wel door toeristen die in het land van taco’s graag veganopties eisen. Eten dat door de lokale bevolking nooit te betalen is. Hugo woont niet “downtown” want dat is te duur geworden. Hij en zijn familie zijn teruggedrongen naar verderop en hebben in het stadje niets meer te zoeken, want ze kunnen er niets meer betalen. Iemand in Mexico verdient gemiddeld 20 euro per dag. Daar zitten heel veel mensen heel ver onder, ook nog. In Valladolid waren er gezinnen die gezamenlijk lunchten in dezelfde cafés als de sporadische toerist like me. Hier in Tulum is dat onmogelijk. Op mijn fietstocht zag ik investeringsproject na investeringsproject in aanbouw. “Don’t wait to invest, invest and wait”.

Tulum, ik weet het nog niet met je. Maar je zee is prachtig en je stranden ook. Het is precies dat waar de mensen op afkomen. Hopelijk word je gekoesterd en ga je niet ten onder aan je succes.

And I love what you did with the bikes.

In de bus

Deze andere tijdzone wil nog niet helemaal wennen, dus ik ben ook deze ochtend alweer wakker voor de zon zich laat zien. De hanen gillen onafgebroken, het zijn er veel. Vogels zingen daar dwars doorheen en mijn kamer vult zich met de geur van het rook van de vele vuurtjes die worden aangestoken om het ontbijt klaar te maken in de huisjes om me heen. Ik lig nog even. Lees een beetje. Douche. En ga dan op zoek naar ontbijt. De zon komt langzaam boven de huizen uit en sluipt rustig aan het plein op, waar ik ga zitten waar ik de avond ervoor ook zat. Koffie, fruit en toast, nogal een ontbijt voor een niet-ontbijter. Deze dag kent nog geen plan en dat is prima. Ik ga wandelen, ik zie wel.

En of ik zag. Straat na straat, zo’n 8000 stappen. Huizen in alle kleuren, hondjes van diverse formaten. Een slapende ijscoman op een bankje, een vader en zijn zoon die sinaasappelsap in plastic zakjes aan de deuren verkopen. Spelende kinderen. En veel straten waren leeg en stil (een soort Eibergen-ervaring, Alfred), want zondag. Ik loop en loop en loop en tref een kerk. Maak foto’s, ga niet naar binnen. Ik loop en loop en loop en tref een heel vreemd, overdreven groot, soort verlaten Chinees paleis. Ik loop en loop en loop en vind de enige Cenote die de stad rijk is. Een Cenote is een enorm zinkgat met daarin water. Een magisch gezicht en van oudsher wordt gedacht dat het de doorgang naar de onderwereld zou zijn. Ik eet wat, lees wat, (niet zomaar wat, een van de mooiste passages over de liefde ooit geschreven) en betaal. Als ik het restaurant uitloop, bevind ik me ineens in een parade. Voorop een Jeep met een metershoge pop; een vrouw in wit gewaad. Daarachter mannen, vrouwen, jongens en meisjes in dezelfde gewaden met bloemen en soms een kroon. Daar weer achter bakfietsen, volgeladen met mensen. Open vrachtwagentjes met kinderen die zich verdringen om iets te kunnen zien. Motoren. Scooters. Drie mensen op één brakke mountainbike. En daar weer achter: paarden. Mannen en vrouwen en baby’s (?) op tientallen paarden. Er worden vuurpijlen afgestoken, Mexicaanse muziek schalde uit de vele meegebrachte boxen, de mannen dronken bier uit flessen van twee liter. Ik wandel mee en probeerde uit te vogelen wat de gelegenheid is. Veel politie, maar ook soldaten. Het gezelschap houdt stil bij de kerk die ik eerder die ochtend had bezocht. Wéér een bruiloft? Wat is dat nou weer voor een bericht van het universum? Maar het zit anders. De stoet gaat verder en ik dus ook. Op het dorpsplein waar eerder die dag de ijscoman lag te slapen, bleek het een dorpsfeest met zang en dans en gratis eten en drinken. Whenever you walk into a parade, join. Zou ik willen zeggen.

Een late lunch en dan zit ik even op het centrale plein. Ik denk om te lezen, maar daar denken de 518020261 vogels anders over; ze gillen alles, maar dan ook alles bij elkaar. En een zeldzame vermoeidheid overvalt me. Alsof alles van de afgelopen dagen, van de afgelopen tijd in één minuut alle energie uit me zuigt. Het is 18u. En ik ga naar bed.

Om 5u ben ik weer wakker. Wakkerder dan in tijden. Ik klets wat met de lieve mensen thuis, kijk een serie, pak mijn tas in, ontbijt en neem de bus. Next stop: Tulum.

Het busstation is chaotisch en warm. Er zijn veel mensen, wanneer welke bus gaat is niet te verstaan. Toch lukt het de juiste te vinden. En daar sluit ik een vriendschap. Niet gelijk, het duurt ongeveer een half uur snelweg voor we elkaar ontdekken, de vrouw en ik. Ze vertelt me haar naam en ik de mijne. Ook alleen? Ja ook alleen. Ook zo heilzaam? Jazeker. Haar besliste toon, maar warme antwoorden verraden een kwetsbaarheid die ik herken. Ze noemt haar route tot nu toe. En ik die van mij. Ja het was mooi en indrukwekkend en intensief, alleen, zeggen we allebei. “Ik heb het niet allemaal goed gedaan, een tijdje, m’n leven” bekent ze zomaar na bijna een uur. “Wie wel” antwoord ik. “Andere mensen. Bij andere mensen lijken de dingen zo makkelijk en vanzelf en volgens het boekje. Zij maken geen fouten, ofzo. Ik weet het niet. Ik ben daar wel eens jaloers op.” “Jaloers?” “Nou ja, jaloers, misschien is het meer dat ik zo ontzettend boos op mezelf ben geweest, soms. Dan stond ik ‘S ochtends op en hield ik eerst een interne monoloog over welke dingen ik beter had moeten of kunnen doen. Soms duurde dat de hele dag.” Ik ben even stil en pak mijn vest, de airco staat hoog en mijn benen vatten kou. “Ben je gelukkig” vraag ik dan. “Steeds een beetje meer.” “Wat zou je tegen mij zeggen als ik precies dit aan jou zou vertellen?” Nu is zij even stil.

“Dat het niet helpt. Dat je beter verdient” zegt ze dan. En vertelt ze hoe het kwam. Hoe haar leven wendingen had genomen die ze niet had voorzien en dat ze niet had geweten wat te doen. Dat ze vast had gehouden aan het enige dat ze zeker wist: dat alleen zijn het allerengst zou zijn van alles dat er kon gebeuren. Ze had zich als een Greenpeace-activist met kettingen vastgeklonken aan alles dat ook maar een beetje veilig voelde en alles voelde veiliger dan alleen. En dat ze zo ontzettend niet had geloofd in zichzelf, om allerlei voor de hand liggende redenen, maar toch. Er waren dagen geweest dat ze niet wilde opstaan. Of juist niet naar bed zou. Ze was alles dat ze kende en alles dat ze was vergeten. En toen was ze verdwaald. In gedachten, in mogelijkheden, in onmogelijkheden, in de dingen die moesten, de kinderen, het meest nog in zichzelf. Haar hoofd had gemaald en gemaald en alle operatie overgenomen van haar hart. Ze had manieren gevonden niet te voelen, omdat het moest, want ze moest door. En daarom was ze zo boos op zichzelf. “Ik deed wat ik kon, maar ik deed niet wat ik moest.”

“We doen allemaal wat we kunnen. En soms is het dat wat moet. Soms is het dat wat we willen. Soms is het dom, soms is het levensreddend” en ik kijk haar aan. “Waarom ben jij eigenlijk niet wat liever voor jezelf” vraag ik. Nu beginnen er tranen over haar wangen te lopen, ik pak haar hand. “Zit ik alweer te janken” lacht ze. “Het is vakantie hoor.” “Je bent hier niet voor niets alleen. We komen elkaar niet voor niets tegen. Alles gaat zoals bedoeld. Er wordt voor je gezorgd, kijk maar eens om je heen. Kijk hoe mooi je bent. Kijk wat je kunt, wat je hebt, kijk wat is gelukt. Kijk: je bent er nog. En ja het was kut en zwaar en moeilijk en die tijd, die tranen, die krijg je nooit meer terug. Maar dat is geweest, dat weet je en dat voel je. Je bent er nog, en kijk eens hoe.” “Jij dan” zei ze. “Kijk naar jezelf.” We lachen, hand in hand. Dan stopt de bus en zijn we er. De laatste bestemming van deze overweldigende reis. Wij zijn in Tulum.

En onderweg daarnaartoe, in de bus, op de Mexicaanse snelweg, sloot ik dus een vriendschap. Of eerlijker: hernieuwde ik het verbond met mezelf dat veel en veel te lang geleden werd verbroken.

Ik was zelf die vrouw. Ik ben niet alleen.

En ik ben nooit alleen geweest.

 

Sal

Kilometers Mexicaans asfalt razen onder me door, duizenden bomen schieten voorbij. Af en toe een huisje, een hutje, een dorpje, lang niet zo groot als het kleinste dorp op het Hogeland. Huizen zijn kleurrijk en met veranda, van verweerd beton met kippengaas als landafzetting, dan weer een rieten hut, onbeschut, behalve door de bomen. Kinderfietsen, halve motoren, hele scooters, een huilend kind achter een hekje. Rode Coca Cola stoelen van plastic als belangrijkste huisraad. In één straat tel ik vier kerken, allemaal helblauw geschilderd. Een bar, bestaande uit een tafel en een koelkast, ernaast koken twee vrouwen iets in een pot op een vuur. Alles flitst voorbij. Isla Holbox ligt een paar uur achter me, mijn nieuwe bestemming nog een paar uur voor me, met de bus. Ik luister muziek, zie de zon verdwijnen achter de boomkruinen, de lucht kleurt nog even oranje en wordt dan langzaam zwart.

“The Island” was heilzaam. Mijn hotel was een klein paradijsje op een paradijsje, aan het strand, weldadige rust, heerlijk eten, ik lag acht uur achter elkaar op het strand te lezen. Toen ik mijn boek uit had, wandelde ik naar “downtown” (niet over het strand) en vroeg een passerende taxichauffeur waar te eten. Er was muziek, er waren leuke mensen, ik nam een Corona en ging naar m’n bed. De volgende ochtend lekte ik tranen op het witte zand van van alles en over van alles en zag de zoute druppeltjes het zand intrekken, dacht en daar is strandzand ook gewoon voor bedoeld. Dat is wat ze altijd al doet: het opslokken van zilt. Ik laat ze hier, besloot ik, deze tranen en alles waar ze voor staan gewoon ook. Toen pakte ik mijn tas in, checkte uit, bedankte vriendelijk en ging al die tranen lichter naar de boot.

De bus maakt een scherpe bocht naar links en parkeert. Vrijwel iedereen staat op, pakt tassen en stapt de bus uit. Dat “vrijwel” vind ik altijd een beetje ingewikkeld. Ik kon nergens aan ontlenen dat dit inderdaad Valladolid was, probeerde door de ramen heen te spieken naar een teken van goede bestemming, vond niks, stapte ook maar uit. En om het hoekje stond inderdaad dat dit busstation hoorde bij de stad die ik wilde bezoeken en waar als het goed is ook Casa Bamboo zou staan. Ook wel: mijn hotel. Een van de belangrijkste dingen die ik mezelf heb aangeleerd als ik alleen reis (ik schreef er al eens over toen ik mijn auto niet kon vinden op een parkeerplaats op Curacao): zie er altijd uit alsof je precies weet waar je mee bezig bent. Ook als het tegendeel waar is. En ik heb even geen idee waar ik mee bezig ben. Zie geen taxi’s, zag in de paar minuten voor dit busstation vooral verlaten huizen en braakliggende terreinen, verder zijn er om me heen alleen een heleboel mensen die  wel precies weten waar ze mee bezig zijn. Dus ik leun zo nonchalant als mogelijk tegen een muurtje en zoek het adres van het bamboehotel op mijn telefoon. Rechts van mij een hysterisch fluitende verkeersregelaar, foeterend tegen de tientallen auto’s en motoren, links drommen mensen over de smalle stoepjes. Dan stapt er een man op me af en vraagt of ik een taxi nodig heb. Kijk. Zie je? Nonchalance is altijd goed. Ik noem de naam van mijn hotel en hij lacht vriendelijk, gebaart me mee naar de hoek van de straat, wijst en zegt dat het maar ‘one block’ die kant op is, dat kan makkelijk lopend. Ik herinner me ineens dat het inderdaad dit hotel was dat op 100 meter van het busstation zou zijn, die andere was verder. Prima. Ik ga lopen.

One block? Hoe ver is one block hier? En zijn 100 Mexicaanse meters wel hetzelfde als 100 Nederlandse meters? Want ik zie geen hotel, de straat wordt steeds donkerder, ik zie steeds minder dingen die een hotel zouden kunnen zijn, ik heb het warm. In mijn beste Duolingo-Spaans vraag ik het in een winkeltje. Ja, het is vlakbij. Nee, nog even verder en dan aan de linkerkant. Ik heb inmiddels gezelschap gekregen van een mager, druk kwispelend beige hondje, het verkeer neemt af, de straatverlichting wordt schaarser. Dan zie ik de nummers op de hoeken van de straat en begrijp ik de logica van het adres met een x38 en y35 en een Calle 46. En dat betekent dat ik toch echt veel te ver ben gelopen. Dus ik en het hondje keren om en doen een nieuwe poging. Met deze keer meer succes.

Ik check in en vraag de hoteljongen waar ik zou moeten eten. Hij heeft een handige plattegrond, kruist wat dingen aan, wenst me een fijne avond. Prima. Met één probleem: ik heb -joh- totaal geen gevoel voor oriëntatie. Als ik in een willekeurige gang een deur uitstap waar ik net nog ben binnengelopen, kies ik pertinent rechts in plaats van links of andersom. En als Google Maps niet tegen me praat in de auto, kom ik precies nergens fatsoenlijk aan. Sta ik. Met die kleurrijke plattegrond in een afgelegen straatje, te doen alsof ik weet waar ik mee bezig ben. Ik stop het ding in mijn tas, loop in de richting die de hoteljongen aanwees en kies daar op een kruispunt de straat waar de meeste mensen heenlopen. Bij het volgende kruispunt weer. En daar sta ik ineens toch nog oog in oog met de práchtige kathedraal bij het centrale plein, waar kinderen zich rond de kraampjes met lekkers verdringen en alle bankjes vol zitten met kletsende mensen.

Dit was gelukt. Nu nog oversteken. En dat, lieve mensen, dat blijkt hier een vak apart, zo niet topsport. Iemand heeft een keer in een helder moment bedacht om gele zebrapaden te verven op de grijze keien, maar die zijn er duidelijk alleen maar voor de sier. Rondom het plein zijn allemaal stoplichten voor auto’s, niet voor voetgangers. Het zijn vier kruispunten, op elke hoek een. En om de overkant van de weg te bereiken, moet je precies het moment kiezen tussen dat het stoplicht van de ene kant op rood springt en die van de andere kant op groen. Dat is een tijdslot van ongeveer een halve seconde. Dat betekent dus gewoon: rennen. Hard. Het is een erg lachwekkend gezicht, als het niet zo levensgevaarlijk zou zijn en nog meer als ik er zelf geen onderdeel van was. Maar goed. We spelen dit spelletje mee.

En nu schrijf ik dit, aan een tafeltje van een restaurant, aan de straat, waar de serveerster me bij die tafel zomaar complimenteerde met mijn mooie ogen (ik verstond het zowaar), het stel naast mij serieus al anderhalf uur aan het kibbelen is over het programma van morgen en probeer ik te wennen aan het drukke verkeer, het bijbehorende getoeter, de vele rondjesrijdende politieauto’s en al wat anders is aan een stad, dan aan de paradijselijke stilte van Holbox. En het is goed. Links van me de wielen over de keien, rechts de mensen van hier die in steeds mooiere kledij langslopen als ware het een catwalk. Glitters, roodgestifte lippen, mannen in stijfgestreken overhemden, de kleine meisjes met strikken in hun haren, rennend in een Mickey Mouse jurk. Zelfs de baby’s dragen chique tenue. Steeds een nieuw parfum waait voorbij. Net als ik bedenk dat we in Nederland ook wel wat beter ons best mogen doen, dat het straatbeeld daar best van opknappen zou, blijkt het toch niet helemaal gebruikelijk, deze parade. Uit het niets verschijnt een bruidspaar, iedereen loopt inderdaad richting de kathedraal. Zij straalt, hij straalt, de moeder van de bruid kijkt vooral waterig. Het koppel houdt elkaars handen stevig vast.

Vanavond wordt er getrouwd in Valladolid. En ik ben er een beetje bij.

 

Arme Henry

Half acht. Amsterdam. Schiphol. Met in de rug het altijd fantastische CitizenM, mijn go to bij vroege vluchten nadat ik ooit bijna een vliegtuig miste dankzij file. Het vertoeft er goed en zorgt voor ontspannen vertrek. Zo ook vandaag. Uitchecken. Vertrekhal. Nog een kus. Ik zwaai. En ik ga. Bijna twee weken weg, alleen, naar het Mexicaanse.

Maar daar ben je niet zomaar. Tien uur vliegen naar Atlanta, in mijn geval. Daarna nog ruim twee uur naar Cancun. Dus eerst maar eens ontbijt. Ik twijfel over McDonalds, kies vervolgens toch maar yoghurt en een grote koffie. Zwerf wat door de winkels en koop verrassend weinig dingen die ik toch niet nodig heb. Wel een potje Elizabeth Arden 8 hour rescue cream voor mijn toch al droge lippen. Nu vermoed ik inmiddels dat die “8 hour” slaat op de hoeveelheid tijd die je nodig hebt om het betreffende blikje open te maken, ik had het 16 uur later in Cancun nog steeds niet voor elkaar, bedankt Elizabeth, ik stuur je nog wel een mailtje.

Mijn stoel is naast het raam en naast een jongen die niets zegt, wat prettig is, want zoveel heb ik zelf ook niet te vertellen. Mijn hoofd zit veel te vol. Bovendien schreeuwt een jongetje van een jaar of vijf op de stoel voor mij onafgebroken: “Mommy, I want my dinosaur!” En als ik zeg onafgebroken, dan bedoel ik dat letterlijk. Zijn moeder geeft ook letterlijk onafgebroken geen antwoord. Maant hem niet tot stilte. Kijkt niet eens zijn kant op. Pakt haar headphones en kiest een film. Als we in de lucht zijn, duwt het jongetje zijn hoofdje tussen stoel en raam richting mij. Hij wijst me op de wolken, de lucht en hoe mooi de zee is. Vraagt me waar mijn kinderen zijn, en mijn zusje. Voor ik kan antwoorden, blijkt de moeder toch te kunnen praten. Henry moet gewoon gaan zitten. Ze pakt eindelijk, zuchtend, zijn dinosaurus.

Er wordt veel gezegd en geschreven over Delta Airlines, maar veel te klagen had ik niet. Er was wifi, het eten was prima, de service perfect en er waren eindeloos veel films. Ok, ik begon met Keeping up with the Kardashians, maar switchte snel naar de dringende kijktip Ask dr. Ruth. De feministe die zichzelf geen feministe wenst te noemen, maar baanbrekend werk deed als het gaat om de positie van de vrouw in de VS en dan met name rondom seksualiteit. Zij ging, eerst op de radio en later op tv, als eerste ooit met Amerikanen in gesprek over seks. Zonder taboes, ze benoemde alles zoals het was. Zo brak ze bijvoorbeeld een lans voor het tot dan toe vrijwel onbesproken vrouwelijk orgasme (goddank leeft ze nog, want there is still work to do). De film laat een scène zien waarin een mannelijke beller vraagt of het gerucht dat hij hoorde waar zou kunnen zijn: dat vrouwen in hun leven een eindig aantal orgasmes kunnen krijgen. Dat ze dus op konden raken. “I have not heared of this rumour” antwoordt ze lachend en knap: oprecht zonder oordeel. Ook sprak ze zich stevig uit voor de keuze voor abortus en nam ze het tijdens het begin van de HIV-epidemie op voor de -wat toen nog genoemd werd- gay-community. “We need research.” Dat alles bovenop een intens verdrietige levensgeschiedenis, ze groeide als “wees van de Holocaust” zoals ze dat zelf noemt, op in een kindertehuis voor Joodse kinderen in Zwitserland waar haar werd verteld dat haar ouders niet meer van haar hielden, in plaats van dat ze gedeporteerd waren.

Vergeef me dit uitstapje, ga de film zien, het maakt indruk. Zo ook nog steeds Henry en zijn moeder als Dr. Ruth mijn schermpje heeft verlaten. Om mij heen nemen de blikken en het zuchten richting het jongetje toe. Hij heeft honger en “Mommy, they are not bringing the food.” Hij morst appelsap, krijgt van de geduldige stewardess een doekje, maar wil zijn handen wassen op de wc want “Mommy, this is not going to work.” Mommy is stoïcijns. Heel erg stoïcijns. Als het Henry te lang duurt voordat ze reageert (ik krijg ontzag voor zijn geduld inmiddels), stompt hij haar in haar zij of op haar schouder. Dan grijpt zij in door zijn armpjes vast te pakken. En lacht Henry hard. Op het moment dat ik ieder moment ingrijpen verwacht van de twintig geïrriteerde passagiers rondom deze stoelnummers, valt hij eindelijk in slaap. Met behulp van weer een vriendelijke stewardess die hem toestopt met een dekentje.

Ik app mijn vriendin dat ik me ineens een behoorlijk adequate moeder voel (op het feit dat ik mijn kinderen thuis heb gelaten na dan). En een paar uur later vind ik dat een beetje flauw van mezelf. Het raakt me hoe ontzettend graag Henry aandacht wil en hoe weinig hij dat krijgt. En het is makkelijk om de moeder hier zonder meer de schuld van te geven. Het houdt me bezig. Ik herinner me een keer terugvliegen met kind en partner terwijl ik 40 graden koorts had en nauwelijks kon ademhalen. Ik weet niet wat ik had moeten doen was ik alleen geweest toen. Ik hoop maar, heel erg, dat het er thuis anders aan toe gaat. Dat ze zich niet goed voelt, deze moeder, en daarom de aandacht nu even niet op kan brengen, vertrouwend op de omgeving. Dat Henry opgroeit in liefde, verder. Dat deze 9 uur een vervelende uitzondering waren op zijn verdere leven vol aandacht en zorg. Omdat het kan verkeren. Immers.

Best een aantal slechte films, veel te grote glazen wijn (waarom zo’n plastic frisdrank beker niet helemaal volgieten, toch, vinden ze bij Delta) en het gedoe met Henry verder, land ik in Atlanta en laten de Amerikanen er geen twijfel over bestaan waar ik me hoe moet melden voor een uitgebreide paspoortcontrole and such. Vragen (welk werk ik doe? Daar heb ik in Nederland al geen goed antwoord op). Handafdrukken. Een foto. En ik mag verder. Nog twee uur wachten. Ik doe wat mailtjes. Kijk wat mensen. En snap niks meer van hoe laat het is.

De vlucht naar Cancún breng ik slapend door, maar niet nadat ik mijn vrij zeldzame “f*ck the f*ck off”-blik moest inzetten op een dronken Amerikaanse zakenman, althans ik hoop dat, want vakantie met zoveel papier lijkt me geen pretje. De beste man was iets kwijt en al “f*ck me” roepend verzekerde hij zich ervan dat het hele vliegtuig hiervan op de hoogte was. Met dubbele tong belde hij vervolgens met iemand over een pick-up die hij “absolutely f*cking needed” omdat hij zijn “f*cking flight” had gemist. Ook nadat het cabinepersoneel twee keer had genoemd dat we op zich al aan het taxiën waren en hij zijn telefoon uit moest zetten. All good, ignore, vond ik. Maar ignore, daar deed de beste man niet aan. Tussen ons was -goddank- een lege stoel die hij vol had gegooid met zijn rotzooi tijdens zijn zoektocht naar wat hij dan ook maar in gódsnaam kwijt was geraakt. Hij belde doodleuk door, op speaker, nog steeds over die “f*cking pick-up” terwijl hij -achteraf zogenaamd- iets zocht in het arsenaal aan meuk op die stoel naast mij. Ineens voel ik zijn hand langs mijn been. Ik kijk opzij, hij belt, rommelt door. Kan gebeuren, denk ik? Toch? Hij is gestresst, ook niet helemaal helder meer, ook aan het bellen. Toch? Net als ik hem het voordeel van de twijfel wil geven en mijn koptelefoon opzet, gebeurt het weer. En nu het bovenste gedeelte van mijn been, laten we het ook maar gewoon mijn bil noemen dan. Ik draai me naar hem toe, werp die blik, zeg ‘no’. Hij kijkt me aan. Zegt niks. Pakt zijn telefoon. “Hi Sheryl, just calling you to say I love you more than anything in the world. No, Sheryl, this is the truth. absolutely. Sheryl, I’ll call you later, the plain is taking off now. Bye, love you.” I kid you not. De totaallul hangt op. Het vliegtuig gaat de lucht in. Hij draagt geen gordel. Ik hoop op een luchtzak.

Dat laatste was teveel gevraagd, maar deze prutser zette me wel aan het denken. Ongeveer dertig minuten, toen gaf ik het vechten tegen de slaap op. Het is niet de eerste keer dat me zoiets gebeurt en ook niet de laatste. Helaas geldt dit voor veel en veel meer vrouwen. Het is misselijkmakend intimiderend gedrag en ik had het liefst mijn nagels in zijn papperige wangen gezet. Toch reageerde ik -en reageer ik- doorgaans veel te mild, vind ik, als ik eerlijk ben. In theorie barst ik uit in een next level scheldpartij tot zo’n “man” snikkend afdruipt. In de praktijk blijkt dat ik, maar ik ken dit ook van medevrouwen en meisjes, een supersnelle systeemanalyse maak die vaak uitmondt in de conclusie dat ik me maar beter een beetje rustig kan houden. Want alleen, maar ook in gezelschap, kan een terecht ingrijpen kwetsbaar voelen. Dat was nu ook zo. Er ging niemand van het personeel komen, want klaar om op te stijgen. Dus wat dan? En ook: het was mijn woord geweest tegen die van deze veel te pocherige Amerikaan die dit absoluut niet voor de eerste keer deed en gegarandeerd in puppy-ogen-modus zou schieten, mopperend dat ik het wel bedacht zou hebben. I’ve been there. Arme Sheryl, dacht ik nog.

Oftewel: ik twijfelde aan mijn reactie zoals ik eigenlijk altijd doe als zoiets gebeurt. Was dit adequaat genoeg? Had ik niet meer stampij moeten maken? De verwijten die wel eens aan mijn adres klonken over mijn “laffe reacties” passeren de revue. Sowieso is de consensus van veel mannen, maar ook een aantal vrouwen, dat als je niet agressief genoeg reageert, je dus niet adequaat genoeg reageert. En dat vind ik, hoe langer ik er over nadenk, een lastige gedachte. Want natuurlijk moet je optreden tegen dit achterlijke gedrag, maar bovenal en boven absoluut alles moet je jezelf veilig stellen. Ik zou ook het liefst een actie hebben uitgehaald die deze man er voor altijd van had weerhouden ooit nog ook maar een seconde te denken aan een k*tactie als deze. Maar dat was me hoe dan ook niet gelukt. Voor die mindshift is meer nodig, helemaal bij dit exemplaar. Namelijk: een steeds luider wordend internationaal debat over wat acceptabel is als het over lichamen gaat die niet van jezelf zijn (spoiler, níks als je geen toestemming hebt). En dat debat is er gelukkig. Sterker nog: ik neem er zoveel mogelijk aan deel. Maar per incident is een inschatting maken ook heel belangrijk, denk ik. Om veilig te blijven. En dus besluit ik, al wegdommelend, dat ik blijf vertrouwen op de systeeminschatting die plaatsheeft als er gevaar dreigt, als ook op de bijbehorende reactie. Tot nu toe heeft het me in ieder geval altijd geholpen. Hoe overzichtelijk dat in dit geval ook was, trouwens, dat wat er gebeurde. Want dat kan vele malen erger.

Ik schrik wakker van de oproep klaar te maken voor de landing en kijk nog snel een laatste aflevering van “Mom” (wie weet waar ik deze serie kan kijken: graag), vul alle visumformulieren in en zie Cancún van boven. Het is er 21:00 en donker. Ik ben blij dat ik er ben. Als ook dat ik afscheid kan nemen van de opperdebiel die alweer in zijn telefoon staat te schelden en daarna Sheryl probeert te bellen. Sheryl neemt niet op.

Buiten staat een taxi klaar en in twintig minuten ben ik in mijn hotel. Ik neem een Corona bij gebrek aan witte wijn (?) en val daarna, ondanks dat ik klaarwakker denk te zijn, vrijwel direct in slaap. Om 6u (Cancún-tijd) word ik wakker. En is het echt tijd voor vakantie.

 

Reislust

“Ga je alleen?”
“Ja.”
“Helemaal alleen?”
“Ja.”
“Echt helemaal alleen?”

Ik knik nu maar gewoon.

“Kun je dat?”
“Ja.”
“Echt?”
“Ja, echt.”
“En de kinderen dan?”
“Daar wordt uitstekend voor gezorgd door hun vaders. Ik laat ze niet alleen thuis ofzo.”
“Maar mis je ze dan niet.”
“Jawel, maar net niet teveel.”
“Vind je het niet eng, in je eentje?”
“Ik vind het spannend, niet eng.”
“Ik zou het niet kunnen.”
“Dat hoor ik vaker.”
“Ik zou het echt niet kunnen.”
“…”

Ik ga alleen op vakantie. En deed dat vaker alleen. Toen ik 18 was, bijvoorbeeld. Heel avontuurlijk naar Mallorca, een week, vliegend vanaf Airport Eelde. Tijdens de heenreis zat ik naast twee dames op leeftijd die eenzelfde conversatie als hierboven met me voerden, minus het stuk over de kinderen. Ze vonden me dapper en stoer en lieten me beloven dat ik een stoel met daarop een glas voor de deur van mijn hotelkamer zou zetten, elke nacht, zodat als iemand dan ongewenst binnen wilde komen, het glas zou vallen en ik wakker werd. Dat deed ik braaf, natuurlijk. Op dag twee van deze vakantie was ik door al mijn boeken heen en ik was nog nooit zo bruin geweest. Het was een heerlijke week met niets en niemand. Ik heb precies 1 club van binnen gezien, danste met iedereen die aan het dansen was en nam om 0:00 een taxi, samen met het stel dat ik had ontmoet. En ik dacht. Dacht heel erg veel na. Schrijven deed ik toen nog niet.

Dat schrijven begon tijdens mijn tweede vakantie alleen, bijna tien jaar later. Toen vloog ik naar Curacao en waren er geen handige tips van oudere dames in het vliegtuig. In plaats daarvan werd ik getrakteerd op een tien uur durende smeekbede om alsjeblieft, al was het maar heel even, alleen een voorgerecht, uit eten te gaan, straks op het eiland, afkomstig van de manfiguur die eerst al had geprobeerd mijn plekje bij het raam te kapen. Deze keer had ik meer boeken meegenomen die ik niet allemaal las omdat ik schreef. Niet alleen verhalen, maar ook mijn scriptie. En kwam ik vooral verbrand terug in plaats van zongebruind. Maar voelde ik me vooral opgeruimd, uitgerust en met bepakt met nieuwe energie.

Sindsdien deed ik het vaker. Soms een weekendje, soms wat langer. Niets ten nadele van niemand en niks: ik moet soms gewoon alleen zijn. Wakker kunnen worden met een dag in het vooruitzicht die ik zelf, helemaal zelf, mag inkleuren. Niet in conclaaf over rechts of links of rechtdoor, misschien wel terug? Nu eten, straks en waar morgen. Wel zwemmen, niet naar de kinderclub, ik ben gevallen, vergeet je zwembandjes niet. Even geen enkel beroep. Op niks.

Alleen ik met een beroep op mij. Zoals vorig jaar in Mexico. Toen ik schreef en schreef en schreef en daarbij mijn hele relatie met mijn vader herzag. Dat kan ik alleen als ik alleen kan zijn. Maar waar ik ook in heel korte tijd veel zag van het prachtige land. Zo zat ik op dag vier om zeven uur al in de bus op weg naar een Mayatempel, een paar uur rijden verderop. Er werd verteld over de geschiedenis van de streek en alsof het niets was noemde de Vlaamse tour guide nog even dat het Tarantulaseizoen net voorbij was en nam ik me voor een volgende keer iets meer vooronderzoek te doen qua het wat en hoe van mijn bestemming en met name het spinnengedrag aldaar. Ik keek tussen de bomen door of ik aapjes zag, kroop onder mijn sjaal want airco. En voelde me toen, op dat moment, zo ontzettend gelukkig. Onderweg naar ontdekken. Op andere bodem. Met overal zoveel te zien en te voelen. En het vermogen dat allemaal tegelijk binnen te laten.

Ik werd verliefd op dat gevoel, dat ik overigens ook had toen ik met mijn oudste dochter op Schiphol zat afgelopen zomer. Wel pas nadat de hele douaneadministratie was afgehandeld, reizen met kind en zonder bijbehorende vader, dat gaat niet zomaar. Reislust. Met de liefsten, maar dus ook alleen. Ik werd niet alleen verliefd op dat gevoel, maar ook op Mexico. Dus ga ik weer. Alleen. Ja dat kan ik. Nee ik verveel me niet. Ja het is spannend en niet eng. Tuurlijk mis ik de kinderen, maar niet teveel. Ja er kan van alles gebeuren. En ook niks. Als wel, dan is dat wat het is. Ja ik pas op, kijk uit, bij oversteken en meer.

Dit keer twee weken, alleen een ticket en mezelf. Alles van mezelf. Om na te denken zoals ik dat alleen kan als ik alleen kan zijn. Verder te schrijven waar ik gebleven was. Met hopelijk precies genoeg boeken en zonnebrand. Ik ben tot nu toe uitstekend reisgezelschap gebleken, vind ik zelf. Alle vertrouwen dat dat nog steeds zo is.

Ja. Dit kan ik dus. Echt.
Alleen mijn eigen rug insmeren; dat kan ik dus niet echt. 

 

Dubai #7 Strand & Souks

IMG_0557Dubai kent veel en mooi strand. Er wordt, net als eigenlijk bij alles in Dubai, veel aandacht en onderhoud besteed aan zand en zee om de ervaring maar zo mooi mogelijk te maken. We zagen eerder al luxe hotels en winkels bij Jumeirah Beach alwaar het fijn relaxen leek. Er is ook nog Sunset Beach, dat schijnt iets rustiger te zijn en er zijn verschillende beach clubs in Dubai. Wij besluiten voor gemak en maken gebruik van de shuttle service van het hotel met bestemming onbekend. Dit bleek een goede keuze; we worden afgezet bij Al-Mamzar Park. Door Lonely Planet terecht omschreven als hidden gem. Na betaling van 5 Dinar (iets meer dan een euro), wandelen we het grote, prachtige park in. We zijn er vroeg en het is daarom erg rustig. Al-Mamzar park bestaat uit een park-gedeelte met BBQ’s, prachtige bomen en veel beschutting en een aantal stranden. Wit zand, palmbomen en eindeloos uitzicht over de Arabian Gulf. Je kunt er bedjes huren, maar een handdoekje is ook heel prima. Er zijn verschillende omkleedfaciliteiten en fijne, schone toiletten, zelfs met vaasjes verse bloemen. Ook vind je er kleine winkeltjes met handdoeken, zonnebrand en frisdrank. Het is er schoon en prachtig. We ploffen neer en doezelen in de heerlijk warme zon. Het zeewater is wat aan de koude kant :).

park

Rond de middag wandelen we terug naar de shuttle service. Met lichte tegenzin want het lag er wel erg lekker. Daarom besluiten we de volgende dag weer te gaan en de rest van deze middag nog een stukje Dubai te ontdekken: de Souks.

 

 

 

Spectacular Shop
IMG_0619
Na een opfrissessie in het hotel besluiten we wederom te kiezen voor gemak en vragen om een taxi naar de Gold Souk. De afstanden in Dubai zijn best aanzienlijk en lopend van de ene naar de andere bezienswaardigheid is soms gewoon onmogelijk. De metro biedt uitkomst, maar taxi’s zijn erg goed betaalbaar en rijden op de meter. Voor 10 Dinar staan we hartje Gold Souk (ongeveer 2,50 in euro’s).

De Souks in Dubai zijn niet helemaal vergelijkbaar met die in bijvoorbeeld Marrakech, het is toch allemaal net iets minder authentiek en je vindt er veel van hetzelfde. Toch is het een bezoekje waard. Wapen je wel tegen de 2713 mannen die je allemaal iets willen verkopen. Ze blijven vriendelijk, maar zijn wel vasthoudend. De Gold Souk is overweldigend in bling bling. We vragen ons af of alles echt is…verschillende websites verzekeren ons van wel. We wandelen de grote straat met juweliers af en besluiten dan linksaf te slaan, de kleine steegjes in. En ook daar heeft iedereen een “Spectacular Shop”. We belanden in een kledingwinkeltje met traditionele kleding en kopen abaya’s en een kandura voor de kindjes. Voor ik het weet sta ik ook in een prachtige abaya met -zo verzekert de spectacular shop eigenaar me- handopgenaaide steentjes. Het is een prachtige jurk, maar ik zie mezelf dat niet heel erg dragen anders dan hier in Dubai. Dus ik bedank vriendelijk.

Ook hier in de soeks geldt weer dat we onze ogen uitkijken. Het mooie aan Dubai is dat we continu dingen zien die zo verwonderlijk zijn, dat de sfeer zo verschilt van alles wat we kennen, dat we echt ontzettend ver weg zijn. Het is in alles een belevenis.

We wandelen nog wat verder en nemen uiteindelijk een bootje naar de overkant van de Creek. Deze kleine Abra’s brengen ons voor 1 Dinar samen met zo’n twintig andere passagiers vliegensvlug naar het vervolg van de soeks onder het genot van een prachtig uitzicht over het schemerende water. Het is even puzzelen bij het kiezen van een plekje, want de meeste mannen zitten niet graag naast een vrouw en andersom. Gelukkig zit die van mij wel graag naast mij, dus uiteindelijk lukt het allemaal.

IMG_0612

Eten aan het water
We wandelen nog wat over de Textiel Souk en leren van alles over exotische kruiden op de Spice Souk. Deze lopen allemaal prima in elkaar over, het zijn leuke wandelingetjes. Prachtige stoffen, sjaals en heerlijk ruikende stalletjes met verse kruiden. Maar, weer: niet heel veel variatie in de winkeltjes onderling. En, weer: veel en veel mannen die steeds maar weer proberen hun -soms illegale- waar te slijten. Na een uurtje strijken we daarom neer bij een restaurantje met uitzicht op het water en eten en drinken wat. Het uitzicht is mooi, het eten overpriced en niet zo heel erg goed. De koffie daarentegen fantastisch.

Na het eten nemen we weer een abra terug naar “onze” kant van de Creek en besluiten terug te wandelen. Een fikse loop, maar wel een leuke. Ook hier valt ons weer op dat alle winkeltjes netjes zijn gecategoriseerd. Kleding bij kleding, auto-onderdelen bij auto-onderdelen en af en toe een supermarkt. Het is vrij laat op de avond, maar de sfeer op straat is prima. Sowieso hebben we ons nog geen moment unheimisch gevoeld in Dubai. Het “everything is under control” concept werkt goed. Het nadeel: niemand bemoeit zich met elkaar dus echt veel gesprekken anders dan met elkaar heb je niet. Het personeel in het hotel en een klagende taxi-chauffeur waren uitzonderingen, maar op straat of in winkels is er nauwelijks contact over en weer. Als ik dat vergelijk met bijvoorbeeld Jordanië, waar iedereen je continu welkom heet in hun mooie land en vraagt waar je vandaan komt, is het hier vrij kil. Misschien komt het voort uit het idee dat ze ons niet nodig hebben in dit zelf-beoliënde land, of zijn ze gewoon niet geïnteresseerd. Of is het angst voor een fout en de bijbehorende consequenties. We weten het niet precies. Gelukkig hebben we genoeg gespreksstof, ook voor de lange wandeling.

Laatste dag 2014
Het is de laatste dag van 2014 en vlak voor middernacht komen we aan in het hotel. We besluiten nog maar een peperduur wijntje te nemen in de hotelbar en zijn benieuwd naar het oud & nieuw van de volgende dag. We besloten te reserveren op een boot zodat we vanaf het water het legendarische vuurwerk van de Burj Khalifa kunnen zien. De andere optie was al tegen de middag richting Dubai Mall te gaan met risico op slecht vervoer terug in verband met de verwachte miljoen (!) kijkers aldaar. Of een peperduur feestje. Of een concert van Pharell. Maar omdat een van ons niet wist wie Pharell was, werd het uiteindelijk de boot. Hoe dan ook: we verwelkomen 2015 in Dubai. En dat is al belevenis genoeg, wat we ook doen.

 

Dubai #6 De woestijn in…

Als we na onze Dubai Citytrip bij ons hotel worden afgezet krijgen we van Saweed een half uurtje om ons op te frissen en wat warme kleren mee te nemen voor het tweede programma-onderdeel: de woestijn. Hij waarschuwt ons niet te veel te eten omdat de auto wat zal schudden. Die opmerking dringt op dat moment niet goed genoeg tot mij door.

dinner dubai squareNa vijf uur citytrip hebben we namelijk best wel honger. Dus halen we chicken rolls bij de supermarkt. Twee voor EUR 1,50. Van te voren dacht ik dat Dubai in alles wel heel erg duur zou zijn, maar dat valt heel erg mee. Ok, in Dubai Mall kun je met gemak twee jaarsalarissen kwijt binnen een half uur, ongeacht wat je verdient. Maar ook daar vind je gewoon een H&M, Zara en Forever 21. Bovendien is het eten en drinken bij een gemiddeld restaurant heel goed te betalen. En in de supermarkt lach je je helemaal dood, dus budget op reis in Dubai is heel erg goed te doen. Behalve als je een wijntje of biertje blieft bij je eten, dan betaal je de hoofdprijs.

Precies een half uur later staan we opgefrist en ietwat gevuld weer te wachten op Saweed. In de auto vertelt hij ons nogmaals de plannen voor die avond, uitgebreid en met veel details. We halen nog vier passagiers op bij een nabij gelegen hotel; een gezin uit Nigeria met twee zoontjes van een jaar of zes. En dan kunnen we echt op weg naar de woestijn; een uurtje rijden. Onderweg is de vader van het gezin continu aan het bellen met zijn twee telefoons. Ik versta niet alles, maar het klinkt als stevige handel in het een of ander en helemaal vlekkeloos verloopt het allemaal niet. Hij blijft ook bellen als we een korte tussenstop maken bij een marktje. Hier kun je squad rijden in de woestijn en worden er traditionele sjaals voor op het hoofd aangesmeerd. Niet het meest pittoreske tussenstopje ooit, maar een plaspauze is best welkom. Bovendien pakken we zo nog een beetje zon.

Dan is het tijd om te gaan en stappen we allemaal weer in de grote, witte 4×4. „Now we go Dune Bashing, so fasten your seatbelts”. Ik heb nog steeds geen idee wat Dune Bashing is, al is de term best accuraat blijkt al snel. We rijden zo van de weg het zand in, samen met nog twee auto’s die onderling contact hebben via portofoons. En dan berijden we in volle vaart de duinen van de woestijn. We beuken over de toppen, worden tegen elkaar aangedrukt als we schuiner dan schuin zand vangen en ik denk minstens zevenentwintig keer dat we gaan omvallen. Achter en naast mij gieren de twee jongetjes van het lachen. „Wow, this is soooooo cool” en: „Mom, is this a real desert”? Moeder antwoordt niet want ze is wat gespannen. Achterin schudt het ook beduidend meer dan in het midden waar ik zit en ik ben al twee keer met mijn hoofd tegen het plafond gebeukt. Voorin zit de vader nog steeds te bellen. Dat geeft hij na duin 12 maar op. En mij is het duidelijk waarom een volle maag wordt afgeraden.

Had je me van te voren beelden laten zien van dit fenomeen, dan was ik never nooit ingestapt. Eenmaal in dit duinmonster, moet ik zeggen dat het best leuk is. En doodeng. Maar dus ook best leuk. Na een tijdje stoppen we om foto’s te kIMG_0499unnen maken van de woestijnvlakte. Kilometers oranje-rood zand en een ondergaande zon. Het kan niet heel veel beter denk ik bij mezelf. We bashen nog wat dunes en rijden dan naar het kamp. Daar mogen we nog plaatsnemen op een kameel en met niet echt verhulde tegenzin doe ik dat. Ik vind dat enger dan het crossen door de duinen en bovendien vind ik het een beetje zielig. Maar goed. Go with the flow leverde vaker leuke dan stomme momenten op. Deze was medium.

Na het contactmoment met de kameel, nemen we plaats aan de lange tafels. Het is inmiddels donker, maar het kamp is mooi verlicht. We krijgen Arabische koffie („no sugar, no milk”) en wachten tot het eten wordt geserveerd. En: er is een bar. Voor 50 euro koop je daar een flesje Zuid-Afrikaanse witte wijn. Wij kiezen Corona en drinken deze bij het kampvuurtje. We eten goed en veel van de barbecue en worden vermaakt met een Arabische danser en een hele slechte buikdansmevrouw. We kletsen nog wat met onsen mede-passagiers uit Nigeria en na een paar uur vertrekken we weer richting Dubai. De jongetjes hadden „so much fun” gehad en wij konden wel meegaan in die conclusie.

IMG_0513

Terug in het hotel zijn we moe en voldaan. In de hotelbar drinken we nog een laatste wijntje onder het genot van een optreden van de huisband. Nou ja, genot is wat overdreven. Het is vals en oubollig, maar we kunnen wel wat hebben.

Veel gezien, veel gedaan, alleen het strand hebben we nog niet bezocht. Dat staat per dat moment op de agenda voor de volgende dag.

Dubai #5 citytrip

Zoals gezegd regelden we ter compensatie van onze ultraluie hangdag een dag maximaal zien en beleven in Dubai. Dat betekent een vroege wekker, ontbijten, snel douchen en 9.00 klaar staan voor de pick-up voor de citytrip. Ze zijn hier van de tijd en afspraken dus precies op tijd nodigt Saweed ons plaats te nemen in zijn enorme witte 4×4. In Engels met een geestig accent vertelt hij vrolijk over het programma van die dag en dan met name de dingen die we moeten weten voor ons tripje naar de woestijn die avond. Hij manoeuvreert zich behendig van rijbaan naar rijbaan en vertelt ons dat we nog vier mensen ophalen bij twee verschillende hotels voor we in de bus stappen om Dubai te gaan bekijken. Een half uur later worden we met twee Afrikaanse dames en een chagrijnig stel dat hardop klaagt over het feit dat Saweed vijf minuten te laat was en dat ze echt niet achterin gaan zitten (afkomst onbekend) inderdaad afgezet bij een nette bus met een vriendelijke gids.

IMG_0522In de bus zitten nog twee Nederlanders, de rest komt uit Afrika, India, Pakistan, Servië en de rest van de wereld. We zijn steeds enorm in de minderheid als Westerlingen. En dat maakt Dubai heel interessant; een keer geen dronken Engelsen, Duitsers of beklompte Nederlanders, maar meer internationaliteiten dan dat je kunt tellen.

Eerste stop: Dubai Museum
De guitige gids heet ons van harte welkom en vertelt het programma. Een strak programma, want er is veel te zien. En hij drukt ons op het hart ons aan de instaptijden te houden met de belofte that “we will be left behind” als we te laat zijn. Ok. Dat gaat ons niet gebeuren. We rijden eerst naar het Dubai Museum, kondigt hij aan. Onderweg vertelt hij waar we zijn, wat daar te doen is en andere wetenswaardigheden. Hij vertelt ook dat het erg druk is in Dubai in verband met de feestdagen en de traffic dus terrible is. Ik verwonder me hardop over de behendigheid van de buschauffeur in de smalle, over-auto-bevolkte straatjes.

We mogen precies twintig minuten door het museum roetsjen. En het is daar inderdaad erg druk. In sneltreinvaart lezen we over de geschiedenis van Dubai. En vooral hoe razendsnel Dubai zich ontwikkelde na het vinden van olie in ’66. De bevolking, de infrastructuur, de rijkdom; alles nam exponentieel toe sinds dat moment. Dat gegeven is interessant, de rest van het museum is mooi ingericht maar niet heel erg indrukwekkend en door de drukte ook niet heel relaxt om lang rond te hangen. Dus banen we ons een weg naar buiten en wachten op de gids en groep.

“Someone is missing” 
We worden keurig naar de bus geloosd en nemen plaats. De gids telt de koppen. Twee keer, want er klopt iets niet. “Someone is missing. Who?” Hij telt één passagier te weinig. Wat gek is, want er zijn alleen stellen ingestapt, dat zou de ander toch moeten opvallen, denken we. Maar niemand zegt iets. En zoals ons al was beloofd, gaat de bus rijden en wordt de missende passagier achtergelaten. Dan roept iemand “that guy with the red trousers is with us”. De bus stopt, de tegenzin bij de gids is best zichtbaar. Er wordt getoeterd en de man met de rode broek haast zich naar de bus. Met in zijn kielzog zijn chagrijnige vrouw die vanochtend in onze 4×4 zat en zeurde over Saweed die vijf minuten te laat was. Ze gaan snel zitten en de gids telt nogmaals alle passagiers. En dan op geheimzinnige toon de legendarische woorden: “Is there someone extra with us?” Op wat gelach na, blijft het stil. Maar onze gids is scherp. Tegen een dame voor in de bus zegt hij: “I don’t recognize you, are you with us?” De dame staat op en glipt de bus uit. Een mysterieuze verstekeling. Het viel te proberen inderdaad.

Te veel te doen, te weinig tijd
Nu we weer in de originele samenstelling verkeren, rijden we richting Jumeirah. De drukke, smalle straten maken plaats voor brede wegen en grote villa’s. Aan de hoofdweg zien we medical centre na tandarts na plastisch chirurg en ontzettend veel moderne café’s. Het is een mooi gebied en huisvest zeker niet de lagere klassen van de bevolking. Hier vind je Jumeirah Beach en enorme, enorme hotels van bekende ketens. Ongelooflijk grote complexen, groter dan menig klein Gronings dorp.

IMG_0549En dan gelijk ook het meest bekende hotel van Dubai; Burj Al Arab. Het enige 7 sterren hotel van de wereld. Met futuristisch ontwerp en een heli land mogelijkheid. Hier kom je niet zomaar binnen, tenminste niet als je geen hotelgast bent. Of een high tea boekt, dan mag het wel. Kost ongeveer honderd euro per persoon, maar schijnt nogal overheerlijk en uniek te zijn. Wil je er slapen? Kan natuurlijk ook! Houd rekening met prijzen vanaf €2000,- per kamer per nacht. Kun je dus wel je heli kwijt op het dak. Grappig: de Burj Al Arab werd gebouwd als het hoogste hotel ter wereld, maar staat nu op plaats drie in die ranglijst. Drie keer raden waar nummer 1 en 2 staan ;).

 

In Jumeirah bezoeken we ook de Jumeirah Moskee. De gids legt uit dat het niet de grootste, niet de mooiste en niet de meest bijzondere moskee van Dubai of de Emiraten is. Verwonderlijk, want alles hier het grootst, mooist, duurst, bijzonderst. Uniek aan deze moskee is het feit dat het is opengesteld voor toeristen. Je kunt er een tour doen van anderhalf uur waarin je van alles wordt uitgelegd over de Islam, de Emiraten en andere interessante culturele informatie.

Zowel de high tea als de tour zetten we op ons mentale wensenlijstje al beseffen we ons dat het allemaal erg krap wordt. Er is gewoon te veel te doen in Dubai. En dan is een week heel erg kort.

Hallo, The Antlantis
IMG_0548
Het is wel een beetje hop off, hop on, deze citytour. We kunnen steeds net een foto maken en dan gaan we alweer rijden. Behalve als we stoppen bij het antiquariaat: “this is the last stop for worship or visiting the toilet”. Er glippen inderdaad een paar mensen de nabijgelegen moskee in. Ik besluit tot een toiletbezoek. En waar alles, maar dan ook alles in Dubai brandschoon is, geldt dat bepaald niet voor dit toilet in het winkeltje met veel te duren souvenirs. Ik tel twee dode kakkerlakken. En besluit nu al helemaal niets meer te kopen.

Als alle worships en plasjes zijn gedaan, maken we vaart naar The Palm Jumeirah; het wereldberoemde, met mensenhanden gebouwde eiland in de vorm van een palmboom. De bladeren van de palm zijn niet toegankelijk vertelt de gids; dat is alleen voor de mensen die daar wonen. In dure, met investeringsgeld gebouwde villa’s en appartementen. Het hart van de boom kunnen we wel op, door een onderzees gebouwde tunnel. Onwillekeurig heb ik steeds de Bob de Bouwer leus in mijn hoofd; Kunnen we het maken? Nou en of!

En daar arriveren we bij bizar bouwwerk nummer zoveel: Atlantis The Palm. Hotel en waterpark. Majestueus en bizar groot. Zien is het nog niet helemaal snappen, maar het staat er echt. Hier overnachten is minder kostbaar dan in het 7 sterren walhalla, maar kost je nog steeds een paar honderd euro per nacht. Het waterpark is per dag toegankelijk, je hoeft daarvoor niet per se een hotelgast te zijn. Ook hier hebben we weer een kort fotomoment en tevens laatste uitstapmoment.

Lekker overzichtelijk
IMG_0425
De terugweg leidt ons langs de Burj Khalifa, The Tallest Building in the World en nog wat andere bezienswaardigheden. De gids kletst ons nog wat interessante feiten toe. Dat Dubai 100% belastingvrij is, bijvoorbeeld. En dat alcohol echt strikt verboden is en nergens te koop. Maar dat voor expats een uitzondering wordt gemaakt. Zij kunnen een licentie aanvragen. Ze moeten dan wel aangeven wat hun salaris is en mogen maar een bepaald percentage van hun loon besteden aan alcohol. Drinken zonder licentie is strafbaar. Everything is under control.
De terugweg naar het drop off point leidt langs kilometers autoshops. Ze regelen het hier namelijk heel overzichtelijk; alles is ingedeeld in segmenten. Overal. Auto kopen? Kun je dus in dat segment terecht. Maar ook in de Dubai Mall zagen we al: fashion bij fashion, schoenen bij schoenen, juwelen bij juwelen, baby spullen bij baby spullen. De marktjes (souks) zijn ook keurig verdeeld in goud, textiel en kruiden. Maar ook alle andere straten laten deze gewoonte zien: de honderd telefoonwinkels, de straten vol met shops voor auto-onderdelen, kledingboetiekjes. Ze zijn allemaal keurig gegroepeerd. Lekker overzichtelijk.

Op naar de woestijn
Rond twee uur worden we afgezet en mogen we weer instappen bij Saweed. We krijgen een half uurtje om op te frissen en wat te lunchen, want om half drie vertrekken we naar de woestijn. Niet te veel eten, waarschuwt Saweed, in verband met het Dune Bashing. Dat zal wel meevallen, denk ik. Onterecht, blijkt later.

 

Praktische noot over deze Dubai Citytrip:
Wij regelden deze citytrip via de bell boy van het hotel bij Turan Tourism (volledig onbruikbare site :)). Dat kon ter plekke en het beviel ons erg goed.  Vriendelijke chauffeur en gids en genoeg te zien, doen en informatie. Je voelt je een ultieme toerist en meestal mijden we dat, maar in Dubai is het prettig om dit vroeg tijdens je verblijf te doen. Je ziet precies wat er allemaal te halen is en wat je de komende dagen nog graag zou uitgebreider zou willen bekijken. De must-sees in Dubai liggen namelijk best ver uit elkaar en zodoende kost het veel tijd om alles te zien. Nu hadden we in vogelvlucht een goed beeld. De tour duurde van 9-14.00 u.

Er zijn nog veel meer aanbieders van dit soort tours en de prijzen zijn ongeveer gelijk. Boeken vanuit Nederland is duurder. Bij het hotel kunnen ze je vaak goed helpen.  

Dubai #4 Everything in Dubai is under control, madame.

De vele indrukken van Dubai in combinatie met de tachtigurige werkweken die we in de aanloop van deze vakantie beleefden, maken dat dag drie vooral in het teken van bijslapen en bijkomen staat. Opstaan, ontbijten, verder slapen, lunch op het dakterras van het hotel, nog een beetje slapen en een wijntje op datzelfde dakterras. En dan ervaren we ook gelijk het nadeel van vakantie hier; je hebt constant het gevoel dat je dingen mist. Alles draait continu door. Er staat bijna de hele tijd file, elke tien minuten vliegt er een vliegtuig over, elk half uur een helikopter, de winkels zijn langer open dan dicht. Als ze al dicht gaan. Het is een bijzondere energie. Maar goed, dan missen we maar wat. We zijn moe en vakantie is ook uitrusten, besluiten we. Om vijf minuten later maar liefst twee excursies te boeken voor de dag daarna. Ter compensatie.

Het zit overigens heerlijk op het dak van het hotel. Het uitzicht is perfect. Als in: op een drukke weg met veel auto’s. En auto’s hier zijn vele malen bezienswaardiger dan waar dan ook. Voor tonnen en miljoenen komt langskarren. Naast me wordt de aanschafwaarde van de mooie exemplaren gelijk opgezocht. De Nederlandse aanschafwaarde dan. In Dubai doen ze niet aan belastingen.

Tegen de avond begint op de parkeerplaats bij het hotel een amusant schouwspel. Er lijken structureel veel te veel auto’s te zijn in Dubai. En ze schuwen het gebruik van de claxon bepaald niet. De hele dag horen we overal getoeter met uiteenlopende betekenissen; schiet op, ga aan de kant, rij door ook al is het rood, gewoon omdat het kan, ik heb er immers voor betaald, je kunt wel willen wisselen van rijstrook maar daar ga ik je nu rechts inhalen dus doe maar niet. Etcetera.

Op deze parkeerplaats zwelt het getoeter wel heel erg aan rond etenstijd. Er zijn op het oog zo’n 50 parkeerplaatsen te weinig voor het rijdend bezit. In Nederland wachten we dan netjes in een rijtje. En af en toe is er een aso die ‘m er bruut tussendrukt. Dan steken we in het beste geval onze middelvinger op, maar uitstappen en verhaal halen is geen uitzondering. Op deze parkeerplaats is het een gigantische chaos. Er wachten met gemak drie auto’s bij hetzelfde plekje. De uitparkerende auto moet zich daartussen door manouvreren met een speelruimte van een paar millimeter. En dan gaat het recht van de brutaalste gelden: de bestuurder die het bruutst naar voren rijdt, krijgt het plekje, of de ander daar nou al een kwartier staat of niet. Het is machtsvertoon in zijn puurste vorm. Neus aan neus is het een paar minuten wachten op wie er plaats gaat maken. Af en toe komt er een dikke SUV die alles en iedereen aan de kant drukt en het beste plekje pikt. Vol verbazing staan we te kijken naar zoveel brutaliteit met zo weinig materiele schade en vooral: het wordt allemaal heel harmonieus opgelost. Geen middelvingers, geen gevloek, geen klappen.

Is hier dan meer respect voor elkaar? Hebben ze hier bedeesdheid beter onder de knie dan wij in ons poldermodelland? We zijn het er over eens dat Dubai heel veilig voelt, dat we nergens agressie hebben gezien of gevoeld. Maar een paar dagen later horen we een reden die veel logischer klinkt. “Everything in Dubai is under control, madame” vertelt de barkeeper. En als vloeken en obscene gebaren al verboden zijn, dan zal elkaar tot rede timmeren al helemaal niet de bedoeling zijn. Dubai heeft een heel laag criminaliteitscijfer. En iedereen is superkeurig bij het afrekenen en in afspraken. Nu weten we waarom: kom je in Dubai werken (80% van de bevolking in Dubai komt uit het buitenland) dan wordt er een irisscan gemaakt, worden er niet alleen vingerafdrukken gemaakt, maar leggen ze gelijk elk stukje hand vast en worden alle gegevens die ze van je kunnen vinden vastgelegd. Ga je de fout in? Dan ben je weg. Ze weten wie je bent, waar je bent, er is geen ontkomen aan. En: er is een zeer actieve geheime dienst met overal undercover agenten. “You could be one for all I know” zegt de jongen tegen mijn lief.

Oftewel: je kúnt hier wel uitstappen en iemand op z’n bek tikken omdat ‘ie asociaal doet, maar de kans is heel groot dat dit wordt gezien en bestraft. Te groot, kennelijk. Dus gedoogt iedereen iedereen.

Na het parkeerplaatstheater eten we bij een lokaal tentje in de buurt. Voor twintig euro eten we humous, falafel, heerlijke kip, verse fruitsappen en thee met zoetigheid na. Leven in Dubai kan heel duur, maar ook heel budget.

Met volle buikjes gaan we lekker vroeg naar bed zodat we de volgende dag onze toeristenactiviteiten kunnen volbrengen. En nog veel meer leren over two faced Dubai.

IMG_0733.JPG

Dubai #3 The Secret

Gewoontegetrouw legt mijn vriendje zijn hand op mijn billen terwijl we het metrostation Burj Khalifa uitwandelen. Nou sla ik zo een hand wel vaker gedecideerd weg, nu met wat meer nadruk. “Oh ja, shit” reageert hij geschrokken. Het is hier niet de bedoeling affectie te tonen naar elkaar (of anderen) in het openbaar. Geen kusjes, niet hand in hand, al helemaal geen hand op bil. Het is niet alleen niet de bedoeling, het is verboden. We zien het, al wandelend naar het hoogste gebouw van de wereld, ook maar zelden gebeuren.

Dat wandelen is hier overigens niet op straat. Daar rijden immers auto’s en die moeten ruim baan. Een enorme overdekte sluis op hoogte en met airco, uiteraard, brengt ons na 20 minuten lopen in Dubai Mall, vlak naast Burj Khalifa.

Dubai Mall. Het grootste winkelcentrum van de wereld. We weten niet wat we zien. En we zijn echt wel wat meer gewend dan alleen winkelcentrum Paddepoel. Winkels, winkels, winkels. Meer dan duizend. En mensen. Statige mannen in witte gewaden en doeken om hun hoofd. Veel vrouwen in zwarte, traditionele jurken, al dan niet met grote designer zonnebrillen en diamanten spelden in hun hoofddoeken. Ze slepen met tassen van de Dubai Mall winkels: Dior, Jimmy Choo, Chanel, Tiffany’s en ontelbaar veel andere peperdure merken. Waar je kijkt, zie je luxe. De Mall reikt verdiepingen omhoog en het lijkt me niet mogelijk alle winkels te bezoeken, al had je een maand.

Gelukkig is dat ook niet nodig. Ik spot de Victoria’s Secret en wandel er zonder na te denken naar binnen. Geen seconde bedenk ik me dat het vrij vreemd is dat in dit kuise land, waar vrouwen van kruin tot enkel bedekt zijn, er zo prominent een luxe lingeriemerk toont. Oh was I wrong. In de winkel die oneindig groot lijkt, rekent gesluierde dame na gesluierde dame voor een godsvermogen aan kant, pailletten en push-up af.

Het passen in deze winkel gaat uiterst discreet, dat dan weer wel. Wil je geholpen worden in het pashokje met zware houten deur in plaats van slecht sluitend gordijntje? Dan druk je op het belletje. De bh-mevrouw klopt vervolgens aan en wacht totdat de deur wordt open gedaan. En zelfs dan vraagt ze nog of binnenkomen ok is. De passende dames brengen er rustig een uur door in zo’n paswalhalla met nu een keer goed licht, in plaats van slecht geplaatste TL-buizen.

Dubai Mall in blijkt een stuk gemakkelijker dan Dubai Mall uit. Overal waar we kijken is wel iets wat niet klopt met wat we ooit eerder hebben gezien. Toppunt; het aquarium dat we passeren. Haaien, vissen; gewoon in de Mall. Je kunt door een tunnel onder het water door, je kunt er zelfs duiken. Het is waanzin.

We besluiten iets te gaan eten bij de fontein met uitzicht op die enorme toren. Hij past niet op de foto. Burj Khalifa is Dubai op zijn best; hoger kan niet. En kan het wel, dan komt het ook in Dubai te staan.

We lunchen met een heerlijke Italiaanse pasta en verse fruitsap. Want alcohol is echt mission impossible. Onze hotelbar verkoopt wijntjes voor zo’n tien euro per glas en we kochten wat Corona op het vliegveld, maar in restaurants, bij supermarkten: vergeet het maar. Ook verboden. Daartegenover staat een enorm assortiment aan fruitsap en andere frisdrank, dus we missen het ook niet echt tijdens onze late lunch.

We verdwalen nog wat tussen de niet te betalen modemerken en shoppen bij de Zara en Forever 21. We kopen heerlijke donuts met smoothies van een bekend Engels merk en besluiten the crowd te joinen bij de fontein. Daar schijnt iets te gaan gebeuren.

Om 18u precies blijkt dat waar. Muziek zwelt aan en een gigantische, meterslange fontein wordt door duizenden lampjes verlicht. Precies op de maat van de muziek bewegen de waterstralen als waren het dansende vrouwen. Met als sluitstuk de stralen die zo’n 150 meter de lucht in gaan. Je moet het zien om het te snappen. Alleen hier. Alleen in Dubai.

Het kost ons een half uur om het metrostation terug te vinden. En dan komen we er achter dat we geen idee hebben waar we zijn opgestapt. We gokken, discussieren, maken net geen ruzie en stappen gigantisch ver van ons hotel een metrostation uit. Gebroederlijk naast elkaar zonder elkaar aan te raken, al waren we broer en zus, lopen we op goed geluk door de straten van Dubai. De taxichauffeur die we uiteindelijk aanschieten, kent ons hotel niet en de mensen van het hotel hebben niet gedacht aan een adresvermelding op hun visitekaartje. Wij hebben niet gedacht aan vragen waar ons hotel eigenlijk staat. We zijn een stuk wijzer op veel gebieden na deze dag Dubai.

Uiteindelijk helpt de bell boy van een vijfsterren hotel ons uit de brand. Hij belt met het hotel en laat zijn chauffeur ons er voor een tientje heen rijden.

We geloven niks van wat we hebben gezien vandaag. En toch is het allemaal echt. Hier.

IMG_0438-0.JPG

Dubai #2 The Metro

Na een korte nacht schuiven we aan bij het ontbijt. Tot onze opluchting zitten hier normale mensen, de kortgerokte dames zijn nergens meer te bekennen. We drinken heerlijke koffie en eten zoetigheden tussen een internationaal gezelschap. We zijn het witst en het Westerst.

Na het ontbijt kijken we elkaar wat vragend aan. Want: wat te doen? Waar te beginnen? Dubai heeft veel, heel erg veel. We hebben geen idee waar ons hotel zich bevindt ten opzichte van de rest, we weten ook niet precies wat de rest precies moet zijn. We besluiten uiteindelijk te beginnen bij wat wij denken dat het middelpunt is: Burj Khalifa. Het hoogste gebouw van de wereld. En om een beetje beeld te krijgen van onze omgeving bedenken we te beginnen met een wandeling en dan verder te zien.

Buiten is het 28 graden. Ik draag een zwarte legging tot op mijn enkels, een rok, een wijd shirt zonder zicht op BH bandjes en heb voor de zekerheid een vest en sjaal in mijn handtas. Ik ben benieuwd hoe deze outfit het houdt in de openbaarheid als wel als met deze temperatuur. Na drie meter wandelen voel ik het zweet prikken. Overal.

Ik heb weinig referentie op straat, want in het half uur dat we lopen, zie ik honderden mannen en geen enkele vrouw. Wel 15 auto’s met een waarde boven de ton, 54 telefoonwinkeltjes, 33 bijna-ongelukken, wordt er iedere minuut een paar keer geclaxonneerd en voel ik vele paren ogen over mijn lijf glijden. Ze staren. De mannen. Niet uit lust, uit iets wat ik niet goed kan plaatsen. Het is niet per se intimiderend, het is hooguit wat ongemakkelijk. Ik heb me zelden zo in de minderheid gevoeld als daar, als enige vrouw op straat en nog behoorlijk wit ook. Bovendien: we zijn gemiddeld twee en drie koppen groter dan de rest.

Het valt op dat Dubai niet is ingericht op voetgangers. Een zebrapad zonder voetgangerslicht betekent rennen voor je leven. De SUV’s ontzien niets of niemand. Is er wel een voetgangerslicht? Dan sta je met gemak tien minuten te wachten voor je mag. We moeten stukjes over straat lopen bij gebrek aan stoep. Lopen is voor paupers, blijkbaar.

We bereiken een plein met drie futuristische gebouwtjes. Hun schuine daken glimmen in het zonlicht. We zien er mensen in en uit lopen en bedenken dat dit de metro zou kunnen zijn waar we over hebben gelezen. Het lijkt ons veiliger dan blijven wandelen tussen de terreinwagens.

De vriendelijke mevrouw bij de informatiebalie legt ons uit dat we een dagkaart kunnen kopen voor 22 AED (ongeveer 5 euro) en dat we dan met alle treinen en bussen kunnen. Dat doen we. Dubai Metro; we zijn benieuwd.

Op de idioot abstracte metrokaart puzzelen we uit waar we moeten opstappen en overstappen. De brandschone lift blaast ons naar het brandschone perron en twee minuten later stappen we de brandschone metro in. Twee mannen staan gelijk op om ons te laten zitten. Dat voelt wat ongemakkelijk, maar weigeren zou misschien een belediging kunnen zijn. Dus gaan we zitten.

Na een tijdje ondergronds, verschijnen er plotseling enorme torens links en rechts. We metro-en door het Financial District. Alles wat we zien is hoog en groot. Dit is het Dubai van tv en uit de bladen. De laagbouw telefoonwinkelstraatjes bij ons hotel liggen in het oude gedeelte. Hier wordt er minder gestaard en zijn er wel degelijk vrouwen. De aanwezigheid van zoveel hoog en groot maakt ons stil en nederig. Vanaf dan ongeveer onze permanente staat van zijn. In Dubai.

IMG_0635.JPG

Dubai #1 verrassend ontvangst

Ietwat verfomfaaid komen we rond enen ‘s nachts aan in het hotel. Een vlucht van bijna zeven uur en een chaotisch druk Dubai Airport maken je niet per se mooier. Bovendien zweet ik me dood in mijn better-safe-than-sorry-lange-mouwen-lange-pijpen-lange-sjaal-outfit. De kledingvoorschriften liepen nogal uiteen op de verschillende websites die ik ter voorbereiding bezocht. Schouders, knieën bedekt behalve in het hotel, wel in de Mall, soms ook niet, eigen inzicht, ik ben in ieder geval bedekt. En heb het snikheet.

Bij de receptie is het niet heel druk, maar de man die de night shift draait is veel aan het bellen. Ik besluit een wc te zoeken, want ik moet al plassen vanaf dat we boven Iran vlogen. Onze koffers zijn al keurig op een trolley gezet en wordt bewaakt door één van de vijf (!) bell boys.

Als ik de lobby weer in wandel is het beduidend drukker. Naast mijn lief staan nu drie dames met rokjes tot net over hun venusheuvels. Hun nepwimpers raken zacht hun wenkbrauwen, elke keer als ze zwoel knipperen. Koraalrode glans glimt op hun volle lippen. Ik voelde me al niet supersexy met mijn statische KLM haar en droge vlieglippen. Nu voel ik me de in één klap de meest saaie vrouw op aarde. Mijn vriendje kijkt nogal ongemakkelijk en dwangmatig alle kanten op, behalve die van de dames. Een voor een vragen ze om “my passport” en vertrekken vervolgens uit de lobby met aan hun arm een uit het niets opdoemende zakenman.

We wisselen snel blikken uit en weten natuurlijk allebei wat hier aan de hand is. Dubai. Waar alles blijkbaar mag, ook als het niet mag. Een gedoogbeleid waarvan ik dacht dat we dat alleen in Nederland konden.

Het inchecken lukt uiteindelijk en we worden door bell boy #4 naar onze kamer geleid. De glazen lift brengt ons en onze bagage razendsnel naar de vierde verdieping van het ultramoderne hotel. De bell boy wil ons graag even de kamer en bijbehorende faciliteiten uitleggen als hij onze koffers heeft uitgeladen en neergelegd. Nou ja. Aan “ons” is wat overdreven. Het is “Sir” voor en “Sir” na. Als ik een grapje maak over de automatisch bedienbare lampen negeert hij deze vakkundig en knipoogt hij naar de “Sir”. Hij lijkt het maar vreemd te vinden dat ik uberhaupt interesse toon voor wat hij uitlegt. Hij kijkt dan ook verward als ik hem fooi geef na de tour en sluit wenkbrauwfronzend de deur bij vertrek.

Bij nadere inspectie komen we tot de conclusie dat er in deze tweepersoonskamer van alles maar één is. 1 handdoek, 1 badjas, 1 paar slippers, 1 glas, 1 tandenborstel. En dan valt ons kwartje. “Hij dacht dat ik een hoer was” zeg ik lachend. “Uh, ja. Daar lijkt het op.” Ik roep het beeld van de dames bij de receptie weer op, denk aan mijn eigen voorkomen en krijg de slappe lach. “Schat, dan denkt hij nu dat je zit opgescheept met én de meest saaie én de meest bemoeizuchtige hoer van heel Dubai”. We bellen voor extra handdoeken en drinken een welverdiende Corona onder het genot van opzwepende beats die doordringen vanuit de hotelbar.

Dubai is nu al een belevenis. En we zijn er nog maar net. IMG_0408.JPG

Vakantie Jordanië? Echt doen. (deel 4/4)

De ochtend van vertrek uit Kempinski was druk. Er waren nog vier zwembaden waar we niet in hadden gezwommen. En er moest natuurlijk uitgebreid ontbeten worden. In tegenstelling tot de eerdere hotels, waren er in Kempinski veel ‘local’ gasten. We zaten tegenover een grote ronde tafel waar vijf Jordaanse meisjes aanschoven. Twee waren helemaal bedekt. Burka style. De andere drie droegen alleen een hoofddoek. Ze dronken koffie en liepen om de beurt naar het cereal station voor yoghurt met fruit. Na het ontbijt haalden ze allemaal een iPad (2) uit hun Pradatas. Omdat ik niets verstond, mijn Arabisch is toch wat beperkt, kon ik niet goed inschatten waar de geanimeerde gesprekken over gingen. Zo van een afstandje had het een hoog zakenvrouwen gehalte. En ik schaam me er eigenlijk voor dat ik me er toch een beetje over verwonderde. Kennelijk is mijn open mind ook niet geheel vooroordeel-vrij.

Na het ontbijt was het zwemspullen aan en gaan. Twee roze zwemvleugeltjes spetterden de hele ochtend in het perfect-op-temperatuur-water van de vier overgebleven zwembaden. Zelfs de Dode Zee werd verkend. Tot aan de knietjes. Daar stond ze. Anderhalf jaar. Als versteend te kijken naar zoveel water en hardop lachend om mama met haar Dode Zee moddergezicht. Tot ze in haar oogjes wreef. Toen was het feestje voorbij.

Een beetje weemoedig belden we later de receptie. Of Achmed 1, 2 of 3 ons wilde komen halen om uit te checken. Wij wilden helemaal niet uitchecken, maar na ruim beraad hadden we besloten dat, hoe verleidelijk ook, de rest van de week Kempinski geen optie was. En dat lag dan weer aan de grote pinpascrisis. Maar daar gingen we ons niet druk om maken. Wat dan, was de grote vraag. Er stonden nog een boel dingen op ons lijstje. Woestijn, kameel, Amman, mozaïek, hamam. We hielden nog een tijdje vol dat we dat echt nog wilden doen. De realiteit was echter dat we een beetje lui waren geworden. Zo’n bedje aan het zwembad en die uberblije zwemvleugeltjes, dat hakte er best in na een jaar hard werken. ‘Gaan we nog een keer terug?’ ‘Ja, dat doen we.’ ‘Mooi. Dan blijven we voor nu even lui.’

En zo reden we terug naar Aqaba. Met nog een beetje extra aandacht voor het prachtige landschap. Naar een nieuw resort met ook best veel sterren. Daar luierden we de rest van de vakantie ongestoord onder de felle zon.

De terugreis verliep wat minder lui. Eerst dacht ik dat ik een zonnesteek had opgelopen toen ik de avond voor vertrek wat rillerig was. Al snel constateerde ik zelf ‘gewoon’ hevige koorts en iets longontstekingachtigs. Ik had meer koorts dan dat het warm was en er was niet tegen te airconditionen. De volgende dag was vroeg richting vliegveld. Rillend en zwetend (ook ijlend, zo hoorde ik later) zat ik in de taxi. Als we maar ingecheckt zouden zijn, dan zou het vast beter gaan.

Eerst een security check. Waar mijn man door de metaaldetector ging en onze tassen door de röntgen, moesten Emily en ik een apart hokje in. Voor vrouwen. Het was er donker, er stond een bank en een mini-televisie. Een kleine, vriendelijke vrouw gebaarde mijn armen opzij. Ze fouilleerde snel en geroutineerd. Emily vond het eng. Ik stiekem ook wel een beetje. Het was zo’n hokje waar je in de film niet snel meer uit komt. Wij gelukkig wel.

De manager van het vliegveld hielp ons met de rest van de procedure. Paspoortcontrole, inchecken, belasting. Belasting. ‘So now you pay sixty dinar to that lady.’ Daar verdween mijn koortsmist uit mijn hoofd. Wij wisten dat niet. En de passagiers om ons heen ook niet. Bovenal: wij hadden geen sixty. Wij hadden thirty. En Euro’s. En Dollars. En een acht niet werkende pinpassen. En één soms werkende credit card. Wij hadden een probleem.

‘No taxes, no travel.’ De manager zei het vriendelijk, maar beslist. ‘I need an ATM’ zei ik. ‘No ATM. I can change for you.’ Ik riep naar mijn man, die om onduidelijke redenen juist nu naar de toiletten zocht, dat hij zijn portomonnee leeg moest maken. Ik deed hetzelfde. Emily zette dramatisch gejengel in waar ik voor het eerst ooit blij mee was. De beveiligingsmannen probeerden haar te sussen. Dat was goed nieuws.

We kwamen vijftien Euro tekort. Ik had een idee. ‘Er stonden Nederlanders naast ons net, zoek ze!’ Ik gebaarde er wild bij. Emily’s gehuil zwol aan. Het was echt net een film.

Het werd nog filmischer toen bleek dat onze Nederlandse vrienden net aan de beurt waren voor hun laatste paspoortcontrole. Ik zag mijn man driftig praten en naar ons wijzen. Koortsige vrouw, meer huilend dan lachend met rood aangelopen kind in buggy. Twee beveiligers en een vliegveldmanager er omheen.
Ik zag de jongen zijn portomonnee pakken. Ik lachte vriendelijk. En hoorde in gedachten zo’n vriendelijk strijkkoormuziekje aanzwellen.

Met de vijftien Euro van deze aardige Nederlanders was ons valutapakketje compleet. De vliegveldmanager, hij zei toen dat het heel veel vaak gebeurde dat mensen het niet weten, ging voor ons wisselen. Even later hadden we sixty. We mochten vliegen. De volgende ochtend vond mijn man trouwens dertig dinar in zijn broekzak. Daar had hij niet gezocht.

In het vliegtuig stortte ik volledig in. De vrouw die naast me kwam zitten raakte in een lastig gesprek met haar zoon. Ze zaten niet naast elkaar en dat was wel zo beloofd. De jongen van een jaar of elf zat verdrietig in zijn stoel. ‘Ik ga daar wel zitten’ zei ik tegen de moeder. ‘Maar je dochter dan?’ ‘Die zit bij papa op schoot, dat gaat prima.’ De jongen was blij. Hij bleek autistisch te zijn en kon niet zo goed tegen onverwachte veranderingen. Hij had gezwommen met dolfijnen in Israel. Hij tekende met Emily. Ik droomde vier uur lang koortsachtig over dolfijnen, belastingen en hokjes waar ik niet meer uitkwam. Het was geen feestje, deze terugreis.

De vakantie echter, dat was wel een feestje. Daarom nog even dit:

Waarom Jordanië?
‘Waarom daarheen?’ werd me veel gevraagd als ik zei dat ik naar Jordanië ging. Het antwoord was dat het me mooi leek. Een paar jaar eerder stond ik bij de Dode Zee aan de Israël kant en werd er gewezen naar de overkant. Jordanië. ‘Dat is ook echt prachtig. Ga een keer.’

Bij het oriënteren op een zomervakantie, kwam het aantal keer voorbij. Net als eilandhoppen in Griekenland (maar al een keer gedaan), chillen in Portugal (niets mis mee) en kamperen in Frankrijk (ik kampeer niet, maar mijn man probeert het ieder jaar weer). Jordanië kwam steeds weer terug als meest inspirerende optie. Verschillende verhalen bevestigden dat het heel veilig was, erg gastvrij en veel te mooi om niet gezien te hebben. Dus we gingen.

Reisopties
Er zijn verschillende organisaties die rondreizen aanbieden. Bijvoorbeeld Koning Aap of Expeditie Kroost en Co (gespecialiseerd in reizen met kinderen). Soms in groepsverband, soms individueel (al dan niet in combinatie met een privé chauffeur).

Wij hebben de reis uiteindelijk zelf geregeld. Een los ticket via Arke Fly en hotels via Booking.com. De eerste overnachtingen hadden we al geboekt, maar ter plaatse is het heel makkelijk om overnachtingen te regelen via internet. De huurauto ook via internet, maar die maatschappij raad ik niet per se aan ;). Dat we het zelf regelden was omdat het ons wat meer vrijheid bood om ons eigen programma samen te stellen en te wijzigen waar nodig.

Hoe lang?
Het was onze eerste vakantie met Emily en we wisten niet hoe ze zou reageren op het vliegen, de temperatuur en niet thuis zijn. De Arke Fly vluchten gaan alleen op zaterdag, dus het was of 1 week of 2 week. We kozen om bovenstaande voor een week. Achteraf bleek dit veel te kort. Emily deed het fantastisch en er was nog genoeg te zien en te doen. Ik zou dus aanraden om twee week of langer te gaan :).

En met een kind?
Ja. Met een kind. Zeker. Jordanië is heel erg gastvrij, veilig en ze zijn dol op kinderen. Emily trok veel aandacht met haar blonde koppie. ‘Waarom heeft dat kindje geel haar?’ vroeg een Arabische tweejarige aan zijn vader :).
Het was warm, maar Emily leek daar weinig last van te hebben. Dit is natuurlijk per kind verschillend. Vanzelfsprekend is het heel belangrijk om constant te smeren, zonnehoedjes te gebruiken en veel te laten drinken. Emily had voor Jordanië geen inentingen nodig (wij trouwens ook niet).

Qua eten hebben we ‘op safe’ gespeeld en zelf alles meegenomen voor haar. Gewoon kant en klaar maaltijden, van die fruitsmoothies en tussendoorreepjes. In elk restaurant waar we zijn geweest, warmden ze met liefde de maaltijd op in de magnetron. Denk er wel aan dat er geen varkensvlees in zit, of kies alles zonder vlees. We hebben zelf overigens alles gegeten en dat ging prima.

Maar dan moet je toch een hoofddoek op?
Nou, nee. Dat hoeft niet. Maar een beetje bedekt over straat, dat is wel zo respectvol. Er gebeurt niet zoveel als je wat bloter gekleed bent (vooral in Aqaba waar veel toeristen dat toch doen), maar het is niet echt de bedoeling. Ik zorgde er voor dat mijn armen en benen bedekt waren. Korte mouwen had ik wel als we onderweg waren, maar dan had ik een sjaal bij me voor de tussenstops.
In de besloten resorts werd er wel gezwommen in badpak (geen bikini). Ik liet mijn eigen zwemoutfit afhangen van wat er voor de rest rondzwom.

Echt doen dus?
Ja. Ik zou het doen. Het is een prachtig land. Ik zou niet weten waarom niet. Het moet je wel trekken, natuurlijk. En dat geldt niet voor iedereen. Maar als je nieuwsgierig bent, dan zeker gaan. En als je nog twijfelt, dan mail je maar. :)

Vakantie Jordanië deel 3: I wish I had my shoes on.

‘In 100 meters, turn left.’ Mijn man rijdt rechtdoor. ‘In 50 meters, turn left.’ Weer rechtdoor. ‘Ehm. Waarom negeren we de navigatiemevrouw? Of eigenlijk, waarom negeer jij de navigatiemevrouw?’ ‘Voor mijn gevoel moeten we de andere kant op.’ Ok. Dit wordt weer zo’n tomtomdiscussie. ‘Voor jouw gevoel was het ook maar een uur naar de Dode Zee. Volgens de rest van de wereld 3 uur.’ Mijn man heeft een bijna feilloos oriëntatievermogen. Zijn ingebouwde kompas laat hem vrijwel nooit in de steek. Behalve, gek genoeg, als hij tegen de navigatie gaat eigenwijzen. Het zorgde er al eens voor dat we te laat kwamen op een bruiloft, maar dat is een verboden onderwerp. ‘Even voor mijn beeld he’ zet ik de boel op scherp. ‘We betalen bijna 10 euro per dag voor deze navigatiemevrouw, toch?’ ‘Klopt.’ ‘Op jouw verzoek, he? ‘Klopt ook.’ Ik ben even stil. ‘Ik stel voor dat we de weg even vragen.’ ‘Hoeft niet’ is het korte antwoord. ‘Hoeft wel. Bruiloft.’ De auto wordt nogal dramatisch tot stilstand gebracht op de parkeerplaats van een restaurantje.

Tien minuten later rijden we op de goede weg, richting Amman. Estimated Time of Arrival Dode Zee: 19 uur. Het is hier vroeg donker, we maken wat vaart. We rijden door indrukwekkende woestijnlandschappen. Kleine wervelwindjes blazen zand rond. Dan gaan we vals plat omhoog. Met vol gas minderen we vaart. Vrachtwagens kruipen in slakkengang omhoog. Het berglandschap is al even indrukwekkend. Af en toe passeren we een verlaten check point.

In een dorpje stoppen we voor een meloen en wat tomaten voor Emily. Weer worden we door iedereen welkom geheten. Het is een enthousiast volk. Vanuit auto’s worden we betoeterd en bezwaaid.

De miscalculatie en de tomtomdiscussie liggen ver achter ons als we links de Dode Zee zien verschijnen. De rotsige kustlijn is wit uitgeslagen van het zout. ‘Hoe heet het hotel’ vraagt mijn man. ‘Oh ja, goed punt.’ Ik graaf in het dashboardkastje naar de boekingsbevestigingen. Uiteindelijk vind ik de goede. ‘Kempinski‘ zeg ik. We hadden het een paar week geleden geboekt. Ik vond het eigenlijk te duur, maar de rest van de overnachtingen was vrij budget, dus liet ik me over halen. Ik kon me niet goed meer herinneren wat voor een hotel het was. Behalve dus duur, maar dat waren ze eigenlijk allemaal aan de Dode Zee. We vonden wel dat we twee nachtjes luxe verdiend hadden. En dat was dat.

‘Ah hier is het al.’ Mijn man stuurt de auto abrupt naar links. We rijden de steile weg af naar beneden en worden staande gehouden door de portier. Hij vraagt om de boeking. En hij wil onze auto checken. Met een spiegel op een stokje en/of een metaaldetector loopt hij om de auto. We mogen doorrijden. Achter het imposante hek doemt een enorm complex op. Lichtbeige gebouwen tussen zorgvuldig onderhouden bomen. Veel groen, veel water. We rijden op aanwijzingen van het personeel in wit-met-kakikleurige gewaden naar de hoofdingang. Het schemert al. We parkeren voor de deur. Voor we iets tegen elkaar kunnen zeggen, wordt mijn deur geopend door een vriendelijke en niet onaantrekkelijke, ik mag dat best zeggen, Achmed. ‘Welcome madam.’ Shitshitshit. Ik kijk om me heen. De hoofdingang doet paleisachtig aan. Er staat beveiliging. Er staan auto’s waar ik met gemak een huis van kan kopen. De zandvlekken in mijn legging kleuren heel goed bij de outfit van Achmed. ‘Thank you. One minute, I don’t have shoes on’ leg ik Achmed uit. ‘We have slippers for you madam.’ Kennelijk zie ik eruit alsof ik überhaupt geen schoenen heb. ‘Well, I do have shoes. They’re just not on right now.’
Mijn man wordt ook uit de auto gelaten en maakt op verzoek de kofferbak open. Achmed 2 & 3 laden de bagage uit. Dit gaat een beetje snel allemaal. Mijn schoenen zitten onderin mijn tas. Ik word nerveus van de drie man personeel zoemend om de auto. Ik stap maar gewoon uit.
‘Valet parking’ fluister ik over de auto heen naar mijn man. ‘We moeten even alle spullen meenemen.’ ‘Wat bedoel je?’ ‘Ze gaan de auto parkeren.’ Op de achterbank zit een smoezelige Emily met stickertjes in haar haar. Op de grond liggen een meloen en drie tomaten. Ik stop ze snel in een leeg plastic zakje. Vliegensvlug rapen we wat spullen bij elkaar. Ze worden allemaal overgenomen door Achmed 1, 2 en 3. Mijn man ruilt zijn autosleutel in voor een valet card en we worden naar de ingang geleid. Ik vervloek de zesduizend zandkorreltjes, mijn rare haar en mijn afbladderende roze nagellak. Maar vooral het feit dat ik geen schoenen draag.

De beveiligingsachmed vraagt hoe onze reis was. ‘Messy’ antwoord ik, meer verwijzend naar onze staat van zijn dan onze reis. We zien er waarschijnlijk uit alsof we in één ruk uit Holland zijn komen rijden. Ik lach maar heel vriendelijk steeds. Hopelijk zonder dat er ergens een verdwaald stukje lunch tussen mijn tanden zit. Ik besluit mijn zonnebril maar niet af te zetten. Daar kan het alleen maar slechter van worden.

Onze tassen worden geopend en we gaan door een metaaldetector. Ik vind de beveiliging wat pittig en vraag me af waarom. Op dat moment wandelt een oliesjeik, dat kan niet anders, vergezeld van vier beveiligers, gewapend, naar een Mercedes waar ik denk ik wel twee huizen van kan kopen.

Emily is er ondertussen vandoor. Even de beentjes strekken op de marmeren vloer moet ze gedacht hebben. Nou, dat kan. De lobby is gigantisch. En heel erg luxe.

We krijgen heerlijk ruikende warme doekjes aangereikt van een dienblad om ons op te frissen. Het lijkt me niet de bedoeling om er ook je oksels mee te doen, maar ik vind de verleiding groot. Terwijl mijn man meters maakt achter Emily aan, snel ik me naar de balie. Ik krijg een welkomstdrankje. Grapefruitsap of lemon juice. Ik ben wel toe aan Tequila inmiddels, maar grijp het sapje dankbaar aan.

Goed, even koppie erbij. Paspoorten. Die heb ik in zo’n vakje in mijn tas. Toch? Ja. Oh nee. Ze zijn niet in zo’n vakje. ‘Sorry, sorry, bit chaotic.’ Ik lach er maar een beetje dom bij. Mijn tas uitpakken op de balie is absoluut geen optie. Luiers, vieze luiers (geen prullenbak onderweg), tampons, een bruine banaan (vergeten), een half opgegeten biologische mueslireep (ook vergeten), zes lipglosses (en geen één op!) en twee zanderige gympen. Ik moet er net zo lang doorheen graven tot ik de paspoorten heb. Ik overhandig ze aan de geduldig wachtende balieachmed. Hij wil ook mijn credit card. Voor een autorisatie. Dat mag. Ik graaf weer door de zooi en vind de kaart. De bankproblemen van de afgelopen dagen in combinatie met het astronomisch hoge bedrag dat hij wil autoriseren (de kamerprijs plus keer drie, ik zeg u: vrij pittig), maakt dat ik wat nerveuzig op mijn blote voetjes dans. Gelukkig gaat het goed. Hij kijkt zelf ook een beetje verbaasd. Ik neem het hem niet kwalijk.

We krijgen een kaart mee van het resort. Er zijn vier restaurants waarvan het Italiaanse nu nog open. Er zijn vijf zwembaden en een babybad. Ontbijtbuffet is bij de Obelisk. Er is een kidsclub ‘to babysit Emily. Though she might need two.’ Ik krijg het allemaal maar half mee en hoop dat mijn man en zijn bijna feilloze navigatievermogen beter opletten. Emily speelt inmiddels met de kameel die ze van de baliemeneer kreeg.

Als we naar buiten lopen, blijken we naar onze kamer (of suite zoals ze het steeds noemen) te worden gebracht met een soort golfkarretje. ‘If you need to go somewhere, just dial zero. We will come to pick you up. It’s pretty big here.’ Het is inderdaad pretty big. Het ritje lobby-kamersuite duurt ruim tien minuten. We kijken onze ogen uit. Waar zijn we in godsnaam beland. We zijn geen mietjes als het gaat om luxe. Vijf sterren is niet voor het eerst. Maar dit is heel overweldigend. Helemaal na het, verder prima, vergane glorie hotel van de nacht ervoor.

Sweet suite
Bij de kamersuite aangekomen, doet de golfkarachmed de deur voor ons open. Er verschijnt een suite, inderdaad. Een zitgedeelte. Een kingkingsizebed (daar is vast een beter woord voor). Een inloopkast. Een badkamer met twee wasbakken, stortdouche, bad, toilet en bidet. Voor Emily een puntgaaf, kwijlvlekvrij bedje met Winnie the Pooh beddengoed. Er staat klassieke muziek op. De suite is voorgekoeld. Er zijn zoete lekkernijen en een goed gevulde minibar ‘free of charge’. Kersje op de taart is de ruime veranda en directe toegang naar het zwembad. Het zwembad op babyfoonafstand, that is.

We proberen niet te laten merken hoe idioot we het vinden, we staan er al zo gekleurd op. Mijn man geeft onze chauffeur een flinke fooi. Als de deur achter hem dichtvalt, staan we beduusd naar elkaar te kijken. Emily kruipt in de kast en doet schaterlachend de de deur dicht en open. ‘Wat is dit? Mijn god.’ ‘Ja. Zeg dat.’ Op een kaartje op mijn nachtkastje lees ik de kledingvoorschriften. ‘Footwear’ is ten alle tijde verplicht. Check.

Ik dank mijn heldere moment vlak voor vertrek toen ik nog snel een ‘leuk jurkje’ in mijn koffer propte. Je weet maar nooit, dacht ik. Ik had verder alleen wijdvallende shirts, leggings en een te grote linnenbroek ingepakt.
We doen snel een rondje opfrissen en omkleden. We moeten haasten voor het Italiaanse restaurant. We eten in pure luxe, aan het zwembad, met uitzicht op Israël. Emily danst de sterren van de hemel op de swingende liedjes van de tweekoppige liveformatie. We drinken cocktails. We snappen er niks van.

Als de kleine showsteler ligt te slapen (niet in de kast zoals ze eigenlijk wilde), gaat mijn man nog even zwemmen. ‘Als je uit het water komt, komen ze je een handdoek brengen.’ We drinken wat minibarbier en slapen de intensieve dag van ons af in kingking.

Your glasses, please
De volgende ochtend zijn we vroeg wakker. We drinken koffie op de veranda terwijl Emily haar kameel rondleidt. Daarna is het tijd voor het ontbijtbuffet. Al net zo idioot als de rest. Champagne, vers fruit, keuze uit vijftig verschillende broodjes, een ‘cereal station’ dat twee meter beslaat. Met keuze uit vier verschillende soorten melk. Gerookte zalm, honing direct van een honingraat. Met een geweldig uitzicht. Ook nog.

Er zit nog maar één ding op de rest van de dag: alle zwembaden uittesten en ultiem relaxen. Ik zie dat bikini’s hier ‘mogen’. Het voelt echter een beetje vreemd, zo tussen de volledig geklede dames, dus ik besluit een hemdje aan te houden als ik het zwembad instap dat optisch overloopt in de Dode Zee. Als ik het water weer uitkom, staat er inderdaad iemand klaar met een handdoek. Er zijn flesjes gekoeld mineraalwater klaargezet. Emily durft voor het eerst ook helemaal het het zwembad in. We zijn nu kiddypoolliggers geworden. Ze vermaakt zich opperbest. Gedurende de ochtend worden we voorzien van cocktails, weer van die heerlijk ruikende doekjes, maar nu met ijs. Er worden schijfjes komkommer uitgedeeld als verfrissing. Toppunt is de jongen die mijn man vraagt om zijn ‘glasses’. Hij bedoelde niet de lege glazen. Hij bedoelde zijn zonnebril. Die wordt zorgvuldig voor hem schoongemaakt. We krijgen de slappe lach. Je kont afvegen. Dat is het enige dat je hier zelf doet.

Twee nachten verblijven we in de onbeschrijfelijke luxe van Kempinski. We tanken alle drie bij van de pittige eerste dagen. Van het pittige afgelopen jaar. We smeren ons in met Dode Zeemodder en dobberen het vervolgens van ons af. We bruinen ons aan de Midden-Oostenzon.

Maar ook aan de Kempinskidroom komt een eind. Voor de laatste nachten hebben we nog geen hotel geboekt. We willen eigenlijk nog naar Amman en de Wadi Rum woestijn bezoeken. Maar eigenlijk willen we vooral niet weg. Kempinskiluxe. Het is verslavend. Toch moeten we er aan geloven: een plan voor de laatste dagen Jordanië.

Kempinski Ishtar Dead Sea

Prachtig Petra en een kleine miscalculatie. Vakantie Jordanie deel 2.

‘Donkey ride, madam?’ ‘No thanks, we will walk.’ We lopen door het mulle zand, vol met stenen. Ik sleep een buggy achter me aan, terwijl Emily op mijn mans nek ‘Paat, paat’ gilt naar de ezels en kamelen. Ik denk even terug aan vroegere vakanties. Het twee week zonnen in een goedkoop Turks resort. Dat ik ‘s ochtends opstond, een douche nam, me zorgvuldig opmaakte, een kwartier deed over het uitzoeken van mijn bikini, alle tijd nam voor het fohnen van mijn haar om vervolgens bij het zwembad neer te strijken en een cocktail te bestellen. Ik kwam niet van mijn plek, alleen om even af te koelen in het blauwe water. Wel zonder haar of hoofd nat te maken, natuurlijk.
Nu ploeter ik op gympen door een woestijnachtig landschap. Op mijn grijze legging zitten gele zandvlekken van Emily’s schoentjes. Op mijn rok trouwens ook, maar de paarse viltstiftstrepen trekken meer aandacht. Het beetje mascara dat ik die ochtend had opgedaan zit vooral onder mijn ogen door het vele zweten. Mijn rug is kletsnat. Het is een wereld van verschil. Maar met liefde. We wandelen door Petra. Één van de wereldwonderen. Een stad uit steen.

De reis van Aqaba naar Petra verliep vlekkeloos. Onderweg zwaaiden mensen enthousiast. We stopten twee keer om Emily te verschonen en wat te drinken. De tweede stop was bij ‘the third view of the world’. Het was inderdaad adembenemend. Toen we een foto wilden nemen, werden we door de baas uitgenodigd voor een kopje thee. Hij zat in zijn winkeltje, op een bank en droeg een jongen op de thee te halen. Emily was onder de indruk van zijn Arabische dracht. Een wit gewaad, een soort hoofddoek. Hij zat er bij als een Arabische koning. We dronken thee en kletsten wat. Hij vertelde dat het toerisme zo terug was gelopen. Vooral door de toestanden in de omringende landen. ‘Everything is safe here. I don’t understand. They think it’s all the same.’ ‘One pot wet’ binnenpret ik. ‘Well, it’s not.’

Na twintig minuten vervolgen we de roadtrip. Een klein uurtje later zijn we in Petra. Het hotel vinden we snel. Drie sterren, vergane glorie. Ik hou er wel van. Ik vermoed dat het ooit een goedlopend zakenhotel was. Er is een imposante lobby, maar er zit niemand. Er staat een metaaldetector tegenover een draaideur met geblindeerde glazen. Het hangt scheef en is buiten werking. Het meisje bij de receptie bergt snel haar Blackberry op. Ze heet ons most welcome en geeft ons de sleutel. De tassen worden naar onze kamer gebracht. Het is wat kleiner dan verwacht, maar goed te doen. We installeren Emily’s bedje en gaan een wandelingetje maken. Op zoek naar een restaurantje en misschien, als we geluk hebben, een biertje.

Dat biertje komt er. Een Irish pub achtig kroegje verkondigt groots de verkoop van allerhande bieren. Alcohol is schaars in Jordanie. Alleen grote (lees: dure) restaurants en hotels krijgen een vergunning. En in de supermarkt hebben we het helemaal nog niet kunnen ontdekken. Dit schimmige kroegje hoort bij het Petra Palace hotel met een onbekend aantal sterren, maar zeker tien vlaggen aan de voorgevel. Het is klein en donker en we zijn de enige gasten. Het voelt een beetje stiekem als we proosten met twee enorme glazen Amstel.

Later eten we bij ‘The Oriental’. Inderdaad Orientaals aangekleed, maar daar is op de menukaart niets van terug te zien. Ik vraag naar het allerlekkerste uit de keuken. We eten heerlijke lam en kofta. Emily krijgt haar Olvaritmaaltijd gloeiend heet uit de magnetron. De ober is dol op Emily. Dat zijn ze hier eigenlijk allemaal. Er komt geen man of vrouw voorbij die niet een klein lachje probeert te ontlokken met een spelletje of een ‘psssssst’. Emily giert het uit om de ober en zijn grappen.

We besluiten direct te gaan slapen als we terug zijn in het hotel en de wekker te zetten zodat we vroeg, als in voor het heetst van de dag, Petra kunnen bezoeken.

Stipt acht uur staan we bij de information centre. We hebben alleen geen cash en credit card doen ze niet aan. De dag ervoor hebben we gebeld met de bank. Het is een mysterie waarom we niet kunnen pinnen. Als tussenoplossing is er wat limiet verhoogd. We hebben maar besloten dat het goedkomt. Emily en ik blijven in de schaduw wachten. Ik klets met Abdullah over zijn twee kinderen. Ze schelen elf maanden. ‘Well, it happened. Just leave it at that.’ Ik krijg een kopje thee en Emily scharrelt wat rond. Na drie kwartier, kennelijk doet mijn credit card het ook niet overal, komt de man met het geld de berg over en kunnen we naar binnen. Kon prima met een buggy, aldus de information centreman.

‘Kon prima’ was wat optimistisch. Zand, stenen, rotsen, keien. Het is een uitdaging. Just leave it at that. Het is een eindje lopen naar de ingang. Imposante rotspartijen met daartussen een weggetje naar het eerste ‘ding’. Het is er koel en heerlijk stil. Er komen twee jongetjes aangelopen. Ik schat een jaar of 7 en 9. Ze verkopen ansichtkaarten. Een doosje voor 1 Dinar (1 euro). We bedanken. Ze beginnen wat grapjes te maken met Emily. Het kleinste jongetje geeft haar een kaartje. ‘A present for the baby.’ Ik bedank hem en zoek een stift in mijn tas. Ik vraag hem zijn naam en die van zijn vriend op te schrijven. Hij lacht en krabbelt fanatiek Arabisch in het paars. ‘Ephraim. That’s my name’ en hij wijst naar het linker zinnetje. Hij spreekt ook de naam van zijn vriend uit, maar dat is te Arabisch om te onthouden. ‘Wait, wait’ en hij pakt de buggy. ‘I push the baby.’ Vrolijk duwt hij de buggy. Hij vertelt dat hij ‘Bedouin’ is, maar wel naar school gaat. Trots demonstreert hij hoe goed hij kan tellen. Hij heeft nog twee zussen en drie broers. Ze gaan allemaal naar school. We wandelen drie kwartier en hij wijst steeds sculpturen in de rotsen aan die we volledig over het hoofd gezien zouden hebben. Als we bij de echte ingang komen, nemen ze afscheid. Ik geef hem wat kleingeld. Euro’s, want onze Dinars zijn nog niet gebroken. Hij vraagt nog of we een foto willen nemen met hem, zijn vriend en Emily. Dat willen we. Hand in hand lopen Ephraim en zijn vriend met moeilijke naam weg. Voor ons staat een gigantisch uit steen gehakt gebouw. Daarvoor twee kamelen. Emily stapt er dapper op af. We zijn erg onder de indruk. Nietig en klein zo naast een rots waar we wel 100 keer inpassen. Ik vraag me af hoe Emily zich dan wel niet moet voelen. ‘Hier is die Indiana Jonesfilm opgenomen’ roept mijn man enthousiast. ‘Is dat met Brad Pitt’ vraag ik. Ik krijg geen antwoord.

Drie uur slenteren we door het onbeschrijfelijk mooie Petra. Alles uit steen, het is zo moeilijk te bevatten. Als Emily wakker wordt uit haar zeldzame buggyslaapje, besluiten we terug te wandelen. Het is inmiddels na de middag en een stuk warmer. ‘Terugwandelen’ betekent een bikkeltocht van 1,5 uur. Mijn man neemt Emily op zijn nek en speelt kameel. Of ezel. De tientallen ritjes op paard, kameel en ezel slaan we af omwille van het gehoor van zowel de mensen als de dieren om ons heen. Emily vindt ‘paat’ leuk van een afstand. Niet als vervoersmiddel, zo weten we.
‘She already has a donkey ride’ roep ik naar de zoveelste ritjesverkoper, wijzend naar Emily die fanatiek op mijn mans hoofd drumt. ‘No, no!’ roept de verkoper streng. Even ben ik bang dat ik op mijn lazer krijg omdat ik mijn man beledigde. ‘He’s more like a camel.’ We lachen allemaal.

En zo liepen we daar. Met 40 graden en onder het zand. Enorm genietend van het moois dat we zagen. Dat opgemaakt luieren aan de Turkse kust was ook heerlijk, maar wat ben ik blij dat ik dit nu meemaak.

Nog een beetje blijer was ik toen we zonder uitdrogingsverschijnselen weer bij The Oriental aanschoven voor lunch. ‘We survived Petra.’ Mooie T-shirt tekst.
We vragen aan de ober hoe lang het rijden is naar de Dode Zee, onze volgende stop. ‘About 3,5 hours’ zegt hij. Ik verslik me in mijn sinas. ‘Jij zei een uur’ sis ik naar mijn man. Ik kan dat goed, sissen. ‘Ja. Het verbaast mij ook een beetje.’ Ik slik zo’n 10 andere sisjes in en vraag de rekening. ‘Laten we maar snel gaan dan.’ Ik vond het een goed idee. We slaan nog snel wat water, chips en fruit in. Geen tijd meer om ons op te frissen. Ik schop mijn schoenen uit, geef Emily en banaan en we zijn weer ‘en route’.

Dat met die schoenen, daar krijg ik later nog spijt van. En van dat niet opfrissen ook.

Welcome to Jordan. Vakantie deel 1.

‘Rij 217’ noteer ik in mijn iPhone op aangeven van de minstens 20 bordjes tot aan rij 217. Schiphol Langparkeren. Die zijn van het vooruitdenken. Emily heeft niet meer geslapen. We hebben haar om 1:30 uit haar bed getrokken en met papfles in haar autostoel gegooid. Twee uur lang zong ze dapper liedjes. Ze gaat voor het eerst op vakantie.

We vouwen ons in een pendelbus naar de vertrekhal. Twee koffers, een buggy en wij alledrie een tas handbagage. Emily vindt het spannend, al die mensen in de bus. Ze klemt zich stevig aan me vast terwijl ze iedereen scherp in de gaten houdt. Uit haar kleine rugzakje, speciaal voor de gelegenheid gekocht, haal ik een velletje stickers. We krijgen er allemaal één op onze wang. Papa twee. Een wondermiddel, die stickertjes.

Incheckbalie 19-20. Het is niet zo druk. Emily begint haar geduld alleen een beetje te verliezen. We proberen drinken, rozijntjes, een broodje. Pas als ze een stift krijgt waarmee ze haar sok in kan kleuren, is ze wat rustiger. We checken in en al kleurend gaan we door de paspoortcontrole. We mogen mee. So far so good.

Het tax free shoppen is aan Emily absoluut niet besteed. Ze wil niet meer in de buggy, ze wil niet opgetild worden, ze wil al helemaal geen handje. Wat ze wel wil, is 5 flessen Drambuie tegelijk uit het schap tillen. En toen dat niet mocht, haar buggy tegen de Whiskystelling aanbeuken. En toen dat ook niet mocht, krijsend op de grond liggen. Tot verschillende oh’s en ah’s van toeschouwende vrouwen. Bij elkaar opgeteld hadden mijn man en ik 4 uur geslapen. Dan trekken wij dat minder goed. Onder luid protest wordt Emily weer vastgesnoerd in de buggy. Ik geef haar stift weer terug met de mededeling dat ze alleen haar eigen sokken in mag kleuren. We lopen snel richting de gate. Als dit maar goedkomt in het vliegtuig, denken we allebei.

Bij de gate leveren we de buggy in en mogen we gelukkig als eerste boarden. Mijn repertoire afleidingsliedjes begint uitgeput te raken en Emily’s geduld is, volkomen terecht, nu onder nul.

Zodra we zitten, wordt ze rustiger. We krijgen speciale baby instructies. Emily moet 4,5 uur op schoot blijven zitten. Dat is langer dan alle schootzitsessies van haar hele leven bij elkaar opgeteld. ‘Kijk Em, nog meer stickertjes.’ We hopen maar dat het er genoeg zijn.

Na een half uur in de lucht valt ze als een blok in slaap. En wij ook.

Als de landing wordt ingezet, begin we met ons drinkoffensief. Dat landen is matig voor je oren, als je drinkt kan dat helpen. Om de halve minuut hou ik een flesje appelsap voor haar neus. ‘Oooooh lekker, appelsap! Drink maar een beetje. Mmmmmm.’ Na vier keer is ze er klaar mee. Agressief slaat ze het flesje uit mijn hand. Richting de zuurpruimbuurvrouw. Die kijkt nu nog zuurder. Ik ben niet echt het type die zich daar heel erg druk om kan maken. Het was appelsap (geen rode wijn), de broek was lelijk, het was niet expres. Ik hoor mijn man zijn excuses aanbieden en besluit mijn input voor me te houden. Emily had niet eens last van haar oortjes. Of liet het in ieder geval niet merken.

We stappen het vliegtuig uit. Een muur van warmte komt ons tegemoet. 35 graden. Minstens. ‘Welcome to Jordan’ heet de douane ons welkom.

Desert horizon, we have a problem
De bagage is er snel. Na zo’n tien minuten staan we buiten. Eerste prioriteit is Emily insmeren. De zon is heftig. Ik vervloek mijn zwarte shirt met lange mouwen. Leermomentje.

Ik zoek naar de vouchers van de huurauto. Op dat moment komt er een man op ons aflopen. Oranje shirt. ‘Desert Horizon’ vertelde het logo ons. ‘Need a rental caaaar?’ Ik leg hem uit dat we er al één hebben gereserveerd. Bij hem. Ik laat hem de voucher zien die ik tussen de luiers en stickervellen uit mijn tas heb geplukt. ‘Ah ai see’ zegt hij als ik op het logo wijs. ‘Well, heer iet ies.’ Hij wijst op een stoffige bordeauxrode Renault. ‘Iet ies a Renoot.’ Ik ben geen autovrouw en mijn man geen automan, dus we vinden het allang best. Als het airco heeft, veilig is en werkt, zijn wij tevreden.

‘And the baby seat?’ vraag ik. ‘Ah joe need a baby seat?’ Ik had al wel eens gelezen dat het reserveren van kinderstoeltjes niet altijd goed gaat, dus we hadden geen reden om ons zorgen te maken, vond ik. Ik wissel snel een blik uit met mijn man en richt me weer tot de, zo leer ik later, Tsjetseen met oranje shirt.
‘So what doe wie doo?’ vraagt hij aan me voor ik iets kan zeggen. ‘I don’t know’ zeg ik terwijl ik een hulpeloos gebaar maak met mijn armen. Hij gaat bellen. Drie telefoontjes later, het zweet druppelt op zijn shirt, vertelt hij me dat we naar zijn kantoor rijden in Aqaba. Daar staat misschien een stoeltje. De koffers worden in de huurauto geladen, mijn man besluit daar in te stappen. Ik wurm me op de achterbank van de andere auto met Emily op schoot. Het moet maar, maar heel tof voelt het niet. Ik vraag het oranje shirt om voorzichtig te rijden. ‘Yesyes madam.’
Onderweg probeert hij me wat uit te leggen over Jordanie. ‘We haf toe sees. Tse dead see and tse……’ Hij kan er niet opkomen. ‘Red sea?’ vraag ik. ‘Yes! Over tsere.’ En inderdaad.

Ik moet zeggen dat hij inderdaad voorzichtig rijdt. Af en toe kijk ik achterom om te kijken of de stoffige Renault ons nog volgt. Hij vertelt over zijn Tsjetseense afkomst en zijn twee kinderen.
Na zo’n twintig minuten komen we aan bij het kantoor. Hier wordt al snel duidelijk dat er geen kinderstoeltje is. Er moet een plan worden bedacht. En snel, want inmiddels zit Emily gillend op de achterbank van de Renault, knalrood aangelopen, snot overal. Moe, boos, hongerig en oververhit. We hebben geen eten, geen water, geen geld en naar het lijkt ook geen auto. Ik beleef een minipaniekmomentje. ‘We moeten naar het hotel nu’ zeg ik tegen mijn man. ‘We have to go to the hotel. Like now’ zeg ik vervolgens tegen de Tsetsjeen, wijzend naar Emily. ‘Okok, no problems. Wie find babyseat and bring car tsoemorrow morning. Wie bring joe toe tse hotel. Wiech hotel?’ De zorgvuldig uitgeprinte boekingsbevestigingen zijn spoorloos. ‘Red Sea Dive Centre’ zeg ik nadat ik me herinner dat ik ook een foto van de boeking op mijn iPad had staan. Ik laat het hem zien. Emily is ondertussen wat gekalmeerd dankzij het kordate optreden van mijn man. ‘Visje, visje in het water’ klinkt het vanuit de auto. ‘Okeej, letsgow.’

De Arabisch sprekende hulpautoverhuurder stapt in de huurauto. Ik pak de laatste spullen over en stap ook in. De auto start niet. ‘Shmall problem’ zegt de man. We worden aangeduwd. We rijden. Mijn laatste beetje hoop op de huurauto verdwijnt achter de desert horizon. Dit komt misschien wel niet goed.

Red see. Not royal.
‘Royal Dive Centre’ zegt het bord. Daaronder iets met ‘Navy’. ‘Dit klopt niet hoor’ zeg ik tegen mijn man. Bij de ingang moeten we onze paspoorten aan de militair laten zien. Links staat een bordje ‘Saoudi border: 5 km.’ ik voel me heel ver van huis. En ik heb dorst.
In het hotel zeggen ze dat het klopt. Ik zeg de chauffeur dat het volledig anders heet, laat de boeking nog een keer zien. Hij zucht en verzekert dat het goed is. De spullen worden uitgeladen en hij vertrekt. ‘Sie joe tsoemorrow.’

Bij de receptie, waar we na een kwartier pas geholpen worden, hoe Royal is dat, blijkt het inderdaad niet te kloppen. ‘This is the wrong hotel’ in vlekkeloos Engels. ‘Well, that’s just wonderful. Really’ zeg ik, inmiddels flink pissig. De man beseft dat zijn collega een fout heeft gemaakt. Aan de balie zeiden ze dat het klopte. Hij probeert ons gerust te stellen en biedt aan ons naar het goede hotel te brengen. Over drie kwartier. Dat lijkt ons een prima plan. Hij wijst ons naar de bar en we tanken Emily bij met water. Die is ondertussen weer haar eigen blije zelf en roept ‘Hiii’ naar iedereen die langsloopt.

Een uur later zitten we aan het goede zwembad, met de goede ruime kamer in het goede kleinschalige hotel en drinken we hele goede verse orange juice. Emily slaapt na een korte krijssessie die ver over de Saoedische nog te horen moet zijn geweest. Het waren ook wel heel veel indrukken.
Wij komen bij. Het was een wat rommelig begin, maar we kunnen geen andere conclusie trekken dan dat de mensen in ieder geval heel erg vriendelijk zijn. We zijn ‘most welcome to Jordan’ en Emily vinden ze ‘adorable’.

De planning is: morgen naar Petra. We besluiten dat het met de huurauto even afwachten is en dat we anders wel iets anders regelen. Dat we nu eerst gaan genieten van de rust. Ik sla mijn boek open en weet: vakantie.

Show me the money
De volgende ochtend zijn we vroeg wakker. We hebben wonderschoon geslapen en beginnen de dag uitgerust en met 30 graden. We ontbijten bij het zwembad. ‘We hebben eigenlijk nog geen geld, he?’ De pinautomaat op het vliegveld had niet gewerkt. Mijn man besluit op zoek te gaan naar een ATM. Samen met Emily gaat hij op onderzoek uit, terwijl ik alvast wat spullen inpak.
Het duurt lang. Een uur, minstens. Eindelijk zijn ze terug. Zonder geld. Abdul, de hoteleigenaar had aangeboden ze even te brengen. Geen van de drie geldautomaten hadden gewerkt. Ondanks de juiste logo’s. ‘We moeten zo, als we de auto hebben, maar even Aqaba in. Daar zijn meer banken.’

De auto wordt stipt op de afgesproken tijd voor gereden. Goddank een andere. Van een andere rental company, met babyzitje en airco. De man van Desert Horizon biedt zijn welgemeende excuses aan. Het was een rotzooitje. Maar hij wilde ons niet zonder auto laten zitten, dus zijn collega zou het overnemen. Zelfde prijs, zelfde voorwaarden. We bedanken voor de goede service en nemen dankbaar de sleutels in ontvangst. We kunnen gaan. Op naar Petra. Via een ATM.

In Aqaba centrum is het druk. Veel winkeltjes, veel gesluierde vrouwen en traditioneel geklede mannen. Ik ben blij met mijn lange broek en lange mouwen. Er hangt een ontspannen sfeer.

Ik sta in de rij bij één van de drie ATM’s die deze straat rijk is. Man en Emily staan dubbel geparkeerd achter mij. Het werkt niet. Er komt geen geld. Ik probeer de volgende. Mensen heten me welkom en vragen hoe het gaat. Of ze me kunnen helpen.
‘This request could not be processed’ zie ik met acht verschillende pasjes voorbij komen. Ik besluit mijn credit card te proberen. Maar die pincode staat in mijn telefoon. En mijn telefoon ligt in de auto. De auto. De auto is weg. Ik loop een stukje terug, kijk in een zijstraat. Ik loop de hele straat af en kijk in alle zijstraten. Geen wit autootje. Geen telefoon. Niks. Alleen acht pinpasjes.
‘Ok. Rustig blijven en vooral blijven staan’ zeg ik tegen mezelf. Ik tuur de straat af, ga elke auto af. Dan hoor ik een man fluiten en roepen. Hij gebaart naar de overkant van de straat. Daar staat een wit autootje waar een witblond koppie bovenuit steekt. Gevonden. Gelukkig.

We pinnen, kopen brood bij een klein bakkertje, tanken en zijn ‘en route’. Dat we maar heel beperkt budget hebben met het weigeren van al onze passen, negeren we even. We gaan een wereldwonder bekijken: Petra. De rest komt wel goed. Emily schatert het uit. En dan kan er ons niks gebeuren.

Antilliaanse minuutjes

‘Ik bel wel een zwarte taxi voor je, dat is goedkoper.’ Ik denk even na. ‘Hij is ok, ik ken hem goed.’ ‘Goed, doe maar.’ Het zou een kwartier moeten duren.

Een Antilliaans kwartiertje duurt een uur. Het meisje van het restaurant belt nog een keer. ‘De stad is afgezet voor carnaval, hij is er met drie minuten.’ Een Antilliaanse minuut duurt vijf minuten. Typisch zo’n wisselkoers waar je te laat achter komt.

Dan komt er een grote groene Jeep voorrijden. John stelt zich voor. Hij legt mijn koffer op de achterbank. ‘Helemaal vooraan gaan zitten.’ Op de passagiersstoel dus.

John geeft me zijn kaartje. Hij houdt zijn pitch. Als ik ooit terugkom, bel ik hem en regelt hij een goedkope kamer in een duur hotel of een appartement voor mijn vriendinnen. ‘Niet kwijtraken. Mensen raken het kwijt en hebben dan spijt.’ Hij moet lachen omdat het rijmt. Ik stop het kaartje in mijn portemonnee.

‘Staat de muziek te hard?’ Ik knik van niet. ‘Goeie boxen’ zeg ik. Hij vertelt over de muziekinstallatie. De boxen zitten overal. Hij draait aan de volumeknop. Deze installatie is beter dan die van mij thuis, bedenk ik me.

John hoeft geen gaten te ontwijken. Zijn jeep zoeft overal overheen. De ramen staan open. Door de wind en muziek heen vertelt hij dat zijn auto laatst is opengebroken. ‘Die klootzakken hebben al mijn CD’s gejat. Nu heb ik alleen nog maar stickjes.’ Hij vertelt dat hij van dansen houdt. En dat alle meisjes dan naar hem toe komen op de dansvloer. Hij kan wel zes uur achter elkaar dansen. ‘Welke muziek dans je op dan?’ Alles. Maar het liefst op Disco. Hij trekt de USB stick uit zijn autoradio en duikt onder zijn stoel op zoek naar een andere. De berm komt gevaarlijk dichtbij.

Net op tijd komt hij omhoog en stuurt bij. Als hij de stick in de radio doet, galmt er Saturday Night Fever uit de boxen. Hij lacht en danst op zijn stoel. Ik lach ook.

Hij doet me een beetje aan mijn vader denken. Zelfde manier van bewegen. En die danste ook nog de hele nacht op zijn veertigste. Daarna trouwens ook nog. Niet op disco. Mijn vader was van de rock and roll, Stones enzo. Ik herinner me een keer uit eten. Ik trakteerde. Daarna was er een live band. Samen dansten we de hele nacht en dronken we iets sterks. Wodka, of misschien wel whisky. Niet helemaal pedagogisch verantwoord. Wel onvergetelijk leuk.

John rijdt hard. De wind blaast mijn haren droog. Hij vertelt een onsamenhangend verhaal over zijn nieuwe businessconcept. God heeft mij op zijn pad gebracht. Hij heeft webadvies nodig. Ik moet hem echt mailen, God heeft mij op zijn pad gebracht, namelijk.

Ik betaal John en bedank voor de ‘safe trip’. Hij tilt mijn koffer uit zijn jeep. Ik blijf even kijken terwijl hij wegrijdt. De bas dreunt nog lang na.

Goed. Vliegveld. Inchecken. Er is geen rij. Het inchecken duurt precies 1,5 minuut. Daarna koop ik een blikje Arizona kiwi-mango en een veel te dure mueslireep. Ik geniet buiten nog even van de laatste zonnestraaltjes en drink de halve liter supergezond fruitsap met maar 100 calorieën en 0,0 toegevoegde suikers (ik verveelde me). Ik heb direct spijt. Van 0,5 liter Arizona kiwi-mango moet je vaak plassen. Vaak plassen op een vliegveld is kut.

Next stop: security. Next next stop: tax free walhalla. Ik koop een kadootje voor mijn zusje. De jongen die het afrekent vraagt waar ik vandaan kom. ‘Sweden?’, ’Italy?’. ‘Holland’ antwoord ik. ‘Ah. You Europeans all look the same. You all have the same eyes. But yours I’ll remember.’ Hij lacht vrolijk. Ik lach terug. Slechte tekst, leuk gebracht.

Het is nog anderhalf uur wachten op de vieze stoeltjes van Hato airport. Ik lees wat in Giphart (Ijsland) en kijk mensen. Vooral op vliegvelden is het leuk mensen kijken. Iedereen wacht, iedereen is meer of minder chagrijnig. Heerlijk.

We boarden. We vliegen. Ik val in slaap bij ‘It’s complicated’ en kijk met bewondering ‘Alice in Wonderland’. Daarna ‘Friends’ en ‘Two and a half men’. Af en toe klets ik wat met mijn buurmeisje. Een stuk relaxter dan mijn BFF van de heenreis.

De vlucht gaat snel, ondanks dat ik maar een uurtje slaap. Om half twaalf landen we op Schiphol. Ik pak mijn spullen. Veel spullen, met dank aan de tax free walhalla. Al in de slurf komen de drugshonden ons tegemoet. Ik had Herdershonden verwacht, maar het is een soort grote Bouvier. Honden, daar heb ik het niet zo op. Maar ik vind het niet zo’n goed moment om er heel nerveus over te doen. Hij rent op mij af en daarna nogal hysterisch door de menigte.

Dan een douanefuik. Vijf man staan er om iedereen te ondervragen over hun whereabouts en whyabouts. ‘Goedemorgen mevrouw. U reist alleen?’ ‘Klopt’ antwoord ik. ‘Vakantie?’ ‘Vakantie.’ ‘Ik heb een vriendin bezocht’ voeg ik er aan toe. Hij bekijkt mijn paspoort. Dan mij weer. Ik bedenk me dat ik er na 24 uur wakker, 8 uur in een vliegtuig, met coupe johnsjeep en waarschijnlijk mascara op mijn wangen niet uitzie alsof ik 10 dagen heerlijk heb liggen relaxen. Eerder alsof ik nachtenlang heb staan schuren met wildvreemde Antilliaanse drugsdealers. Echt bruin ben ik ook niet. Ik lach zo vriendelijk mogelijk. ‘Wat doet u voor werk in Nederland?’ Weer lijkt de coolsultantgrap niet op zijn plek. ‘Ik werk bij een internetbureau.’ Ai, denk ik. Te vaag.

Ik mag doorlopen. Daar wachten nieuwe douanejongens. Mijn spulletjes gaan door de X-ray. Er wordt me niets gevraagd. Ik doe mijn haar in een staart en neem me voor om mijn mascara wat bij te werken. Of in ieder geval van mijn kin, waar het vast ook zit, te poetsen.
De bagageband waar ik mijn koffers moet halen is afgeschermd met hekken. Mijn koffer is er snel. Weer een x-ray. Zo nonchalant mogelijk en een stuk frisser dan daarvoor loop ik langs de nieuwe douanemannetjes. Helaas. Ik moet mijn koffer openmaken.

Ze pakken mijn koffer uit. De hele tafel ligt vol met mangosmoothierokjes, ondergoed, bikini’s en smoezelige kleren. En 15 boeken. Of ik die allemaal had gelezen. Nee. Ze worden met aandacht bekeken. Handbagage mag ook uitgepakt. Joy. Ik zie de andere passagiers kijken. Ik beantwoord veel vragen. Ze vinden niks en willen mijn koffer weer inpakken. Tja. Dat gaat niet zomaar. Met z’n drieën lukt het de koffer weer dicht te krijgen. ‘Bedankt voor je medewerking.’

Ik loop naar de aankomsthal. Mensen met ballonnen en spandoeken staan te wachten op hun vrienden, familie en geliefden. Ze kijken allemaal een beetje teleurgesteld dat ik door de schuifdeuren kom. Tja, part of the game, denk ik. Bovendien is de teleurstelling geheel wederzijds, want ik zie geen ballonnen of spandoeken of drumband.

Dan hoor ik mijn naam. Daar staan ze: man en kind. Emily kijkt de andere kant op. Daar zijn namelijk mooie ballonnen. ‘Popje!’ Ze kijkt om. Ik was een beetje bang dat ze niet direct heel enthousiast zou reageren, dat ze even moest wennen. Nee hoor, ze strekt haar armpjes naar me uit en lacht haar prachtige Emilylach. Ze houdt haar armpjes stevig om mijn nek terwijl ze af en toe even kijkt of ik het echt wel ben. Dan ziet ze de ballonnen weer. ‘Die, die.’ Eerst een group hug. Een brok in mijn keel. En dan uitgebreid alle ballonnen inspecteren. Tijd zat. Ik doe aan Antilliaanse minuutjes.

————

Thuis. Al een week. En Antilliaanse minuutjes zijn er niet meer bij. Behalve vanochtend dan, toen ik me versliep. Direct een drukke week. ‘Dit is niet handig’ zei ik hardop toen ik mijn werkagenda zag. Dat moet maar even anders de komende tijd. Want 10 dagen rust is heerlijk en de man met de hamer staat inderdaad nog op het vliegveld. Maar ik ga er voor zorgen dat ie daar ook blijft.

Naar huis

‘Het is zo stil in mij’ komt er uit de boxen. De ochtendzon is fel. Het wordt een warme dag. Ik eet een croissantje met jam en drink een latte. Wilhelminaplein. 9 u deze tijd.

Gister zijn Linda en ik naar Grote Knip geweest. Eerst langs de supermarkt. Blikjes watermeloensap en guave-orange juice. Broodjes. Meloen. Bananenchips. De boodschappen worden door de Antilliaanse jongen keurig ingepakt. Daarna loopt hij voor een gulden mee naar je auto. Handig. Maar het voelt ook een beetje raar.

We rijden in de middle of niks. Prachtige omgeving. Cactussen, gekleurde huisjes in een groen landschap. Soms rijden we onder een boogje van bomen. Ik ontwijk de gaten in de weg inmiddels vakkundig.

Dan gaat de weg ineens 10 meter steil omhoog. Geen grap. ‘Dit is de achtbaan, hou je vast.’ ‘Ja jij ook’ antwoord ik. Niet nadenken, niet nadenken. Ik schakel terug en geef gas. ‘Het zijn er maar drie.’ Slik. Bovenaan de, tja, heuvel gaat de weg zo mogelijk nog rechter naar beneden. En gelijk daarna weer omhoog. Idioot. Maar het lukt.

Niet lang daarna komen we bij een parkeerplaats. We pakken onze spullen en lopen richting Grote Knip. En daar is het mooiste uitzicht dat ik ooit zag. Felblauwe zee in twee tinten zover als je kan kijken. En rechts een wit strand met palmbomen. ‘Holy moly’ hoor ik mezelf zeggen. Slechte tekst, denk ik vlak daarna.

We betalen onze bedjes en slepen ze zelf naar een parasol. Ik mis de jongen van de supermarkt. Ik raak verwend.

Ik loop naar de zee. Hier moet ik wel in zwemmen. Ondanks mijn zee-angst. Hier moet iedereen in zwemmen. Het zoute water bijt in mijn muggenbulten. Ik zie een school kleine witte visjes. Ik heb mijn veel te grote zonnebril nog op. Dat moet er debiel uitzien, denk ik. Het kan me niet schelen. Dit is te fijn.

De hele dag liggen we op het strand. Linda luistert muziek, ik schrijf een lang verhaal.

Om vijf uur rijden we terug. We stoppen bij een toko. Dat is een klein supermarktje waar je alles kunt kopen. Van DVD’s tot shampoo tot drank tot weet ik wat er nog onder de toonbank ligt. Op veel te weinig vierkante meter staan veel te veel spulletjes. We kopen chips, lokale likeur en DVD’s.

’s Avonds drink ik nog wat in Mundo Bizarre. Ik overdenk de afgelopen week. Mooi was het. Ik ben rustiger dan dat ik in jaren ben geweest.

Inmiddels zingt Whitney Houston me toe. Op het terras van het Wilhelminaplein wordt het drukker. Vanmiddag om 17u deze tijd neem ik een taxi naar de airport. Linda verklaarde me voor gek dat ik echt drie uur van te voren op het vliegveld wilde zijn. Ik vertelde over mijn ooit bijna gemiste vlucht in Tel Aviv. Dat gaat me niet nog een keer gebeuren. Deze vlucht ga ik niet missen. Ook niet bijna.

Het was fantastisch. En het was nodig. Maar nu wil ik naar huis.