Op fietse

Ze zijn ontzettend vriendelijk bij het hotel. Eigenlijk is iedereen de hele tijd vriendelijk en gastvrij en behulpzaam, maar deze jongens spannen de kroon. Omdat ik vroeg ben, is mijn kamer nog niet klaar. Hugo drukt me daarom een badhanddoek in mijn handen, wijst me naar het strand en vertelt dat op een minuutje lopen een goed restaurant zit. Hij let op mijn spullen.

Ik moet wennen aan Tulum. Iedereen die ik sprak zei dat het een absolute must-visit was. En als ik de zee aanschouw, met de visvangende Pelikanen en echte hoge golven, het zachte, witte zand, dan snap ik waarom. Maar voor de rest heb ik het nog niet helemaal door. Ten eerste is alles twee keer zo duur als op de duurste plekjes waar ik was. Kost het allemaal nog niks, maar het is wel opvallend. Op de kaart van het restaurant staan allerlei hypergezonde snacks and juices in plaats van Mexican food. Om mij heen hoor ik alleen maar Amerikanen, de tienermeisjes roddelen onafgebroken over allerlei friends and marriages, die van Maggy in het bijzonder, want zij liet een scheet op haar wedding reception (ik verzin dit niet).

Ik weet het nog even niet met Tulum. De vegan taco’s met avocado en humus laat ik aan me voorbij gaan, dan blijft er alleen pasta over en die smaakt prima. Ik kijk of mijn kamer klaar is en dat is ‘ie. Hugo wijst me de weg, de inderdaad wat verstopte lichtknopjes, en wenst me veel plezier. Het is prachtig, de kamer. Het is een soort hut op palen, prachtig simpel en strand-ish ingericht, een rieten dak, schattige klamboe. Perfect. Voor mensen. Voor heel veel verschillende mensen. Niet per se voor mij. Ik zie de gaten in het dak, de kieren langs de ramen, lekker robuust en in de natuur, en dat is precies het probleem. Eh, de uitdaging. Want ik houd wel van natuur, en ik hoor de golven stukslaan en dat is magisch, maar ik houd niet van beestjes. Niet van kleine beestjes en al helemaal niet van het formaat beestjes dat hier regulier is. Als ik mijn zorgen deel met thuis, ben ik een watje. Misschien. Maar ik was meer watje als ik gelijk zou uitchecken. Dat overweeg ik serieus, ik deed dat al vaker als iets niet beviel, maar laat ik. Avontuur wilde ik. Avontuur is er nu. Als ik ga slapen sluit ik mijn queen sized bed (de benen van deze queen zijn daar overigens echt veel te lang voor) hermetisch af met de klamboe en ga slapen op goed geluk. Midden in de nacht word ik wakker van de kou (?) en maak een dekentje van de badhanddoeken, slaap verder, word wakker van geritsel boven m’n hoofd en visualiseer een schattig klein vogeltje. So far, so good.

Hier wordt het ontbijt op de kamer gebracht en dat is hemels. Ik eet, doe wat werkdingetjes, werk nieuwe plannetjes uit, schrijf en lees. Dan wil ik naar “downtown”. Dat kan met de taxi. Of met de fiets. Ik besluit tot het laatste: als ik de nacht in de halfopenlucht overleef, dan dit vast ook. Voor 10 US Dollars mag ik de fiets alle dagen gebruiken. Ik slik de woorden “business” en “model” in. Het grappige hier, vind ik, is dat het ze allemaal geen ruk uitmaakt. Amerikanen (en enkele Europeanen) willen blijkbaar fietsen, want oh experience en goedkoop bovendien. Dus elk hotel tikt een lading totaal verrotte fietsen op de kop, hangt er een cijferslotje aan en zegt: good luck. Jij wil een fiets, jij krijgt een fiets. En nu niet meer zeuren. Dus de ene na de andere opgespoten Amerikaanse diva hobbelt haar siliconen rond op een veel te grote mountainbike, de teentjes raken maar net de pedalen, hun Chaneltasjes keurig aan het stuur. Ze rechten hun rug, lachen gemaakt en vervloeken zichzelf, deze fiets, Mexico en hun hele leven binnensmonds. Dan de mannen. Door en door gespierd, de tandjes gebleekt en een Calvin Klein of gelijkende zonnebril op de neus, kekke Hugo Boss swimshort: op een babyroze beach cruiser met mandje voorop en veel te klein. Werkelijk iedereen zit als een debiel op deze Mexicaanse fietsen, ik incluis, met als verschil dat het me echt helemaal niks kan schelen. Ik draag al dagen geen make-up, het is nog maar de vraag of mijn haar-in-een-eeuwige-knot überhaupt nog uit de knoop gaat en in mijn jurkje zitten gaatjes, zag ik bij het aantrekken, maar mijn garderobe is momenteel niet zo genereus, dus ik negeerde dat. Mijn beach cruiser is baby blauw, aftandser dan de gemiddelde studentenfiets, door en door verroest, maar I don’t care. Het ding brengt me naar waar ik wilde zijn. Niet in de door Hugo beloofde 20 minuten, maar een uur is ook prima. “I hope I won’t die” zei ik bij het wegfietsen. “Don’t say that, lady.” “Just pray for me, everything will be fine.” “I will” antwoordde hij. En waarschijnlijk deed hij dat ook, want ik kwam veilig weer terug. Ondanks de metersdiepe gaten in de weg, de honderden auto’s en slippende bermen, ondanks de takken die je slim moet ontwijken, ondanks mezelf. Ik vond zelfs de weg heen én terug in één keer.

Tja, Tulum. Je bent prachtig en een beetje overgenomen tegelijkertijd. Overgenomen door mensen zoals ik. Door toeristen. Maar dan wel door toeristen die in het land van taco’s graag veganopties eisen. Eten dat door de lokale bevolking nooit te betalen is. Hugo woont niet “downtown” want dat is te duur geworden. Hij en zijn familie zijn teruggedrongen naar verderop en hebben in het stadje niets meer te zoeken, want ze kunnen er niets meer betalen. Iemand in Mexico verdient gemiddeld 20 euro per dag. Daar zitten heel veel mensen heel ver onder, ook nog. In Valladolid waren er gezinnen die gezamenlijk lunchten in dezelfde cafés als de sporadische toerist like me. Hier in Tulum is dat onmogelijk. Op mijn fietstocht zag ik investeringsproject na investeringsproject in aanbouw. “Don’t wait to invest, invest and wait”.

Tulum, ik weet het nog niet met je. Maar je zee is prachtig en je stranden ook. Het is precies dat waar de mensen op afkomen. Hopelijk word je gekoesterd en ga je niet ten onder aan je succes.

And I love what you did with the bikes.

In de bus

Deze andere tijdzone wil nog niet helemaal wennen, dus ik ben ook deze ochtend alweer wakker voor de zon zich laat zien. De hanen gillen onafgebroken, het zijn er veel. Vogels zingen daar dwars doorheen en mijn kamer vult zich met de geur van het rook van de vele vuurtjes die worden aangestoken om het ontbijt klaar te maken in de huisjes om me heen. Ik lig nog even. Lees een beetje. Douche. En ga dan op zoek naar ontbijt. De zon komt langzaam boven de huizen uit en sluipt rustig aan het plein op, waar ik ga zitten waar ik de avond ervoor ook zat. Koffie, fruit en toast, nogal een ontbijt voor een niet-ontbijter. Deze dag kent nog geen plan en dat is prima. Ik ga wandelen, ik zie wel.

En of ik zag. Straat na straat, zo’n 8000 stappen. Huizen in alle kleuren, hondjes van diverse formaten. Een slapende ijscoman op een bankje, een vader en zijn zoon die sinaasappelsap in plastic zakjes aan de deuren verkopen. Spelende kinderen. En veel straten waren leeg en stil (een soort Eibergen-ervaring, Alfred), want zondag. Ik loop en loop en loop en tref een kerk. Maak foto’s, ga niet naar binnen. Ik loop en loop en loop en tref een heel vreemd, overdreven groot, soort verlaten Chinees paleis. Ik loop en loop en loop en vind de enige Cenote die de stad rijk is. Een Cenote is een enorm zinkgat met daarin water. Een magisch gezicht en van oudsher wordt gedacht dat het de doorgang naar de onderwereld zou zijn. Ik eet wat, lees wat, (niet zomaar wat, een van de mooiste passages over de liefde ooit geschreven) en betaal. Als ik het restaurant uitloop, bevind ik me ineens in een parade. Voorop een Jeep met een metershoge pop; een vrouw in wit gewaad. Daarachter mannen, vrouwen, jongens en meisjes in dezelfde gewaden met bloemen en soms een kroon. Daar weer achter bakfietsen, volgeladen met mensen. Open vrachtwagentjes met kinderen die zich verdringen om iets te kunnen zien. Motoren. Scooters. Drie mensen op één brakke mountainbike. En daar weer achter: paarden. Mannen en vrouwen en baby’s (?) op tientallen paarden. Er worden vuurpijlen afgestoken, Mexicaanse muziek schalde uit de vele meegebrachte boxen, de mannen dronken bier uit flessen van twee liter. Ik wandel mee en probeerde uit te vogelen wat de gelegenheid is. Veel politie, maar ook soldaten. Het gezelschap houdt stil bij de kerk die ik eerder die ochtend had bezocht. Wéér een bruiloft? Wat is dat nou weer voor een bericht van het universum? Maar het zit anders. De stoet gaat verder en ik dus ook. Op het dorpsplein waar eerder die dag de ijscoman lag te slapen, bleek het een dorpsfeest met zang en dans en gratis eten en drinken. Whenever you walk into a parade, join. Zou ik willen zeggen.

Een late lunch en dan zit ik even op het centrale plein. Ik denk om te lezen, maar daar denken de 518020261 vogels anders over; ze gillen alles, maar dan ook alles bij elkaar. En een zeldzame vermoeidheid overvalt me. Alsof alles van de afgelopen dagen, van de afgelopen tijd in één minuut alle energie uit me zuigt. Het is 18u. En ik ga naar bed.

Om 5u ben ik weer wakker. Wakkerder dan in tijden. Ik klets wat met de lieve mensen thuis, kijk een serie, pak mijn tas in, ontbijt en neem de bus. Next stop: Tulum.

Het busstation is chaotisch en warm. Er zijn veel mensen, wanneer welke bus gaat is niet te verstaan. Toch lukt het de juiste te vinden. En daar sluit ik een vriendschap. Niet gelijk, het duurt ongeveer een half uur snelweg voor we elkaar ontdekken, de vrouw en ik. Ze vertelt me haar naam en ik de mijne. Ook alleen? Ja ook alleen. Ook zo heilzaam? Jazeker. Haar besliste toon, maar warme antwoorden verraden een kwetsbaarheid die ik herken. Ze noemt haar route tot nu toe. En ik die van mij. Ja het was mooi en indrukwekkend en intensief, alleen, zeggen we allebei. “Ik heb het niet allemaal goed gedaan, een tijdje, m’n leven” bekent ze zomaar na bijna een uur. “Wie wel” antwoord ik. “Andere mensen. Bij andere mensen lijken de dingen zo makkelijk en vanzelf en volgens het boekje. Zij maken geen fouten, ofzo. Ik weet het niet. Ik ben daar wel eens jaloers op.” “Jaloers?” “Nou ja, jaloers, misschien is het meer dat ik zo ontzettend boos op mezelf ben geweest, soms. Dan stond ik ‘S ochtends op en hield ik eerst een interne monoloog over welke dingen ik beter had moeten of kunnen doen. Soms duurde dat de hele dag.” Ik ben even stil en pak mijn vest, de airco staat hoog en mijn benen vatten kou. “Ben je gelukkig” vraag ik dan. “Steeds een beetje meer.” “Wat zou je tegen mij zeggen als ik precies dit aan jou zou vertellen?” Nu is zij even stil.

“Dat het niet helpt. Dat je beter verdient” zegt ze dan. En vertelt ze hoe het kwam. Hoe haar leven wendingen had genomen die ze niet had voorzien en dat ze niet had geweten wat te doen. Dat ze vast had gehouden aan het enige dat ze zeker wist: dat alleen zijn het allerengst zou zijn van alles dat er kon gebeuren. Ze had zich als een Greenpeace-activist met kettingen vastgeklonken aan alles dat ook maar een beetje veilig voelde en alles voelde veiliger dan alleen. En dat ze zo ontzettend niet had geloofd in zichzelf, om allerlei voor de hand liggende redenen, maar toch. Er waren dagen geweest dat ze niet wilde opstaan. Of juist niet naar bed zou. Ze was alles dat ze kende en alles dat ze was vergeten. En toen was ze verdwaald. In gedachten, in mogelijkheden, in onmogelijkheden, in de dingen die moesten, de kinderen, het meest nog in zichzelf. Haar hoofd had gemaald en gemaald en alle operatie overgenomen van haar hart. Ze had manieren gevonden niet te voelen, omdat het moest, want ze moest door. En daarom was ze zo boos op zichzelf. “Ik deed wat ik kon, maar ik deed niet wat ik moest.”

“We doen allemaal wat we kunnen. En soms is het dat wat moet. Soms is het dat wat we willen. Soms is het dom, soms is het levensreddend” en ik kijk haar aan. “Waarom ben jij eigenlijk niet wat liever voor jezelf” vraag ik. Nu beginnen er tranen over haar wangen te lopen, ik pak haar hand. “Zit ik alweer te janken” lacht ze. “Het is vakantie hoor.” “Je bent hier niet voor niets alleen. We komen elkaar niet voor niets tegen. Alles gaat zoals bedoeld. Er wordt voor je gezorgd, kijk maar eens om je heen. Kijk hoe mooi je bent. Kijk wat je kunt, wat je hebt, kijk wat is gelukt. Kijk: je bent er nog. En ja het was kut en zwaar en moeilijk en die tijd, die tranen, die krijg je nooit meer terug. Maar dat is geweest, dat weet je en dat voel je. Je bent er nog, en kijk eens hoe.” “Jij dan” zei ze. “Kijk naar jezelf.” We lachen, hand in hand. Dan stopt de bus en zijn we er. De laatste bestemming van deze overweldigende reis. Wij zijn in Tulum.

En onderweg daarnaartoe, in de bus, op de Mexicaanse snelweg, sloot ik dus een vriendschap. Of eerlijker: hernieuwde ik het verbond met mezelf dat veel en veel te lang geleden werd verbroken.

Ik was zelf die vrouw. Ik ben niet alleen.

En ik ben nooit alleen geweest.

 

Sal

Kilometers Mexicaans asfalt razen onder me door, duizenden bomen schieten voorbij. Af en toe een huisje, een hutje, een dorpje, lang niet zo groot als het kleinste dorp op het Hogeland. Huizen zijn kleurrijk en met veranda, van verweerd beton met kippengaas als landafzetting, dan weer een rieten hut, onbeschut, behalve door de bomen. Kinderfietsen, halve motoren, hele scooters, een huilend kind achter een hekje. Rode Coca Cola stoelen van plastic als belangrijkste huisraad. In één straat tel ik vier kerken, allemaal helblauw geschilderd. Een bar, bestaande uit een tafel en een koelkast, ernaast koken twee vrouwen iets in een pot op een vuur. Alles flitst voorbij. Isla Holbox ligt een paar uur achter me, mijn nieuwe bestemming nog een paar uur voor me, met de bus. Ik luister muziek, zie de zon verdwijnen achter de boomkruinen, de lucht kleurt nog even oranje en wordt dan langzaam zwart.

“The Island” was heilzaam. Mijn hotel was een klein paradijsje op een paradijsje, aan het strand, weldadige rust, heerlijk eten, ik lag acht uur achter elkaar op het strand te lezen. Toen ik mijn boek uit had, wandelde ik naar “downtown” (niet over het strand) en vroeg een passerende taxichauffeur waar te eten. Er was muziek, er waren leuke mensen, ik nam een Corona en ging naar m’n bed. De volgende ochtend lekte ik tranen op het witte zand van van alles en over van alles en zag de zoute druppeltjes het zand intrekken, dacht en daar is strandzand ook gewoon voor bedoeld. Dat is wat ze altijd al doet: het opslokken van zilt. Ik laat ze hier, besloot ik, deze tranen en alles waar ze voor staan gewoon ook. Toen pakte ik mijn tas in, checkte uit, bedankte vriendelijk en ging al die tranen lichter naar de boot.

De bus maakt een scherpe bocht naar links en parkeert. Vrijwel iedereen staat op, pakt tassen en stapt de bus uit. Dat “vrijwel” vind ik altijd een beetje ingewikkeld. Ik kon nergens aan ontlenen dat dit inderdaad Valladolid was, probeerde door de ramen heen te spieken naar een teken van goede bestemming, vond niks, stapte ook maar uit. En om het hoekje stond inderdaad dat dit busstation hoorde bij de stad die ik wilde bezoeken en waar als het goed is ook Casa Bamboo zou staan. Ook wel: mijn hotel. Een van de belangrijkste dingen die ik mezelf heb aangeleerd als ik alleen reis (ik schreef er al eens over toen ik mijn auto niet kon vinden op een parkeerplaats op Curacao): zie er altijd uit alsof je precies weet waar je mee bezig bent. Ook als het tegendeel waar is. En ik heb even geen idee waar ik mee bezig ben. Zie geen taxi’s, zag in de paar minuten voor dit busstation vooral verlaten huizen en braakliggende terreinen, verder zijn er om me heen alleen een heleboel mensen die  wel precies weten waar ze mee bezig zijn. Dus ik leun zo nonchalant als mogelijk tegen een muurtje en zoek het adres van het bamboehotel op mijn telefoon. Rechts van mij een hysterisch fluitende verkeersregelaar, foeterend tegen de tientallen auto’s en motoren, links drommen mensen over de smalle stoepjes. Dan stapt er een man op me af en vraagt of ik een taxi nodig heb. Kijk. Zie je? Nonchalance is altijd goed. Ik noem de naam van mijn hotel en hij lacht vriendelijk, gebaart me mee naar de hoek van de straat, wijst en zegt dat het maar ‘one block’ die kant op is, dat kan makkelijk lopend. Ik herinner me ineens dat het inderdaad dit hotel was dat op 100 meter van het busstation zou zijn, die andere was verder. Prima. Ik ga lopen.

One block? Hoe ver is one block hier? En zijn 100 Mexicaanse meters wel hetzelfde als 100 Nederlandse meters? Want ik zie geen hotel, de straat wordt steeds donkerder, ik zie steeds minder dingen die een hotel zouden kunnen zijn, ik heb het warm. In mijn beste Duolingo-Spaans vraag ik het in een winkeltje. Ja, het is vlakbij. Nee, nog even verder en dan aan de linkerkant. Ik heb inmiddels gezelschap gekregen van een mager, druk kwispelend beige hondje, het verkeer neemt af, de straatverlichting wordt schaarser. Dan zie ik de nummers op de hoeken van de straat en begrijp ik de logica van het adres met een x38 en y35 en een Calle 46. En dat betekent dat ik toch echt veel te ver ben gelopen. Dus ik en het hondje keren om en doen een nieuwe poging. Met deze keer meer succes.

Ik check in en vraag de hoteljongen waar ik zou moeten eten. Hij heeft een handige plattegrond, kruist wat dingen aan, wenst me een fijne avond. Prima. Met één probleem: ik heb -joh- totaal geen gevoel voor oriëntatie. Als ik in een willekeurige gang een deur uitstap waar ik net nog ben binnengelopen, kies ik pertinent rechts in plaats van links of andersom. En als Google Maps niet tegen me praat in de auto, kom ik precies nergens fatsoenlijk aan. Sta ik. Met die kleurrijke plattegrond in een afgelegen straatje, te doen alsof ik weet waar ik mee bezig ben. Ik stop het ding in mijn tas, loop in de richting die de hoteljongen aanwees en kies daar op een kruispunt de straat waar de meeste mensen heenlopen. Bij het volgende kruispunt weer. En daar sta ik ineens toch nog oog in oog met de práchtige kathedraal bij het centrale plein, waar kinderen zich rond de kraampjes met lekkers verdringen en alle bankjes vol zitten met kletsende mensen.

Dit was gelukt. Nu nog oversteken. En dat, lieve mensen, dat blijkt hier een vak apart, zo niet topsport. Iemand heeft een keer in een helder moment bedacht om gele zebrapaden te verven op de grijze keien, maar die zijn er duidelijk alleen maar voor de sier. Rondom het plein zijn allemaal stoplichten voor auto’s, niet voor voetgangers. Het zijn vier kruispunten, op elke hoek een. En om de overkant van de weg te bereiken, moet je precies het moment kiezen tussen dat het stoplicht van de ene kant op rood springt en die van de andere kant op groen. Dat is een tijdslot van ongeveer een halve seconde. Dat betekent dus gewoon: rennen. Hard. Het is een erg lachwekkend gezicht, als het niet zo levensgevaarlijk zou zijn en nog meer als ik er zelf geen onderdeel van was. Maar goed. We spelen dit spelletje mee.

En nu schrijf ik dit, aan een tafeltje van een restaurant, aan de straat, waar de serveerster me bij die tafel zomaar complimenteerde met mijn mooie ogen (ik verstond het zowaar), het stel naast mij serieus al anderhalf uur aan het kibbelen is over het programma van morgen en probeer ik te wennen aan het drukke verkeer, het bijbehorende getoeter, de vele rondjesrijdende politieauto’s en al wat anders is aan een stad, dan aan de paradijselijke stilte van Holbox. En het is goed. Links van me de wielen over de keien, rechts de mensen van hier die in steeds mooiere kledij langslopen als ware het een catwalk. Glitters, roodgestifte lippen, mannen in stijfgestreken overhemden, de kleine meisjes met strikken in hun haren, rennend in een Mickey Mouse jurk. Zelfs de baby’s dragen chique tenue. Steeds een nieuw parfum waait voorbij. Net als ik bedenk dat we in Nederland ook wel wat beter ons best mogen doen, dat het straatbeeld daar best van opknappen zou, blijkt het toch niet helemaal gebruikelijk, deze parade. Uit het niets verschijnt een bruidspaar, iedereen loopt inderdaad richting de kathedraal. Zij straalt, hij straalt, de moeder van de bruid kijkt vooral waterig. Het koppel houdt elkaars handen stevig vast.

Vanavond wordt er getrouwd in Valladolid. En ik ben er een beetje bij.

 

Everything is going to be alright. At least I think so.

Hij vond echt, echt, echt dat ik een taxi moest nemen, de man van het hotel in Cancún. Het zou twintig minuten lopen zijn naar het busstation, ik zag de noodzaak niet zo. Hij haalde zijn schouders op en lachte. Ik vroeg hem een taxi te bellen. Eigenwijsheid kent tijd en plaats. Niet nu, niet hier. Bleek natuurlijk een verstandige beslissing: Cancún is niet per se heel voetgangervriendelijk, laat staan voetgangers-met-bagage-vriendelijk. Hotelman-Minke: 1-0.

Het busvervoer in Mexico is belachelijk goed geregeld. De routes bekijk je in de speciale app, kaartjes koop je daar ook, de routes zijn er in overvloed, de bussen hebben een toilet, tv, WiFi en airco. Dat maakt het reizen hier ontzettend makkelijk. Dus pak ik de bus naar Chiquila, waar de boot naar Isla Holbox vertrekt. Dit eiland wilde ik vorig jaar al bezoeken, maar tijdgebrek toen zorgde ervoor dat ik nu wel terug moest :). De busreis duurde twee uur, geen straf als prachtig Mexico aan je voorbij trekt, geloof me. En Isla Holbox is dan nog ongeveer een kwartiertje met de boot. Ik kies het boven-buitendek en moet denken aan die keer dat iemand me achter in een cabrio had gezet en met 150 km per uur over de Groningse binnenwegen tekeer ging. Oftewel: wind, heel veel wind. Maar daar, terwijl mijn haren me het zicht steeds ontnemen, voel ik wel: dat van heel erg gelukkig.

Isla Holbox is een belevenis. Golfkarretjes fungeren hier als taxi’s en ik snap al snel waarom: de weggetjes in “downtown” zijn veel te smal voor auto’s en de wegen daaromheen zijn ronduit k*t. Mijn taximan zet een muziekje op en daar trotseert hij volleerd alle metersdiepe kuilen, metershoge bulten en metersbrede plassen. Zo niet de toeristen die ons tegemoetkomen en dachten dat het leuk zou zijn zo’n karretje te huren. Ja: rondom “downtown” is het nog wel geinig en de lange weg langs het strand is ook prima. Maar daar waar mijn hotel is, is het helemaal niet prima. Ik lach om de geconcentreerde koppies van de -elke keer- mannen achter het stuur en de angstige, bezwete gezichten van de vrouwen naast hen. Hun handen stevig om de stangen voor hen heengeklemd. En: stil. Dan weet je echt hoe groot de paniek is: als de vrouwen stoppen met commentaar leveren en alleen nog maar in stilte wensen dat dit domme idee snel over is.

Natuurlijk gaat er door me heen, terwijl ik heen en weer word gehusseld in de taxigolfkar en het “downtown” steeds verder achter me laat: wat nou als. Wat nou als deze muziekminnende Mexicaan me helemaal niet naar mijn hotel brengt? Maar naar een afgelegen huis. Waar mijn bezittingen worden afgenomen en ik als seksslaaf word verkocht -I know, enig drama is mij niet vreemd. Of: gewoon gelijk afgeknald op een stuk braakliggend terrein en dat was dat? I know- ik kijk teveel Netflix. En natuurlijk kom ik gewoon bij mijn hotel, alwaar hartelijk ontvangen. Er zijn precies 8 andere hotelgasten, het privéstrand is subliem. Oh, en het is “adults only”, no offense lieve kindjes, maar: wat een weelde. Ik drink een wijn (misschien wel meer), ik eet wat nachos, zwem in de zee, lees een beetje boek, ik ben de rijkste vrouw op aarde.

Dan vraag ik Viktor-from-the-hotel hoe ik “downtown” kom, want deze mevrouw heeft een boel dingen bij zich, maar geen antimuggenspul. Ik zie het flesje nog staan, op de kast in mijn slaapkamer. Heeft de koffer niet gered. Viktor vertelt dat ik over het strand kan lopen en er dan in 15 minuten ben. Prima. Ik hang nog wat in de lobby, want WiFi, als Viktor roept dat ik een lift kan krijgen van Diego van het hotel. Diego moet een golfkarretje afleveren en ik mag mee als ik dat wil. Ik wil dat, maar heb alleen een bikini aan en vind dat onverstandig en bovenal koud. Ik zeg dat ik me om moet kleden. “How many minutes?” “Three!” En ik redde het.

Viktor geeft Diego een flesje bier en staat er absoluut op dat ik er ook eentje neem. Zitten we dan. “Salute!” En we rijden. “How many family members have  asked you what the f*ck you were thinking, going to Mexico alone” vraagt hij. “Every single one of them, more or less” antwoord ik. “I told them I would be ok” voeg ik toe. “Text them that you are with a Mexican in Mexico and nothing can go wrong!” We lachen. We (hij) ontwijken weer die gaten en die plassen. Hij vraagt welk werk ik doe, ik zeg dat ik schrijf. Hij vertelt van ook, poëzie, maar nergens te lezen, want op papier. Papier schrijft beter, besluiten we. Het maant tot geduld en overdenken omdat er geen deleteknop is. Dan stoppen we bij een huis. Diego moet geld brengen, hier, zegt hij. Hij stapt uit de golfkar en loopt het voetpad door de voortuin op, naar het gesloten hor met daarachter luid keffende hondjes. “Doctor! Doctor!” roept hij. Een gestalte doet open en neemt het geld aan. Het is een nickname, vertelt hij later. Geen idee waar ik getuige van was, ik neem nog maar een slokje bier. We (hij) leveren het karretje af en Diego wijst me de Pharmacia, waar ik antimuggenspuitbus koop. Net op tijd. Ik bedank Diego-van-het-hotel-en-allemaal-andere-dingen-blijkbaar voor de lift, hij wenst me een fijne tijd. Ik hem ook, maar ik vermoed dat hij alleen maar werkt.

Ok. Ik moest de zonsondergang gaan zien, zei Viktor van het hotel. Dus ik doe dat. En het is prachtig. Ik moet ook wat eten, zei ikzelf, dus ik vind een restaurant op het strand. Het personeel is laks en het eten zozo, maar het uitzicht fantástisch en de zanger-gitarist ondergewaardeerd. Een trio aan een andere tafel en ik zijn groot fan. Waar hij dan weer dankbaar voor is. Hij ziet er uit als achttien, maar zijn stem klinkt als die van een doorrookte volwassen blueszanger.

“You got me on my knees baby” (zing zachtjes mee)

“With or without you” (idem)

“Losing my religion” (iets harder)

“I don’t believe that anybody  Feels the way I do, about you now…” (dit lied! – zingt heel hard mee)

“Stand by me” (Ik zong wederom heel hard mee)

“Everything is gonna be fucking Allright. At least I think so” was zijn toevoeging – ik klap. 

Het was een leuke, besloten karaokeshow en ineens begon er een man tegen me te praten. Zijn tafeltje stond een paar meter verderop, dus ik verstond er zeg maar niks van. Ik maakte daarom een gebaar dat hoort bij “sorry, versta er zeg maar niks van”. De man bedacht zich niet en tilde in een soepele beweging zijn tafel (zijn hele tafel!) op en zette die naast die van mij. Ok. En toen was hij stil, want schreef verder in zijn boekje. Natuurlijk was het nu mijn beurt om 1) te vragen wat hier in godsnaam de gedachte achter was (mijn vraag) of 2) te vragen wat hij zo ijverig aan het schrijven was. Ik hoefde uiteraard helemaal niet te kiezen. Het was zijn dagboek. Van de reis die hij al vanaf 11 november aan het maken was door Cuba en Mexico. “Why? You ask why I travel alone? (Ik vroeg helemaal niks, ik was te verbaasd) “Travelling alone is better than sitting at home alone!” Ik kon de beste man geen ongelijk geven. En moest ineens ook heel erg nodig plassen. Wat ik deed. En daarna mijn rekening betaalde. En toen de ober er van overtuigde dat ik echt moest slapen en heus niet dansen. Maar wel langs de man van de tafelshuffle moest, want ik had bedacht over het strand terug te lopen. Ik stond op gepaste afstand toen ik hem gedag zei en het beste wenste met de terugreis en hij zei dat hij nog nooit zo laat buiten zijn hotel was geweest en me daarvoor bedankte. Ik vond het een kleine moeite en vertrok.

Een strandwandeling is prachtig. Vijftien minuten is prima te doen. Maar: het is inmiddels donker. Heel erg donker. En dit gedeelte van het strand is niet het gedeelte waar iedereen tot diep in de nacht aan het feesten is. Integendeel: het is hier doodstil en uitgestorven. Het zijn ik, de golven, de sterren. Ga ik dat echt doen, als semi-fan van welke natuur dan ook in het donker, in mn eentje? Ik ga het doen. Dus ik doe het. Met de zaklamp van mijn iPhone als onmisbaar instrument. Ik kan precies een halve meter voor mijn voeten uitkijken, dus ik loop voorzichtig. Ik verzeker mezelf ervan dat ik het hotel niet kan missen, want aan het strand en: ik loop op het strand. Ik bedenk wat er verder nog mis kan gaan, maar kan vrij weinig bedenken. Hooguit loop ik een vrijend stelletje overhoop, verkrachters en moordenaars zullen wel niet op de uitkijk staan voor een naïeve Europese, in het donker, op het strand. Toch?

Ok, best spannend, in het begin. Het is, op de golven na, echt stil. En donker. Ademen, in, uit, lopen, komt goed. En dan verlies ik mezelf langzaam in de cadans van mijn voetstappen, het geluid van de kustkussende zee en de fenomenale sterrenhemel. Niet eerder waren ze met zovelen met me. Er is niets anders. En er is niemand. Tot ik in een gordijn van muggen loop. En met gordijn bedoel ik een meterslange drukbezochte en uiterst gezellige vergaderavond van kleine, maar venijnige minimugjes. Ik pers mijn lippen op elkaar en tast naar de gloednieuwe spuitbus in mijn tas. Als ware het een wapen houd ik het ding armgestrekt voor me uit en ik spuit. En spuit. En spuit. Ik waaier met mijn andere arm alsof dat helpt. Versnel mijn pas, nog steeds spuitend en vraag me af waar deze deken van insecten gaat eindigen. En dan kan ik niet verder. Daar waar strand zou moeten zijn, is zee.

Ik sta er nogal stom naar te kijken, al zinloos rondsprayend, ze zijn met veel te veel. Tja, wat kon er gebeuren? Nou dit dus. Ik loop een stukje terug en omhoog en zie een verlicht huis. Hotel, blijkt, bij benadering. Ik verontschuldig me en vertel bij welk hotel ik hoor. “I don’t know what all you guys are searching in that hotel, but I will tell you where to go” zegt hij lachend. Het blijkt nog tien meter lopen, de doorgang via het strand was inderdaad geblokkeerd door de zee herself. Ik bereik de plek waar ik een paar uur eerder nog in de zon lag en ga op hetzelfde bedje liggen. Doodse stilte. Een miljoen sterren. De kussende golven. De gelukkige vrouw met zoveel gedachten dat het bijna teveel is. Wat een fantastische wandeling, terwijl ik nooit durfde. Wat een fantastisch eiland met zoveel vriendelijke mensen. Wat een sterren. Wat een zee. Wat fijn dat ik niet ben verzopen.

Als ik naar de receptie loop, zit daar een clubje te roken en te drinken. Ik sluit me nog even aan, de een had net een sollicitatie gehad bij het hotel en hoopt, heel dronken, aangenomen te worden, de ander woont in Genève en vond Marokko ook zo mooi. De Russische gasten versta ik niet. En het is goed zo. Ik moet dromen over de sterren, over de zee in de nacht. Over liefdes en verdriet. Over al dat is.

 

Arme Henry

Half acht. Amsterdam. Schiphol. Met in de rug het altijd fantastische CitizenM, mijn go to bij vroege vluchten nadat ik ooit bijna een vliegtuig miste dankzij file. Het vertoeft er goed en zorgt voor ontspannen vertrek. Zo ook vandaag. Uitchecken. Vertrekhal. Nog een kus. Ik zwaai. En ik ga. Bijna twee weken weg, alleen, naar het Mexicaanse.

Maar daar ben je niet zomaar. Tien uur vliegen naar Atlanta, in mijn geval. Daarna nog ruim twee uur naar Cancun. Dus eerst maar eens ontbijt. Ik twijfel over McDonalds, kies vervolgens toch maar yoghurt en een grote koffie. Zwerf wat door de winkels en koop verrassend weinig dingen die ik toch niet nodig heb. Wel een potje Elizabeth Arden 8 hour rescue cream voor mijn toch al droge lippen. Nu vermoed ik inmiddels dat die “8 hour” slaat op de hoeveelheid tijd die je nodig hebt om het betreffende blikje open te maken, ik had het 16 uur later in Cancun nog steeds niet voor elkaar, bedankt Elizabeth, ik stuur je nog wel een mailtje.

Mijn stoel is naast het raam en naast een jongen die niets zegt, wat prettig is, want zoveel heb ik zelf ook niet te vertellen. Mijn hoofd zit veel te vol. Bovendien schreeuwt een jongetje van een jaar of vijf op de stoel voor mij onafgebroken: “Mommy, I want my dinosaur!” En als ik zeg onafgebroken, dan bedoel ik dat letterlijk. Zijn moeder geeft ook letterlijk onafgebroken geen antwoord. Maant hem niet tot stilte. Kijkt niet eens zijn kant op. Pakt haar headphones en kiest een film. Als we in de lucht zijn, duwt het jongetje zijn hoofdje tussen stoel en raam richting mij. Hij wijst me op de wolken, de lucht en hoe mooi de zee is. Vraagt me waar mijn kinderen zijn, en mijn zusje. Voor ik kan antwoorden, blijkt de moeder toch te kunnen praten. Henry moet gewoon gaan zitten. Ze pakt eindelijk, zuchtend, zijn dinosaurus.

Er wordt veel gezegd en geschreven over Delta Airlines, maar veel te klagen had ik niet. Er was wifi, het eten was prima, de service perfect en er waren eindeloos veel films. Ok, ik begon met Keeping up with the Kardashians, maar switchte snel naar de dringende kijktip Ask dr. Ruth. De feministe die zichzelf geen feministe wenst te noemen, maar baanbrekend werk deed als het gaat om de positie van de vrouw in de VS en dan met name rondom seksualiteit. Zij ging, eerst op de radio en later op tv, als eerste ooit met Amerikanen in gesprek over seks. Zonder taboes, ze benoemde alles zoals het was. Zo brak ze bijvoorbeeld een lans voor het tot dan toe vrijwel onbesproken vrouwelijk orgasme (goddank leeft ze nog, want there is still work to do). De film laat een scène zien waarin een mannelijke beller vraagt of het gerucht dat hij hoorde waar zou kunnen zijn: dat vrouwen in hun leven een eindig aantal orgasmes kunnen krijgen. Dat ze dus op konden raken. “I have not heared of this rumour” antwoordt ze lachend en knap: oprecht zonder oordeel. Ook sprak ze zich stevig uit voor de keuze voor abortus en nam ze het tijdens het begin van de HIV-epidemie op voor de -wat toen nog genoemd werd- gay-community. “We need research.” Dat alles bovenop een intens verdrietige levensgeschiedenis, ze groeide als “wees van de Holocaust” zoals ze dat zelf noemt, op in een kindertehuis voor Joodse kinderen in Zwitserland waar haar werd verteld dat haar ouders niet meer van haar hielden, in plaats van dat ze gedeporteerd waren.

Vergeef me dit uitstapje, ga de film zien, het maakt indruk. Zo ook nog steeds Henry en zijn moeder als Dr. Ruth mijn schermpje heeft verlaten. Om mij heen nemen de blikken en het zuchten richting het jongetje toe. Hij heeft honger en “Mommy, they are not bringing the food.” Hij morst appelsap, krijgt van de geduldige stewardess een doekje, maar wil zijn handen wassen op de wc want “Mommy, this is not going to work.” Mommy is stoïcijns. Heel erg stoïcijns. Als het Henry te lang duurt voordat ze reageert (ik krijg ontzag voor zijn geduld inmiddels), stompt hij haar in haar zij of op haar schouder. Dan grijpt zij in door zijn armpjes vast te pakken. En lacht Henry hard. Op het moment dat ik ieder moment ingrijpen verwacht van de twintig geïrriteerde passagiers rondom deze stoelnummers, valt hij eindelijk in slaap. Met behulp van weer een vriendelijke stewardess die hem toestopt met een dekentje.

Ik app mijn vriendin dat ik me ineens een behoorlijk adequate moeder voel (op het feit dat ik mijn kinderen thuis heb gelaten na dan). En een paar uur later vind ik dat een beetje flauw van mezelf. Het raakt me hoe ontzettend graag Henry aandacht wil en hoe weinig hij dat krijgt. En het is makkelijk om de moeder hier zonder meer de schuld van te geven. Het houdt me bezig. Ik herinner me een keer terugvliegen met kind en partner terwijl ik 40 graden koorts had en nauwelijks kon ademhalen. Ik weet niet wat ik had moeten doen was ik alleen geweest toen. Ik hoop maar, heel erg, dat het er thuis anders aan toe gaat. Dat ze zich niet goed voelt, deze moeder, en daarom de aandacht nu even niet op kan brengen, vertrouwend op de omgeving. Dat Henry opgroeit in liefde, verder. Dat deze 9 uur een vervelende uitzondering waren op zijn verdere leven vol aandacht en zorg. Omdat het kan verkeren. Immers.

Best een aantal slechte films, veel te grote glazen wijn (waarom zo’n plastic frisdrank beker niet helemaal volgieten, toch, vinden ze bij Delta) en het gedoe met Henry verder, land ik in Atlanta en laten de Amerikanen er geen twijfel over bestaan waar ik me hoe moet melden voor een uitgebreide paspoortcontrole and such. Vragen (welk werk ik doe? Daar heb ik in Nederland al geen goed antwoord op). Handafdrukken. Een foto. En ik mag verder. Nog twee uur wachten. Ik doe wat mailtjes. Kijk wat mensen. En snap niks meer van hoe laat het is.

De vlucht naar Cancún breng ik slapend door, maar niet nadat ik mijn vrij zeldzame “f*ck the f*ck off”-blik moest inzetten op een dronken Amerikaanse zakenman, althans ik hoop dat, want vakantie met zoveel papier lijkt me geen pretje. De beste man was iets kwijt en al “f*ck me” roepend verzekerde hij zich ervan dat het hele vliegtuig hiervan op de hoogte was. Met dubbele tong belde hij vervolgens met iemand over een pick-up die hij “absolutely f*cking needed” omdat hij zijn “f*cking flight” had gemist. Ook nadat het cabinepersoneel twee keer had genoemd dat we op zich al aan het taxiën waren en hij zijn telefoon uit moest zetten. All good, ignore, vond ik. Maar ignore, daar deed de beste man niet aan. Tussen ons was -goddank- een lege stoel die hij vol had gegooid met zijn rotzooi tijdens zijn zoektocht naar wat hij dan ook maar in gódsnaam kwijt was geraakt. Hij belde doodleuk door, op speaker, nog steeds over die “f*cking pick-up” terwijl hij -achteraf zogenaamd- iets zocht in het arsenaal aan meuk op die stoel naast mij. Ineens voel ik zijn hand langs mijn been. Ik kijk opzij, hij belt, rommelt door. Kan gebeuren, denk ik? Toch? Hij is gestresst, ook niet helemaal helder meer, ook aan het bellen. Toch? Net als ik hem het voordeel van de twijfel wil geven en mijn koptelefoon opzet, gebeurt het weer. En nu het bovenste gedeelte van mijn been, laten we het ook maar gewoon mijn bil noemen dan. Ik draai me naar hem toe, werp die blik, zeg ‘no’. Hij kijkt me aan. Zegt niks. Pakt zijn telefoon. “Hi Sheryl, just calling you to say I love you more than anything in the world. No, Sheryl, this is the truth. absolutely. Sheryl, I’ll call you later, the plain is taking off now. Bye, love you.” I kid you not. De totaallul hangt op. Het vliegtuig gaat de lucht in. Hij draagt geen gordel. Ik hoop op een luchtzak.

Dat laatste was teveel gevraagd, maar deze prutser zette me wel aan het denken. Ongeveer dertig minuten, toen gaf ik het vechten tegen de slaap op. Het is niet de eerste keer dat me zoiets gebeurt en ook niet de laatste. Helaas geldt dit voor veel en veel meer vrouwen. Het is misselijkmakend intimiderend gedrag en ik had het liefst mijn nagels in zijn papperige wangen gezet. Toch reageerde ik -en reageer ik- doorgaans veel te mild, vind ik, als ik eerlijk ben. In theorie barst ik uit in een next level scheldpartij tot zo’n “man” snikkend afdruipt. In de praktijk blijkt dat ik, maar ik ken dit ook van medevrouwen en meisjes, een supersnelle systeemanalyse maak die vaak uitmondt in de conclusie dat ik me maar beter een beetje rustig kan houden. Want alleen, maar ook in gezelschap, kan een terecht ingrijpen kwetsbaar voelen. Dat was nu ook zo. Er ging niemand van het personeel komen, want klaar om op te stijgen. Dus wat dan? En ook: het was mijn woord geweest tegen die van deze veel te pocherige Amerikaan die dit absoluut niet voor de eerste keer deed en gegarandeerd in puppy-ogen-modus zou schieten, mopperend dat ik het wel bedacht zou hebben. I’ve been there. Arme Sheryl, dacht ik nog.

Oftewel: ik twijfelde aan mijn reactie zoals ik eigenlijk altijd doe als zoiets gebeurt. Was dit adequaat genoeg? Had ik niet meer stampij moeten maken? De verwijten die wel eens aan mijn adres klonken over mijn “laffe reacties” passeren de revue. Sowieso is de consensus van veel mannen, maar ook een aantal vrouwen, dat als je niet agressief genoeg reageert, je dus niet adequaat genoeg reageert. En dat vind ik, hoe langer ik er over nadenk, een lastige gedachte. Want natuurlijk moet je optreden tegen dit achterlijke gedrag, maar bovenal en boven absoluut alles moet je jezelf veilig stellen. Ik zou ook het liefst een actie hebben uitgehaald die deze man er voor altijd van had weerhouden ooit nog ook maar een seconde te denken aan een k*tactie als deze. Maar dat was me hoe dan ook niet gelukt. Voor die mindshift is meer nodig, helemaal bij dit exemplaar. Namelijk: een steeds luider wordend internationaal debat over wat acceptabel is als het over lichamen gaat die niet van jezelf zijn (spoiler, níks als je geen toestemming hebt). En dat debat is er gelukkig. Sterker nog: ik neem er zoveel mogelijk aan deel. Maar per incident is een inschatting maken ook heel belangrijk, denk ik. Om veilig te blijven. En dus besluit ik, al wegdommelend, dat ik blijf vertrouwen op de systeeminschatting die plaatsheeft als er gevaar dreigt, als ook op de bijbehorende reactie. Tot nu toe heeft het me in ieder geval altijd geholpen. Hoe overzichtelijk dat in dit geval ook was, trouwens, dat wat er gebeurde. Want dat kan vele malen erger.

Ik schrik wakker van de oproep klaar te maken voor de landing en kijk nog snel een laatste aflevering van “Mom” (wie weet waar ik deze serie kan kijken: graag), vul alle visumformulieren in en zie Cancún van boven. Het is er 21:00 en donker. Ik ben blij dat ik er ben. Als ook dat ik afscheid kan nemen van de opperdebiel die alweer in zijn telefoon staat te schelden en daarna Sheryl probeert te bellen. Sheryl neemt niet op.

Buiten staat een taxi klaar en in twintig minuten ben ik in mijn hotel. Ik neem een Corona bij gebrek aan witte wijn (?) en val daarna, ondanks dat ik klaarwakker denk te zijn, vrijwel direct in slaap. Om 6u (Cancún-tijd) word ik wakker. En is het echt tijd voor vakantie.

 

Casa Peru

Het is de laatste dag van 2019 en besluit tot een middag vrij. Nogal een zeldzaamheid. Ik pak gehaast mijn tas in voor een Oud & Nieuw bij lieve vrienden in Amsterdam, in goed gezelschap. En als de auto start, merk ik pas hoe moe ik ben. Ik laat me navigeren over de uitgestorven A7, A6, A1 en nu eens niet door de Google Maps mevrouw waar ik altijd een lachstuip van krijg als ze zo droog verkondigt: “Je bent er” bij bestemming bereikt.

Ik ben er. En even later schiet het prachtige als ook chaotische Amsterdam aan me voorbij vanuit de tram. Het is stil, er is even niks te zeggen en weer merk ik hoe moe ik ben. Op deze middag vrij. In goed gezelschap. In die stilte komt dit jaar, mijn jaar, het jaar van mijn meisjes, vliegensvlug voorbij. En om eerlijk te zijn kon het wel een beetje beter, was mijn slotsom. Om nog eerlijker te zijn kon het dat wel vaker, denk ik er stiekem achteraan. Maar wie zegt dat nou? Kutjaar gehad, hoe in godsnaam verder volgend jaar, jij ook happy newyear? Ach en wat is een kutjaar, toch? Er gebeuren altijd ook mooie dingen, nietwaar? Waar. Er gebeurden hele mooie dingen, maar ik maakte ze niet altijd allemaal mee zoals dat had gemoeten. Omdat ik zo lang, zo vaak mezelf niet was. Mezelf is blijkbaar moe, trouwens.

Nu kan ik opsommen wat mis is gegaan, wat niet, wat bijna of allerlei hoogtepunten delen, maar dat is niet zo relevant. Veel belangrijker is wat ik ga meenemen, even later bedacht in een Peruaans restaurant, wel vlak na een “you look like you need a cocktail” kind a cocktail, dus ik sta hier verder niet voor in. Maar dat: geluk duren mag. En verder eigenlijk niks.

Het is een behoorlijk cliché, dat snap ik zelf ook wel en de cocktail hielp niet per se, maar clichés zijn clichés met reden. En ik ga er behoorlijk lekker op, tot nu toe. Want ik weet dat je dingen denken kan, maar dat doen iets anders is. Dat veel mensen vinden, voelen dat geluk niet is weggelegd, of moet worden verdiend. Dat het soms zo onbereikbaar voelt, ook al huist het om de hoek, maar dan moet je het wel herkennen. En geluk vermomt zich nogal eens, ook. Dus hoe weet je dan wat nagejaagd moet worden, wat mag duren, wat juist niet?

Het enige dat mag duren is geluk en verder helemaal niets. Een cliché en godsonmogelijk, want sommige dingen duren nou eenmaal, ook al zouden ze dat niet moeten mogen. Maar dat zijn vaak de dingen die we niet onder controle hebben. Groot ongeluk en kleiner rampspoed: er is geen ontkomen aan. En daar waar je kiezen kan, kies je voor durend geluk, hoop ik. Wil ik. Doe ik. Nu.

Als ik dit schrijf, ben ik nog steeds moe. En meer moe dan gisteren. Van dit jaar, van het nadenken, van veel werken, van nagenoeg geen vakantie, van het huilen als iedereen al sliep, van het opkomen en op mijn hoede zijn, van het laten gaan, van vallen en steeds opnieuw, altijd weer opstaan. Maar ook van weinig slaap want veel te leuk, die hysterische cocktail, de mooie gesprekken, het harde lachen, de vreemde muziek, het analyseren van de mist, van de warmte, van geluk. En alleen dat, dat mag duren.

Als ook: nu ga ik naar bed.

 

Mooi setje mensen

Op mijn verjaardagsfeestje werd ik niet alleen verrast met een prachtig lied, maar ook met mooie woorden van vrienden en familie, want zij werden op hun beurt verrast met de vraag: “Wat is je mooiste herinnering aan Minke?” Leuk ook dat dit zonder voorbereiding gevraagd én beantwoord werd. Zo blijkt dat de mooiste herinnering van mijn stiefvader bestaat uit het terugdenken aan urenlang gejengel en gezeur vanaf een achterbank in een 35 graden warm Zuid-Frankrijk, waar ik geheel tegen mijn zin plaatshad, ter verdediging. Ik zou namelijk de hele dag zoenen op het strand, maar dat mocht niet, ik moest kanoën, dan krijg je dat. Die van mijn vriendin ging over hoe ik een andere achterbank ontvluchtte en de overtuiging dat ik daarmee haar en mijn eigen leven heb gered. Zou ook best waar kunnen zijn; in onze oneindige wijsheid waren we in de auto gestapt bij twee politieagenten op een Spaans eiland, want, hey: polities kun je vertrouwen, duh. Dat viel een heel klein beetje tegen, weer wat geleerd en we kwamen veilig thuis. Mijn zusje vertelde vervolgens in tranen hoe ik bij de bevalling van haar zoontje was en vooral ook hoe ik ruzie had gemaakt met het halve ziekenhuis omdat ze haar ruggenprik niet kreeg. Mijn andere vriendin noemde hoe ze me zo’n mooi rolmodel vond voor mijn kinderen (behalve dan dat met die polities, lieve kinderen: dat moet je dus nooit doen).

De betekenis die we in elkaars leven hebben, is vaak zo onuitgesproken vanzelfsprekend. En ik begreep die avond dat dit zonde is. Dat we vaker mogen vertellen welke impact de ander heeft. Ik kan het een voornemen noemen voor 2020, maar besloot er gewoon maar gelijk mee te beginnen. Want wat heb ik ontzettend mooie mensen om me heen. De vriendinnen zogenaamd van ver die op een of andere manier toch altijd weten hoe het met me is of dat er iets mis is, ook als ik ze niet spreek. De vriendinnen van dichtbij die bleven en bleven en bleven zeggen dat alles goed kwam, dat ik dat moest geloven, dat ik meer kon dan dat ik zelf wist, elke keer opnieuw. Die mijn tranen droogden, terwijl ik niet bepaald uitblonk in attentheid. De moeder die mijn moeder niet is en toch ook in alles wel. Die mij al zo vaak troostte en me voor de verandering dit jaar hetzelfde liet doen, wat de cirkel prachtig sloot. Al haar familie die als de mijne voelt. Nog meer familie die technisch gezien geen familie is, maar wel áltijd klaar staat (bloedbanden zijn highly overrated). De familie die wel familie is en ook altijd klaar staat (zo overrated zijn bloedbanden nou ook weer niet). De vriendinnen waar ik wijntjes mee dronk, tripjes mee maakte, samen mee werkte en lekker veel feministische content mee uitwisselde. Die me leerden, toetsten, scherp hielden en inspireerden. De nieuwe mensen die ik leerde kennen en er zomaar zijn alsof ze er altijd al waren. En nu noem ik niet eens iedereen, sorry nog. You all know who you are.

Allemaal zorgden ze voor me, soms zonder dat ze het doorhadden. Ik gun iedereen zo’n setje mooie mensen. Sterker nog: ik geloof dat het nodig is. En ik geloof ook dat het nodig is om heel bewust stil te staan bij welke betekenis mensen hebben in je leven, op welk moment. Dat we dat uit mogen spreken en mogen ontvangen.

In 2020, of gewoon vandaag.

Oma

Sinds het peuterbedje, word ik ‘s ochtends wakker van het kleinekindjesgetrippel van mijn jongste dochter. Tenminste: in het weekend. Doordeweeks slaapt ze keurig en uiteraard langer dan ik. Dat getrippel gaat dan over in een klim in mijn bed. Ze werpt zich dramatisch naast mij neer op de dekens, verzuchtend dat ze echt onder de dekens moet. Bij mij.

Zo ook gisterochtend. Ik hielp haar van boven de dekens naar daaronder en ze schoof naar me toe. Ik lag op mijn zij, zij op haar rug. En als vanzelf schoven haar beentjes tussen hoe mijn bovenbenen lagen, met haar kuitjes vlak boven mijn knie. Zo sliep ze verder. En zo was ik klaarwakker. Want zo wierp ze me meer dan dertig jaar terug in de tijd. Naar het bed van oma. En het zo liggen bij haar.

Mijn moeder vond het niet de bedoeling dat we in haar bed sliepen, dus dat gebeurde dan ook echt helemaal nooit, misschien een enkele longontsteking daargelaten. Maar zoals dat vaak gaat, hebben oma’s andere, gezelligere, regels. Bijvoorbeeld dat we daar prima in bed mochten slapen. Een half uur voor we Naar bed gingen, kondigde ze alvast aan dat ze de elektrische deken aan zou zetten. Niet per se overbodig in het maar matig gas-verwarmde huisje. En dan om stipt acht uur, mocht ik in het grote bed. Samen met oma. En vouwde ik mijn benen net zo als dat mijn jongste deed. Want warm en fijn en veilig.

Nu was mijn oma niet een oma van veel woorden. Van best wel heel weinig wel, tot grote irritatie van mijn moeder. Mijn mama vond haar mama met name wat bitter en zo wilde ze zelf absoluut nooit worden, zei ze vaak. Nu had mijn oma op zich best genoeg aanleiding om bitter te zijn, maar zo heb ik haar nooit ervaren. Oma was gewoon oma. Met een heel gestructureerd en overzichtelijk en zuinig en ook best wel een beetje eenzaam leven sinds haar man het leven liet. Behalve als wij er waren. En we speelden met de doosjes knoopjes die ze had verzameld. Of samen hondjes van wol maakten, borduurden en televisie keken. Op altijd dezelfde tijd elke keer hetzelfde aten.

Tevreden alleen, zoals ze zelf zei, en een beetje blijer als wij er waren, mijn zusje en ik. Of soms ik alleen. Dat van die benen, dat ben ik nooit vergeten. Ik heb het nog geprobeerd te reproduceren met mijn oudste, want warm en fijn en veilig, maar het werkte niet. Ik wist niet hoe. Tot mijn kleinste meisje het als vanzelf snapte. En zo lag ze daar. Sloeg het blijkbaar een kind over, zo kunnen liggen. Of een hele generatie. Nog los van dat het me raakte omdat ik aan oma dacht, vond ik het bijzonder omdat het zo van ons samen was. Van mij en dit wijze, eigenwijze meisje dat zichzelf 2,5 jaar geleden mijn leven in lanceerde. Dan heb ik het over de bevalling trouwens, niet de zwangerschap van gevoelsmatig negen jaar in plaats van negen maand.

Het leek een bewijs van toebehoren. Toebehoren aan mij en de mijnen. En dat doet ze natuurlijk ook, maar het zo voelen vind ik moeilijk. Natuurlijk is het mijn kind, in alles, zoals mijn oudste dat ook is, in alles. Maar ik heb reserve. En dat is mijn grote, geheime, persoonlijke gevecht. Dat ik het moeilijk vind hoe ze zich hechten aan mij, terwijl ik weet welk verlies ze te wachten staat als ik dood ga en dat ga ik -beloofd en uiteraard- heel veel eerder dan dat zij overlijden. Het afscheid nemen van mijn moeder is me zo zwaar gevallen dat ik ze het graag bespaar en tegelijk kan dat helemaal niet, want dan ben ik er niet echt. Van alle uitdagingen in mijn leven, is die het grootst. Er zijn. Er helemaal zijn.

Dat moment, met die beentjes, leerde me dat ik er toch echt helemaal ben. Dat mijn moeder, mijn oma, mijn vader en veel verder terug er ook allemaal nog zijn. Dat dingen overgaan van oma tot moeder tot kleinekinderstapjes. Dat de intuïtie van mijn kinderen zoveel sterker is dan alles waar ik ze tegen beschermen wil. Dat ik er toch gewoon ook helemaal, nog harder, moet zijn dan dat ik er al ben. En wat vaker aan oma moet denken, misschien.

Reislust

“Ga je alleen?”
“Ja.”
“Helemaal alleen?”
“Ja.”
“Echt helemaal alleen?”

Ik knik nu maar gewoon.

“Kun je dat?”
“Ja.”
“Echt?”
“Ja, echt.”
“En de kinderen dan?”
“Daar wordt uitstekend voor gezorgd door hun vaders. Ik laat ze niet alleen thuis ofzo.”
“Maar mis je ze dan niet.”
“Jawel, maar net niet teveel.”
“Vind je het niet eng, in je eentje?”
“Ik vind het spannend, niet eng.”
“Ik zou het niet kunnen.”
“Dat hoor ik vaker.”
“Ik zou het echt niet kunnen.”
“…”

Ik ga alleen op vakantie. En deed dat vaker alleen. Toen ik 18 was, bijvoorbeeld. Heel avontuurlijk naar Mallorca, een week, vliegend vanaf Airport Eelde. Tijdens de heenreis zat ik naast twee dames op leeftijd die eenzelfde conversatie als hierboven met me voerden, minus het stuk over de kinderen. Ze vonden me dapper en stoer en lieten me beloven dat ik een stoel met daarop een glas voor de deur van mijn hotelkamer zou zetten, elke nacht, zodat als iemand dan ongewenst binnen wilde komen, het glas zou vallen en ik wakker werd. Dat deed ik braaf, natuurlijk. Op dag twee van deze vakantie was ik door al mijn boeken heen en ik was nog nooit zo bruin geweest. Het was een heerlijke week met niets en niemand. Ik heb precies 1 club van binnen gezien, danste met iedereen die aan het dansen was en nam om 0:00 een taxi, samen met het stel dat ik had ontmoet. En ik dacht. Dacht heel erg veel na. Schrijven deed ik toen nog niet.

Dat schrijven begon tijdens mijn tweede vakantie alleen, bijna tien jaar later. Toen vloog ik naar Curacao en waren er geen handige tips van oudere dames in het vliegtuig. In plaats daarvan werd ik getrakteerd op een tien uur durende smeekbede om alsjeblieft, al was het maar heel even, alleen een voorgerecht, uit eten te gaan, straks op het eiland, afkomstig van de manfiguur die eerst al had geprobeerd mijn plekje bij het raam te kapen. Deze keer had ik meer boeken meegenomen die ik niet allemaal las omdat ik schreef. Niet alleen verhalen, maar ook mijn scriptie. En kwam ik vooral verbrand terug in plaats van zongebruind. Maar voelde ik me vooral opgeruimd, uitgerust en met bepakt met nieuwe energie.

Sindsdien deed ik het vaker. Soms een weekendje, soms wat langer. Niets ten nadele van niemand en niks: ik moet soms gewoon alleen zijn. Wakker kunnen worden met een dag in het vooruitzicht die ik zelf, helemaal zelf, mag inkleuren. Niet in conclaaf over rechts of links of rechtdoor, misschien wel terug? Nu eten, straks en waar morgen. Wel zwemmen, niet naar de kinderclub, ik ben gevallen, vergeet je zwembandjes niet. Even geen enkel beroep. Op niks.

Alleen ik met een beroep op mij. Zoals vorig jaar in Mexico. Toen ik schreef en schreef en schreef en daarbij mijn hele relatie met mijn vader herzag. Dat kan ik alleen als ik alleen kan zijn. Maar waar ik ook in heel korte tijd veel zag van het prachtige land. Zo zat ik op dag vier om zeven uur al in de bus op weg naar een Mayatempel, een paar uur rijden verderop. Er werd verteld over de geschiedenis van de streek en alsof het niets was noemde de Vlaamse tour guide nog even dat het Tarantulaseizoen net voorbij was en nam ik me voor een volgende keer iets meer vooronderzoek te doen qua het wat en hoe van mijn bestemming en met name het spinnengedrag aldaar. Ik keek tussen de bomen door of ik aapjes zag, kroop onder mijn sjaal want airco. En voelde me toen, op dat moment, zo ontzettend gelukkig. Onderweg naar ontdekken. Op andere bodem. Met overal zoveel te zien en te voelen. En het vermogen dat allemaal tegelijk binnen te laten.

Ik werd verliefd op dat gevoel, dat ik overigens ook had toen ik met mijn oudste dochter op Schiphol zat afgelopen zomer. Wel pas nadat de hele douaneadministratie was afgehandeld, reizen met kind en zonder bijbehorende vader, dat gaat niet zomaar. Reislust. Met de liefsten, maar dus ook alleen. Ik werd niet alleen verliefd op dat gevoel, maar ook op Mexico. Dus ga ik weer. Alleen. Ja dat kan ik. Nee ik verveel me niet. Ja het is spannend en niet eng. Tuurlijk mis ik de kinderen, maar niet teveel. Ja er kan van alles gebeuren. En ook niks. Als wel, dan is dat wat het is. Ja ik pas op, kijk uit, bij oversteken en meer.

Dit keer twee weken, alleen een ticket en mezelf. Alles van mezelf. Om na te denken zoals ik dat alleen kan als ik alleen kan zijn. Verder te schrijven waar ik gebleven was. Met hopelijk precies genoeg boeken en zonnebrand. Ik ben tot nu toe uitstekend reisgezelschap gebleken, vind ik zelf. Alle vertrouwen dat dat nog steeds zo is.

Ja. Dit kan ik dus. Echt.
Alleen mijn eigen rug insmeren; dat kan ik dus niet echt. 

 

Omdat het ontzettend belangrijk is

Eerder dit jaar schreef ik een stuk over een televisieoptreden van ene meneer Brinkman. Hij vond dat vrouwen misschien voortaan zelf maar moesten opdraaien voor de kosten van hun abortus. Ik vond van niet. Het stuk werd veel gedeeld, ook gepubliceerd op nieuwsplatforms en ontving vele reacties. Positieve. En minder positieve.

Die mevrouw Haveman, die had zeker zelf geen seks. Of: die mevrouw Haveman was vast een slet eerste klas. Als je als vrouw een mening hebt, zie je maar zelden precies genoeg piemel, blijkbaar. Echt leuk zijn zulke reacties natuurlijk niet, maar prima te overzien. Voor mij.

Als er iets is dat ik afgelopen jaar leerde (en daarmee ben ik al veel te laat), is hoe goed er naar mij wordt geluisterd, ook al is niet iedereen het met me eens. En hoe anders dat is voor vrouwen van kleur. Wordt het zo’n stuk? Ja, het wordt zo’n stuk. En toch ga je doorlezen. Waarom? Omdat het ontzettend belangrijk is.

Ik word soms weggezet als boze, ontevreden vrouw met veel te veel of veel te weinig seks. Zowel formeel als informeel. En daar blijft het wel een beetje bij. Iemand waarschuwde me ooit dat mijn feministische en anti-racistische content wel eens voor minder opdrachtgevers zou kunnen zorgen. “Voor zulke mensen werk ik niet” antwoordde ik en ik besef de luxepositie. Mijn privilege. Maar wie zich een beetje verdiept in wat de opiniemakers van kleur over zich heen krijgen, moet zich verplicht helemaal dood schrikken.

In Nederland leven veel racisten. Dat is een gevoelig gegeven, maar daarmee niet minder waar. Is dit nog steeds zo’n stuk? Ja, dit is absoluut zo’n stuk. En toch lees je door. Omdat het belangrijk is, toch? Het is toch belangrijk om aandacht te hebben voor de wereld om ons heen, voor onze maatschappij waarin we onze kinderen gelukkig willen zien opgroeien, waarin we zelf graag, heel graag, gelukkig willen zijn? Waarin we zo trots zijn op gelijke kansen. Of geldt dat alleen als je wit bent?

Ik was mijn handen niet in onschuld. Vorige week nog, ik bladerde door mijn Facebookfoto’s heen, die gaan nogal ver terug. En kwam daar niet een, maar twee keer foto’s van zwarte pieten tegen. Hartjes erbij, alles. Want ik wist niet wat ik nu weet. En ik weet wat ik nu weet omdat ik luisterde naar de enige stemmen we hierin moeten horen: precies, die van mensen van kleur.

Racisme is een systeem waar we allemaal onderdeel van zijn, of je dat nou wil of niet. Het zit in kleine en grote dingen. De karikatuur Zwarte Piet was ooit volledig geaccepteerd, tot het dat niet meer was. En het is niet te danken aan enig historisch besef dat deze strijd nog steeds nodig is. Maar het is ook absoluut niet te danken aan zelfreflectie of de wil om te luisteren, of empathie. Nog steeds zo’n stuk? Ja, nog steeds zo’n stuk. En je leest door. Want het is belangrijk. Niemand wil namelijk racistisch zijn. Ik ook niet. En toch kijk ook ik nog steeds niet radicaal gelijkwaardig naar de wereld. Zonder dat ik het wist, dat ik het koos, zijn er al sinds kind denkbeelden geïnfiltreerd in mijn systeem. Denkbeelden die impliceren dat iemand met een andere huidskleur een andere context heeft dan ik. Andere dromen, andere verlangens, andere doelen, een andere toekomst. Het tegendeel is natuurlijk waar. Maar mensen van kleur hebben wel te maken met andere beloften dan ik. Juist om hoe ik heb leren denken.

Mijn belangrijkste les is dat ik verantwoordelijkheid kan en zelfs moet nemen, ook als ik de situatie niet heb veroorzaakt. Ik heb niet bewust gekozen om op te groeien in een systeem dat draait om de wil, de stem en het recht van witte mensen. Maar ik kan wel degelijk erkennen dat het geen rechtvaardig systeem is. En dus korte metten willen maken met die vooroordelen die voortkomen uit dit systeem. Allereerst door heel erg scherp te zijn op de symptomen als ook de consequenties voor mijn eigen denken. En dat te corrigeren. Bij mijzelf en bij anderen. Door er kennis van te nemen. Door mijn stem te gebruiken.

Dit keer gebruik ik mijn stem daarom vooral heel erg graag om te wijzen op de vrouwen die ik al heel lang volg en zich onvermoeibaar inzetten voor gelijkwaardigheid. Die dat vele malen beter onder woorden kunnen brengen dan ik. Omdat ze het doorleven. Zij vechten steeds opnieuw voor de rechten van gemarginaliseerde groepen, ondanks dat ze weten wat daar op volgt. En ze zijn terecht woest op de ongelijkheid die ze constateren, ervaren en leven. Bakken en bakken ellende krijgen ze over zich heen als ze zich uitspreken, wat hun punt overigens bewijst, maar daar heeft precies niemand iets aan.

Als je graag naar mij luistert, luister dan liever naar hen.

Sylvana Simons

Olave Nduwanje

@diilaa (Twitter)

@fufdadels (podcast)

Dipsaus (podcast)

@moira_mona (Twitter)

@nazimasworld (Twitter)

@monaeltahawy (Twitter)

@marketingvrouw (instagram)

@devikagauri

@hasnaelmaroudi (Twitter)

Harriet Duurvoort

Flavia Dzodan


En ik ben er een heleboel vergeten. Vul gerust aan. <3

Een ode

Daar stond ik. Totaal overrompeld, zonder make-up, met huilhaar en een stukke spijkerbroek. In een zaal van een lokaal poppodium vol met hard dansende mensen, meezingend met de Bob Marley Tribute Band. Het was een verrassing van drie fantastische vrouwen. De avond “niets bijzonders, beetje eten en een spelletje” werd zomaar dit concert. No women, no cry.

Ik was zielsgelukkig en ongemakkelijk tegelijk. Het ging niet heel erg goed met me, toen, dus deze vorm van liefde was welkom. Toch kwam ik er niet helemaal in, in het dansgedruis. Want het ging dus niet zo goed met me. En toen dacht ik aan een andere fantastische vrouw dan de drie die me hadden meegelokt. Sjaan.

Sjaan heeft geen idee welke impact ze op me heeft gehad. Ik ontmoette haar anderhalf jaar eerder bij een week schrijven in Eindhoven. Geen idee wat ik moest verwachten, wie er zouden zijn, ik kende helemaal niemand en het programma was onbekend. Maar op de eerste ochtend werd al gelijk duidelijk wat mijn mede-cursist Sjaan, schrijver en danser, graag wilde: elke ochtend beginnen met bewegen. Gezamenlijk. En als ik ergens een hekel aan had, wist ik, dan was het dat. De overtreffende trap van ongemakkelijk en dan nog heel veel erger. Ik wilde niet. En deed toch een soort van mee, in het begin.

In die week waren er een aantal regels. We zouden elkaar geen ongevraagde vragen stellen over wie, wat, waar en waarom. We gaven ruimte en luisterden. En zouden onszelf met liefde toespreken. Ook: als er een workshop zou zijn, of als iemand zou spreken, dan mocht iedereen gewoon even bewegen en opstaan om iets te doen, dat was belangrijk, want lang stilzitten is niet voor iedereen weggelegd. En ik zag mijn kans schoon: als dat gold, dan gold ook dat met zo’n hele groep bewegen niet voor iedereen weggelegd zou moeten zijn. Bijvoorbeeld voor mij. Dus ik sprak uit dat ik de optie wilde niet mee te doen met de gezamenlijke ochtendbewegings. Dat was prima. Dus zat ik vanaf toen heel tevreden aan de kant.

Tot een onbewaakt ogenblik; er werd een ongepland gezamenlijk bewegingsmoment gecreëerd en ik stond op een plek waar ik niet makkelijk weg kon. Deze hele week ging over intuïtief schrijven, over voelen en niet denken, jezelf en alles dat je dacht te weten bevragen, niet per se antwoorden hoeven hebben. En Sjaan wilde graag dat we gingen bewegen. Het werd een women’s march die ze had geleerd in Senegal. Ogen dicht. Armen en handen ontvangend naar buiten. En stappen, op dezelfde plek. En stap. En stap. En harder. En stap. En harder. En stap. Stap. Stap. Twintig mensen stapten. Harder en harder. Met ogen dicht en die armen en handen ontvangend naar buiten en allemaal tegelijk. En stap en harder en stap. Stap. Stap. Zomaar deed ik mee.

Ik brak. Volledig. Ik stapte en stapte en bij elke stap kwamen er meer tranen tot ik uiteindelijk naar adem hapte. Alles overspoelde me, alles dat er toen was en alles dat er was geweest. Het ritme, de cadans. De stilte daaromheen. Het donkere met mijn ogen dicht. De stem van Sjaan. Absoluut de stem van Sjaan. Het was een goed soort breken, het was een goed soort huilen. Met het breken, heelde ik ook. Hoofd, hart en lijf kunnen blijkbaar makkelijk op verschillende continenten wonen, tot ze samenkomen. En ik wist niet, of durfde niet, dat dat kon.

Door Sjaan werd er iets geraakt dat nog niet eerder was gelukt. En daar in die zwetende popzaal met Redemption song alom aanwezig, met die fantástisch dansende vriendinnen, dacht ik aan haar. Aan hoe bewegen blijkbaar hielp te voelen wat er al wel was, maar niet eerder werd aangeraakt. Dus ik liet me meenemen door het ritme. Met de drums in mijn heupen en de stem in mijn hart, met het achtergrondkoor die mijn voeten leidden. De ongemakkelijkheid verdween, ik kwam tevoorschijn. Tranen van geluk. Heel erg veel dansen. Twee huwelijksaanzoeken. En een geweldige avond. Met fantastische vrouwen.


Dank je Sjaan. Ik blijf dit doen. Blijf dit doen. X

Sjaan: https://www.sjaanflikweert.net

lieve E, M en L: dank voor een avond die ik nog steeds meedraag. Ook een ode aan jullie. 

Groots

Mijn moeder was groots. In doen en laten. Niet qua fysiek: ze was klein en tenger en soms bijna breekbaar, helemaal toen ze daadwerkelijk te breken bleek. Ze was groots in interesse, in warmte, in troosten, in luisteren en in precies de goede dingen zeggen tegen een ieder die dat nodig had. Ze was groots in de liefde.

Die liefde zag ze het liefst allemaal tegelijk aan de grote houten tafel die ze samen met haar man kocht voor in hun nieuwe huis. En met groot bedoel ik: ruimte voor vier kinderen én de onvermijdelijke aanhang. Het zijn, dat weet ik zeker, haar allerliefste momenten geweest. Dat we er waren, allemaal. Kletsten, aten, dronken en ruziemaakten, want daarin waren we allemaal ook best groots. Vaker lachten, deelden en luisterden we. Ze drukte ons allemaal op het hart, toen ze wist dat ze zou gaan, dat die tafel bezet moest blijven.

Dat is gelukt. Het ene jaar wat beter dan het andere jaar, maar vanavond was het overvol. Niet alleen bijna alle vier van die kinderen en de aanhang daar waar van toepassing, maar ook de rest van de familie en die kinderen en die aanhang daar waar van toepassing. Met zelfs een setje prachtige kleinkinderen. Er waren meer mensen dan plekken aan de tafel. Ze zou genoten hebben. Zoals ik dat deed.

De tafel is verhuisd naar een nieuw huis. Met een nieuwe vrouw des huizes. En ik genoot, maar was soms ook een beetje in de war daarvan. De slabak van Ikea waar ik zo ongeveer mij hele leven uit had gegeten werd gedragen door niet dezelfde handen die me optilden als ik mijn knieën weer eens stuk had gevallen. De Bijenkorfkoffiekopjes, gedecoreerd naar een bekende schilder waar ik niet geheel verrassend de naam niet meer van weet omdat ik namen lastig doe, stonden ineens een levendige herinnering te zijn aan thuis, thuis. De flesjesopener in de vorm van een uil; daarvan wist ik niet eens meer dat het er ooit was, tot het daar ineens lag, op een overvol aanrecht, samen met een verlaten bierdopje als bewijs van functioneren.

Van de heel veel mensen die er waren, deelde ik met precies drie een bloedband. En voelde toch iedereen als familie, zoals elk jaar weer. En ja, natuurlijk mis ik mijn mooie mama en natuurlijk had zij er in alles moeten zijn, daar, aan de tafel. Met de slabak en de kopjes en de flesopener. Maar ze is er niet. En belangrijker dan dat ik toch heel erg genoot van alle gesprekjes, het lachen, de hapjes, mijn kookblunder, de wandeling, de baby, de gesprekjes, het gelach en ook de wijn: ik weet met alles zeker dat mama dat ook heeft of zou hebben gedaan. Dit was de bedoeling. Ze gunde ons allemaal het allerbeste en meer. Ze was groots in de liefde. We moesten en zouden verder, alsjeblieft en in godsnaam.

Dat is dus gelukt.

De slabak werd gedragen door een andere grootse vrouw, met dito man. En er werd uit gegeten door grootse mensen en grootse kleine mensjes. Mijn moeder leeft voort in klein servies en een grote tafel. En in honderduizendmiljoen verhalen bij iedereen die er was, als alles dat ze was.

Dank lieve M en D, jullie geluk straalt van jullie af en is zo gegund. En ook ook dank aan de rest :). Voor de mooie avond. Bijzonder hoe we altijd zo welkom waren en zijn gebleven. x

Is het niet zo?

Eng is niet zozeer de val,

als wel of iemand vangen zal.

Is dat niet, alles buiten beschouwing latend, wat ieder mens eigenlijk echt wil? Dat, als je dan valt, er gewoon iemand is die vangt? Hoe stoer en vrijgevochten en stevig en sterk en onaantastbaar ook?

Is het niet ook zo dat wakker worden met een warme hand die zachtjes over je rug gaat, van helemaal omhoog naar helemaal naar beneden en nog een keer en nog een keer, het fijnste wakker worden is dat er is? En kan het zijn dat een zoen voordat je gaat, omdat je weet maar nooit, en dan nog eentje gewoon omdat het kan, het meest geruststellende is dat bestaat? Of dat niets zo troost als tranen mogen morsen op een gloednieuwe trui? Niets zo fijn is als huilen van het lachen met opnieuw die tranen op die trui? Dat horen of het nou de stilte na storm is, of het oog van de orkaan en dat allebei goed komt, omdat alles al goed was en alleen nog maar beter wordt en anders maar niet en dat dat ook niet erg is, dat dat zo ontzettend veel rust geeft? Dat het zo veilig voelt te kunnen bellen op elk moment van de dag als dat nodig is, als dat echt echt echt nodig is, of om gewoon even te kletsen. Dat die broodjes die met liefde gesmeerd zijn het allerlekkerste zijn van alle broodjes, ooit? Dat die lach, dat dat even alles is? Dat is toch zo?

Maar is het ook niet zo dat hebben, houden, eng of kansloos of onmogelijk kan zijn, minstens heel erg ingewikkeld of op z’n allerminst niet vanzelf gaat allemaal? Of dat allemaal tegelijk? Dat willen en weten en kunnen en mogen en kiezen en delen soms allemaal vervlochten zijn in één grote chaotische serie van gebeurtenissen? Zodat de hele cast zich alleen nog maar afvraagt hoeveel afleveringen nog, in godsnaam?

Eigenlijk is alles waar. Of kán en mag alles waar zijn. En is het mooie, als het mij gevraagd zou worden, dat het altijd een eigen en persoonlijk verhaal is, dat liefde en ook vriendschap vele verschijningsvormen kennen en een vangnet allerlei gedaanten.

Niemand valt graag te pletter. En er is niet altijd iemand om te vangen. Dus kan het ook zo zijn dat we onszelf en elkaar niet goed genoeg leren hoe te vliegen?

Want wie vliegen kan, valt nooit.

———

Eng is niet zozeer de val,
als wel of iemand vangen zal.
Tot je weet hoe schijn bedriegt,
je valt niet echt, je vliegt.

…met veel dank aan Erin Hanson voor haar gedicht dat mijn lievelings is en ik als inspiratie gebruikte… “oh my darling, what if you fly”

 

Het meisje in de auto

Mijn kantoor zit midden in de binnenstad. Dus is er altijd wel wat te zien of te beleven. Mensen maken er ruzie, halen er hun drugs, drinken er hun bier, vallen van de trap, zoenen zich te pletter in het portiek. Heerlijk, vind ik. Alles komt voorbij.

Het kantoor is een beetje incognito, helemaal als de luxaflex net niet volledig zijn opengedraaid, net als  op deze dinsdagmiddag. Van buiten zie je niet wat ik kan zien. Er parkeert een auto op de stoep, zoals zo vaak. De zilvergrijze Opel laat de motor draaien. Ik kan woordelijk horen wat ze ze naar elkaar schreeuwen, maar ik snap niet waar het over gaat. Het meisje is heel erg overstuur. De man is kalm. Zij schreeuwt, hij fluistert. Zij huilt, hij kijkt weg. Zij zwaait haar armen hulpeloos in de lucht, hij stapt uit. Ik zie haar schudden van verdriet en wanhoop en totale ellende. Ik loop naar haar toe.

Ze schrikt als de deur van het kantoor ineens openzwaait. Ik zie hoe haar tranen strepen hebben getrokken door de foundation op haar wangen. Ik zie hoe haar tranen zo hardnekkig zijn dat ze pas rusten als ze haar decolleté zijn binnenkropen. Ze trilt. Ik gebaar of ik de autodeur mag opendoen. Dat mag. “Wil je misschien een glaasje water?” Ze is in de war van mijn vraag. Ik ga door mijn knieën en vertel haar hoe ik haar begrijp, hoe ik echt weet hoe kut het is. En dat een glaasje water fijn kan zijn. Dat ze verder niets hoeft.

“Ja” zegt ze. Ik pak WC papier tegen de tranen en een glaasje water tegen alles. Ze veegt die tranen weg en drinkt met kleine slokjes. Ik ben stil en leg mijn hand op haar arm. Ze huivert van het huilen en probeert uitleg te geven. Dan zeg ik dat ik geen uitleg hoef, maar dat ik wel moet vragen of ze fysiek veilig is, want zo zag het er eerder niet uit. “Ik moet bij hem weg. Ik was bij hem weg. En toen zei hij dat alles goed zou komen en nu koopt hij weer wiet. Van mijn geld. Ik wil niet meer, maar ik ben zijn vrouw toch, ik moet wel.”

Ik zeg dat ik het snap, dat het er bovendien niet toe doet of ik het snap. Dat ik alleen maar wil weten of ze veilig is. Terwijl ik natuurlijk zie, met eigen ogen, dat ze dat niet is. En in alles voel ik dat niks klopt. Wil ik haar het liefste binnen vragen, verstoppen, praten met haar, vertellen over liefdevol en veilig en vertrouwd en armen die wegnemen als ze vasthouden, in plaats van verstikken of pijn doen. In plaats daarvan vraag ik nog een keer naar haar fysieke veiligheid, alsof dat het enige is dat telt. Alsof botbreuken leidend zijn. Alsof de schade die men oploopt door woorden en deze eindeloze momenten van machteloosheid niet even desastreus is.

“Hij brengt me naar huis en dan ga ik nooit meer terug” zegt ze snikkend. Ik ben even stil. Het is moeilijk een vreemde te troosten. “Al ga je nog honderd keer terug: dit is mijn kantoor. Je mag hier altijd komen” antwoord ik uiteindelijk. Dan werpt ze haar glas en het besnotte WC-papier plotseling in mijn armen en sist ze dat hij er aan komt. Ik gooi de autodeur weer dicht en sprint naar mijn bureau.

Niks aan de hand. Niks gebeurd. Alsof er niks was gebeurd. Hij stapt in zonder iets te zeggen en scheurt gelijk hard weg.

Het waren niet mijn zaken. En dat zijn ze nog steeds niet. Ik twijfelde daarom of ik wel naar haar toe moest gaan. Dat ik het toch deed was omdat ik weet hoe eenzaam ze op dat moment was. Eenzaamheid kan makkelijk, ook al is het voor eventjes, toch verlicht.

Kijk een beetje voor elkaar uit, zo moeilijk is het niet. Soms is het een kort moment van troost, een belletje, gewoon laten zien dat je iemand even ziet. Vraagt of je ok bent. Het ergste dat er kan gebeuren is dat iemand vraagt om weg te gaan. Het mooiste dat er kan gebeuren? Dat iemand net iets minder helemaal alleen is.

Imagotechnisch slim

“Slim, die stichting. Staat erg sympathiek” zegt hij. Mijn beweging wijnglas – mond staakt abrupt. “Wat zei u?” Ik verstond dit vast verkeerd. Het is lawaaiig op de zoveelste borrel met weer min of meer dezelfde mensen. “Dat het sympathiek staat, zo’n stichting. Het is imagotechnsich slim. Goed gedaan.” Nu neem ik snel een slok wijn zodat mijn vlijmscherpe respons wel moet vervallen. Ik ken de beste man niet en de beste man kent mij ook overduidelijk niet. Nooit was het in me opgekomen dat dit een manier kon zijn om aan te kijken tegen dat wat ik doe, wat we doen. Kennelijk is dat het wel. En dan kan ik wel boos worden omdat er aan mijn en onze intenties wordt getwijfeld, maar misschien heb ik ook wel niet goed verteld hoe belangrijk dit voor me is. Dat wat we doen.

De stichting die de man bedoelde is van mij en mijn twee goede vriendinnen. We zorgen voor geld waarmee we gezinnen een dagje uit kunnen geven als ze dat zelf niet kunnen betalen. En dat zijn er veel. Gezinnen die dat niet zelf kunnen betalen.

Het moet toch echt zo’n dertig jaar geleden zijn geweest dat ik met mijn moeder, zusje en twee goede vrienden naar Het Land van Ooit ging. Voor wie dat niet kent, het bestaat helaas niet meer: het was een fantastisch fantasieland met een eigen valuta en kinderen waren er de baas. “Behalve over het geld” riep mijn moeder nog. Dat het een fantastische dag was, blijkt uit het feit dat ik me die hele dag nog steeds kan herinneren. Een dagje uit maakt indruk. Heel veel indruk.

Nu was mijn moeder niet arm, maar geld was er ook niet. Ze werkte, kreeg geen alimentatie, alles kwam net rond. Dus uitjes deden wij niet. Nieuwe kleren deden we nauwelijks. Met de vakanties gingen mijn zusje en ik naar de stacaravan van oma zodat mama kon werken. Soms een tripje naar het buitenland, mijn moeder reed dan in haar eentje naar Hongarije waar mijn oom een huis had. Dat dit kon was meer dan pure luxe en dat wisten we.

Terugkijkend kan ik niet zeggen dat ik iets tekort kwam. Zo heeft het in ieder geval nooit gevoeld. Maar bij papa was het anders. Papa had echt geen geld of wel geld maar dan was het niet de bedoeling dat ‘ie geld had dus dat geld was er eigenlijk niet. Als hij iets met ons wilde doen in het weekend, als, dan kon dat alleen als we eerst een rondje stad hadden gedaan langs allerlei donkere kroegjes met veel zwetende mannen, allemaal aan het bier, de harde muziek zorgde ervoor dat we elkaar niet konden verstaan. Uiteindelijk kreeg hij het, charmant als hij was, altijd voor elkaar en stopte iemand hem een briefje van vijftig toe. Dan konden we naar de bioscoop of de kermis. Dat kostte natuurlijk helemaal geen vijftig gulden, maar hij zal de rest ook wel nodig hebben gehad. Leuke dingen doen met papa was het mooiste dat er was.

Samen met mama of papa of beiden of mama en oma of papa en oma of opa en tante, of met wie er dan ook maar is die de zorg draagt, iets leuks doen: dat is het mooiste dat er is. Voor kinderen, maar ook voor de volwassenen. De kinderen waar wij vanuit de stichting contact mee hebben, kunnen nooit een keertje in de klas vertellen dat ze iets leuks hebben gedaan. Zijn soms nog nooit met de bus geweest. Laat staan naar de dierentuin. Bovendien leven ze elke dag in stress. De voelbare stress van hun ouders. Geldzorg is een werkwoord. Geldzorg gaat niet over dingen niet hebben. Het gaat heel erg vaak over de angst dat er nog meer wordt afgenomen.

En als je maar heel erg weinig te bieden hebt aan je kinderen, terwijl je zo graag anders wil, zo graag meer rust, meer gelach overdag, meer zorgeloos samen spelletjes doen, zo graag wel een ontbijtje kunnen maken ‘s ochtends, zo graag iets vrolijker, dan lijkt een dagje uit misschien klein, maar is het juist zo belangrijk. Het gaat om samen herinneringen maken die er anders niet waren geweest. Herinneringen die er jaren en jaren later, soms dus decennia later, nog steeds zijn.

Deze stichting is er omdat ik vond dat het er moet zijn. Omdat ik weet hoe het is, wat het betekent. Omdat ik had gewild dat het er was geweest toen ik klein was. Omdat ik mezelf zo gelukkig prijs dat ik mijn kinderen alles kan geven dat ze nodig hebben en meer. Dat ik mezelf in een positie heb gewerkt met tijd en ruimte om dit te doen. Omdat iedereen, hoe de bankrekening er ook uitziet, mooie herinneringen verdient. En omdat mijn lieve vriendinnen dezelfde passie hebben en zich ook dag en nacht inzetten voor die herinneringen. 

Als wij iets hadden willen doen dat ons imago ten goede zou komen, dan hadden we echt wel iets gekozen dat minder tijd zou kosten, bovendien.

Dus, meneer: ik slikte mijn respons in. Maar had uiteindelijk natuurlijk moeten vragen: wat heeft u de laatste tijd zoal vrijblijvend voor een ander gedaan? En met welke reden?

Lieve Yv en Wieke: <3.         

Meer over onze stichting: Lutje Geluk.

Samen voor altijd

Het ging niet goed met haar. Al een tijd niet. Haar ogen werden doffer, haar lach minder hard, haar stem zacht. Haar blik naar beneden, haar schouders laag. Haar huilen hard. Haar boosheid hardnekkig. Als mijn hart het maar houden zou.

Het was op school, ze werd gepest. Dat had zich ons leven ingesluimerd. Eerst in dat van haar, toen ze het nog alleen droeg, want hoe vertel je wat je niet begrijpt. En langzaam werd het van ons beiden. Op school hield ze zich goed, zo hoorde ik. Niets aan de hand. Vrolijk, lekker aan het spelen, sociaal, geïnteresseerd, misschien wel niet zo stevig in haar schoenen. Zodra ik de voordeur dichttrok, stortte ze in. Eerst nog gewoon een beetje, bijna onzichtbaar. Later totaal. Lange uithalen op mijn schoot, tranen in haar eten. Gesmoord huilen in haar kussen. Buikpijn. Elke dag buikpijn.

Mijn hart mocht niet breken, want dat had ze nog nodig. En natuurlijk sprak ik met haar. Met school. Met de ouders. Met psychologen. Met iedereen die het wilde horen. Want ik wist niet wat ik moest doen. Ik wist echt, echt niet meer wat ik moest doen. Als ik haar in de ochtend eindelijk naar school had kunnen krijgen, met heel veel ruzie want ze wilde niet, met extra langzaam fietsen want ze wilde niet, met verwijten naar mij want ze wilde niet en waarom deed ik niets, was ik door al mijn energie heen. Nooit geweten dat machteloosheid zo gemakkelijk een hoofdrol in mijn leven kon veroveren. Ik had er bijna een extra bord voor gedekt.

Elke valkuil ben ik met open ogen in gekieperd. Hard. Want natuurlijk moest ze op zelfverdediging en misschien wel in therapie. Natuurlijk was ze kwetsbaar en lief want dat was ze ook, maar echt helpen deed het natuurlijk allemaal niet. Natuurlijk moest ze negeren en harder en harder want dat zou helpen toch? Wat zo vaak gebeurt in deze gevallen: iedereen gaat met het slachtoffer aan de slag, want dat is makkelijker. Wat waren we hard aan de slag. Vol overgave waren we allemaal aan de slag. En ik maar zorgen dat mijn hart niet brak. Want dat hart had ze zo hard nodig.

Alles. Alles en alles en meer heb ik geprobeerd en werkelijk niets hielp. Niemand zag en hoorde op tijd wat er echt aan de hand was. Ook ik was te laat. Mijn meisje met de glimoogjes en betoverende lach veranderde in een meisje dat ik nog maar heel vaag herkende en me op een dag aankeek terwijl ze zei: “Ik heb een plan. Morgen sluit ik me op op de WC. Tot twee uur. Ik hoef niet eens de iPad. Maar dan hoef ik in ieder geval niet naar school. Ik wacht tot twee uur.” Ik zag dat ze het meende. Dat ze het met alles meende dat ze had.

Toen brak eindelijk mijn hart.

Ik trapte de machteloosheid, samen met de wanhoop, de deur uit. En regelde een andere school. Ze was ook daar boos over, maar meer nog opgelucht. Niet alles is eerlijk in het leven, al is negen jaar veel te jong om dat te ervaren, soms is niet eerlijk wel gewoon beter. In de avond van de eerste dag in haar nieuwe klas, hoorde ik haar zingen onder de douche. Dat was voor het eerst in anderhalf jaar. Mijn meisje was weer onderweg terug.

Vorige week zag ik hoe ze er weer was. Op mijn verjaardagsfeest stond ze ineens met een microfoon in haar handen. Ze zong “Samen voor altijd” in een, samen met haar zangjuf, aangepaste versie. Ze oefende, ze zorgde dat de zangjuf het stuk inspeelde, ze zorgde dat die opname via de oppas en viavia uiteindelijk op die avond terechtkwam, samen met een muziekinstallatie. Ze zong. Ze zong de sterren van de hemel. Er stond een prachtig meisje met al haar prijzenswaardige kwetsbaarheid, met alles dat ze is en nooit moet veranderen. Ook niet als haar moeder dat zegt.

Ik hoor bij jou. Jij hoort bij mij. Wij blijven samen voor altijd.

En mijn hart was weer gelijmd. Deze dame komt er wel.

Antislip

Alles dat ik had, wilde ik houden. De liefde, de hoop, de beloften, alle woorden, alle, alle herinneringen. En de drie vuilniszakken ondergoed, panty’s en skisokken uit mijn moeders erfenis waarvan ik alleen die laatsten ooit zou passen.

Alles dat ik had, wist ik. En verder ineens niks. Niet hoe het leven buiten écht was, buiten mijn huis met dat alles dat er was. Mama’s kast en oma’s klok en papa’s as. Missen draait een rad voor ogen dat geen weerga kent. Ik heb me bovendien nogal vergist in de mist.

Het was veilig, het was vertrouwd, want het was alles dat ik had. En het leek ook echt heel erg lang genoeg, meer dan genoeg. Tot het teveel bleek, dat alles dat ik dacht te moeten houden.

De vuilniszakken gingen als eerst, op één paar skisokken na. Antislip. Handig tegen uitglijden. “Loslaten is soms het allergrootste cadeau dat je iemand kan geven” zei mijn moeder vaak. Zeg maar: om de dag. En ik denk dat het waar is. Als het om groter groeiende kinderen gaat, bijvoorbeeld. Of liefde die benauwt in plaats van bevrijdt.

Maar ik twijfelde toch toen ik de bh’s en panty’s en skisokken-zonder-antislip in de container gooide.  “Olifantje in het bos, laat je mamma toch niet los, anders raak je de weg nog kwijt, en dan heb je straks nog spijt” is het lievelingsliedje van mijn jongste kind. Ze zingt het vaak samen met haar zus. Ik probeer er steeds opnieuw geen waarschuwing in te zien. Mama’s laat je niet los, bij mama’s blijf je in de buurt. Anders raak je de weg nog kwijt.

Dan moet mama er wel zijn.

Alles dat ik had, alles dat ik kende. Alles dat er was, moest en zou ik blijven hebben. Want ik liet mama dus wel los en ze had me nog helemaal de weg niet gewezen. Ik bleef gewoon maar zitten waar ik zat. Ging heus niet ergens heen, zelfs het als me werd gevraagd en later streng bevolen.

Alles. Alles dat ik had, wilde ik houden. De liefde, de hoop, de beloften, alle woorden, alle, alle herinneringen.
En soms is het bezitten van twee skisokken gewoon echt meer dan genoeg.
Met de hoop niet uit te glijden.

Vrolijk en grappig en leuk

Ik mis meer dan ik meemaak.* Ik schrijf meer dan dat ik publiceer. En ik beleef meer dan dat ik schrijf. Ik was best een lange tijd heel stil.

Er gebeurde iets. Of: eigenlijk liet ik iets gebeuren. Ik werd aangesproken op het hoge dramagehalte van mijn verhalen. Dat het ook allemaal wel wat gezelliger kon. En ik dook totaal onverwachts weg. Het overviel me. Dat eerste koos ik niet voor, het tweede wel. Uiteindelijk heeft het me veel tijd en een onvergetelijke week “schrijfkamp” in Eindhoven gekost om mijn stem weer te vinden. Maar ook om te snappen wat ik doe, waarom en voor wie. En welke urgentie ik voel.

Want vrolijk en grappig en leuk; kan ik, doe ik ook wel eens, maar voelt niet als noodzaak. De verhalen hier, de verhalen over mijn ouders en de rauwe rouw die gewoon elke dag, élke minuut ingebed is in mijn leven, die zijn voor mij belangrijk. Omdat ze belangrijk zijn. Voor anderen. Nou heb ik geen grootheidswaanzin, geen zorgen, maar zo is het wel begonnen, wat ik schrijf. Dat ik schrijf. Van kleurige vakantieblogs op tropisch Curaçao naar een verhaal over een moment daar dat mijn perspectief veranderde. Dat me leerde dat ik verdrietig mocht zijn. En mocht missen. Uitgerekend dat verhaal kreeg de meeste en de meest mooie reacties, maar het gaf vooral mijn rouw een plek. Belangrijker: het wekte mijn moeder tot leven. Even. Dus dat is wat ik bleef doen.

Rouw is geen populair onderwerp. Niet op feestjes, niet bij het koffieapparaat, niet op de dames WC tijdens een feestje. Maar wie verloor weet ook hoe eenzaam dat gegeven is. En ik dus ook. Daarover, en gelijkende onderwerpen, schrijven én daarmee ook nog anderen raken, dat is wat ik deed tot ik even niet meer wist of dat allemaal wel gezellig genoeg was.

Tot ik uiteindelijk besloot van wel. Omdat het niet voor iedereen even makkelijk is gevoel te verwoorden, omdat verhalen verteld moeten worden, omdat doden onder de levenden horen te zijn en omdat ik daar urgentie voel. Omdat kwetsbaar kunnen zijn alleen maar winnaars heeft. Omdat zwijgen nooit iemand hielp. Omdat mezelf censureren uiteindelijk blijkbaar zorgt voor helemaal niet schrijven, dus ook niet veel gezelligs.

Daarom vandaag, 12-12, op de verjaardag van mijn vader, een paar woorden over hem.

Hoe langer ik leef terwijl hij dood is, hoe moeilijker ik weet welke relatie we eigenlijk hadden. Hij was de Grote Afwezige op ontelbaar veel momenten, maar als hij er was, was het ook niet altijd leuk. Ik vind het soms moeilijk om te constateren dat hij het gewoon allemaal niet zo goed wist, het leven. Hoe het moest. Wat hij wilde. En dat alles dat werd verwacht niet echt lukte, of dat hij er geen zin in had. Dat is een lastige conclusie voor mijzelf, helemaal nu ik zelf kinderen heb. Maar ik vind het vooral ook verdrietig voor hem.

Ik wil achteraf dat ik minder boos was geweest. Dat ik beter had begrepen waarom er gebeurde wat gebeurde. Dat ik meer mededogen en minder onbegrip in me had gehad. Dat onze strijd, mijn strijd om meer erkenning en zijn strijd in onvermogen, minder heftig was geweest. Dat ik niet, een paar uur na zijn dood, ergens in een schriftje las dat “Minke altijd zo moeilijk doet”. En ik toen wist: ik ben nog maar een kind. Ik was al die tijd nog maar een kind. Jóuw kind.

Nu weet ik dat ik het niet anders had kunnen doen. Weet ik ook dat hij het niet anders heeft kunnen doen. En die berusting troost, het troost zelfs de woorden in dat schriftje. Tijd heelt wonden, maar biedt ook nieuwe vergezichten, juist als de dingen complex zijn. Of nog niet afgerond. Of beide. Een relatie ontwikkelt kennelijk verder, ook als diegene het leven verlaat. Het lastige is alleen dat het verdomde kut discussieert met een dode. Daar zouden ze iets aan moeten doen.

Ik mis meer dan dat ik meemaak. Ik schrijf meer dan dat je leest. Ik leef meer dan dat ik schrijf. Maar ik schrijf. Papa is jarig vandaag. Zou hij zijn. En ik heb mijn stem weer terug.

Lieve papa het was en is een avontuur met je. En wat word je gemist. <3

*vrij naar een citaat van de fantastische Martin Bril <3

 

Was getekend

Hij doet dit natuurlijk elke dag, de hele dag. Ik hoor de routine van al honderden keren opgelezen tekst, maar dan net iets anders. Mijn namen, geboortedatum. Dan de namen van de kinderen en wanneer zij geboren zijn. Deze afspraak is voor hen. Nu mijn grootste schat; de allermooiste erfgenamen als ik er niet meer ben.

Het dendert door met bepalingen en uitsluitingen en voogdij en wettelijke vertegenwoordiging en vruchtgenot en wat als ze gaan trouwen, als ze zelf moeder zijn. Of als ze er niet meer zijn. Het is allemaal uitgebreid doorgenomen en uitgedacht, vandaag hoef ik alleen te tekenen. En dan heb ik een testament.

Ik merk nog op dat ik het jammer vind dat er geen champagnemoment is gecreëerd, dat had het een stuk gezelliger gemaakt. We lachen, de notaris en ik. En daarna teken ik maar gewoon. Wetende dat ik er goed aan doe, maar echt leuk is het niet. Vooral het doordenken van alle mogelijke scenario’s viel me zwaar. Wat als ik eerst, dan zij, wat als we allemaal tegelijk, wat als ik ze overleef. Ze zijn nog zo klein en kwetsbaar. Ik had het ijskoud, het hele uur lang. Maar ik moest.

Vele jaren gun ik mezelf en ons samen, maar de realist (soms in gezelschap van een zachtfluisterende fatalist) in mij weet dat dit zomaar anders kan uitpakken. En overlijden zonder testament kan dan weer rommelig verlopen voor zij die achterblijven, weet ik ook maar al te goed. Stress en gedoe die ik mijn kinderen graag bespaar. Want, daar ga ik voor het gemak maar van uit zonder arrogant te willen zijn, er is al verdriet genoeg als ik me door magere hein laat ontvoeren naar elders. Over 100 jaar.

Elke dag denk ik: wat zijn ze groot. Wat groeien ze veel te snel. En terwijl ik mijn handtekening zet, weet ik: ze zijn nog zo klein. Te klein. Maar dingen kunnen gebeuren en dan is het maar duidelijk wat daarna. En wat daarna niet. Er wordt voor ze gezorgd.

Dus. Ik ben een moeder met een testament en voel me heel volwassenen nu. Daar werd het waarschijnlijk ook wel een beetje tijd voor nu ik deze maand 37 word. Althans: dat hoop ik dan maar gewoon, dat ik de achttiende haal. Deze handtekening voelde ergens stiekem ook als een vrijbrief voor welk noodlot dan ook om zijn/haar kans te grijpen. Ik hou me daarom maar al te graag vast aan het gebrek aan wetenschappelijke bewijs voor een oorzaak-gevolg qua het tekenen van een testament en overlijden. En ik hou me ook gewoon even vast aan het feit dat ik springlevend een wijntje drink op het leven. Op mijn leven. En dat van mijn prachtige toekomstige erfgenamen.

Valsnelheid

Ik heb zo’n app die foto’s laat zien van een jaar, twee jaar of langer geleden. Geinig om dagelijks te worden herinnerd aan wat toen was, met wie en waar. Vandaag was daar de foto van een typische ziekenhuismaaltijd: een grijs stuk vlees, gare broccoli, kleine stukjes aardappel en een kommetje dikke, bruine jus. Het was de enige foto van die dag en was in grote stress gemaakt. Hele grote stress, wist ik.

Die foto is op zich nogal bizar: ik heb werkelijk geen idee waarom ik vond dat ik deze troosteloze maaltijd moest fotograferen. De Instagramwaardigheid is minder dan nihil, om te beginnen. Nog verwarrender is dat ik hele andere dingen aan mijn hoofd had op dat moment. Maar misschien juist daarom. Ook twee jaar later werkt het bord eten genadeloos ontnuchterend.

Een paar uur daarvoor was er weinig aan de hand. Ja: ik was heel erg zwanger en daar heel erg zat van. Bijna achtendertig weken om precies te zijn. Qua zwangerschapsduur, maar ook qua de termijn dat ik het al zat was. Niet omdat ik niet blij was met mijn immer groeiende baby, maar omdat ik zwanger zijn erg slecht trok. Ik keek er enorm naar uit om dit nieuwe leven te ontmoeten, telde de dagen, uren en kwartiertjes tot de bevalling af, ze mocht gerust nu komen. Maar ik verheugde me ook heel erg op de optrekkende mist. Dat ik me weer een beetje mezelf zou voelen. 

Nog een klein klusje, vond ik. Ik had die dag mijn laatste werkdag gehad en zou nu echt een soort van zwangerschapsverlof hebben. Omdat mijn partner en onze kinderen niet in één huis woonden, maar rondom de bevalling wel graag samen waren, was dit ook de dag dat we daar op zwangerschapslogeervakantie gingen. Er hoefde nog maar één item verhuisd: het aquarium met Tommie en Rosie, twee hele gewone goudvissen. En dat kon ik nog prima zelf, vond ik. Al het andere was immers ook gelukt. Het water er uit, het grind in een zakje, de visjes in een ander zakje, beide zakjes in het lege aquarium en dan heel voorzichtig tillen. Met de dikke buik. Van mijn dertig-treden-tellende trap. Wat kon er misgaan?

Het ging goed. Aquarium op de achterbank, dochter voorin, buik in de gordels, kwartiertje rijden. Opgewekt, want zonnig en vrij. Net even op een ander plekje geparkeerd dan normaal, want dan had ik alle ruimte om de vissenvilla uit de auto te tillen. De dochter zou de deur alvast openmaken zodat ik in een keer door kon lopen. Voorzichtig tilde ik de rechthoekige glasbak met het visduo van de achterbank. Mijn heup duwde de autodeur dicht. Twee stappen, drie, voorzichtig, goed kijken, goed vasthouden, neuriënd. 

Daar ging ik. Voorover. Ik heb nooit mijn valsnelheid berekend (duh), maar het kunnen nooit de tien minuten zijn zoals ze voor mij wel voelden. Daar ga ik. Daar gaat het aquarium. Ik kan mijn buik niet beschermen, ik kan mezelf niet opvangen. Misschien blijft het glas in tact. Nee dus. Hoofd omhoog houden. Hoofd omhoog houden. Hoofd omhoog houden.

Mijn hand naar mijn keel. Bloed. Ik adem door, ik rochel niet, ik voel nergens pijn. Ik hijs mezelf in kleermakerszit. Mijn dikke buik trekt samen als een hele harde bal. Ik ben alleen, niemand heeft me gezien en niemand gaat me zien want ik zit achter de geparkeerde auto en het is een stille weg. Het bloed blijft maar stromen. Ik roep mijn dochter en ze rent vrolijk het hoekje om. Tot ze mij ziet en gilt. Ik probeer haar rustig te vragen naar de buren te gaan. Ik voel mijn buik steeds harder worden en ik heb geen idee of mijn luchtpijp aan diggelen ligt of dat gewoon een overfanatiek sneetje al dat bloed veroorzaakt. Ik vind mijn telefoon in mijn tas die nog steeds aan mijn schouder zit en bel mijn partner. Door het bloed aan mijn handen herkent de oh zo innovatieve vingerafdruktechnologie van mijn iPhone mijn duim niet als de mijne. Ik tril zo hevig dat ik steeds de verkeerde code ingeef. Ondertussen rent mijn dochter huilend over straat omdat ze geen buur kan kiezen. Mijn aanwijzingen hoort ze door een oorontsteking niet. Ik schreeuw tot ik het opgeef. Ik adem wat meer en het lukt eindelijk mijn telefoon te ontgrendelen. Maar er wordt niet opgenomen.

Een oudere man op een fiets ziet me dan ineens toch. Hij stapt af en inspecteert mijn wond. Het valt mee, zegt hij. Ik geloof er niks van. En heb geen idee wat ik moet doen. Bel ik de dokter? Bel ik een ambulance? Plak ik een pleister? En mijn baby, hoe is het met mijn baby? Wat doet men zoal en waarom zegt niemand iets. De opgetrommelde buurjongen komt met een EHBO-doos, mijn dochter staat te gillen. Ik bel maar 112. Daar komt een auto met daarin mijn vriend met zijn kinderen, hun muziek staat hard en ze lachen. Tot ze mij en mijn tweehonderd liter bloed zien. De schrik is groot en ik probeer de mevrouw van de alarmlijn te verstaan. Dankzij het lawaai, dankzij het feit dat ik mijn telefoon die dag daarvoor voor de vierhonderdste keer had laten vallen en alleen nog maar kaboutervolume produceerde. Dan schreeuw ik. Dat ik de mevrouw niet hoor, dat ik niet weet wat ik moet zeggen. En niet waar ik bang voor ben. De telefoon wordt overgenomen en naast mij knielt een vrouw die mij probeert te kalmeren, maar ook de kinderen. Het lukt haar. Ik grap dat ik heel goed bloed heb en dat het daarom zo veel is. Dat het echt wel goedkomt, dat ik al helemaal over de schrik heen ben, dat de ambulance alleen even komt checken.

Dan merkt iemand de vissen op. Ze spartelen driftig tussen de scherven en worden liefdevol gered met een vaas als tijdelijk huis. Ze leven nog. Ik hoop vurig om nog zo’n wonder. Ademen, misschien een beetje extra. De ambulancemensen helpen me voorzichtig hun auto in. Ze bevestigen dat de wond meevalt en mijn bloeddruk blijkt niet belachelijk hoog. Ik tril onbedaarlijk en huil heel stil. Mijn buik voelt raar, geef ik aan. Ik voel geen beweging, alles staat strak. Ze trekt mijn bebloede bloemenhemdje omhoog en daarna weer voorzichtig terug over mijn buik. Bij uitwendig buiktrauma, wordt een zwangere altijd naar het ziekenhuis gebracht. Dus ik ook.

Wie mij kent, weet: ik ben niet echt een held als het om naalden, wonden of andere ziekenhuisaangelegenheden gaat. En “niet echt” is nogal een understatement; ik ben een keer ruim vier uur in onderhandeling geweest met een verpleegkundige voor ze een tetanusprik mocht zetten. Maar nu ben ik mak als een lammetje. Dat ik totaal geen pijn heb, helpt. Dat ik mij zorgen maak om mijn baby, nog meer. Op de eerste hulp wordt er in recordtempo gekeken naar mijn wond en lijm gesmeerd. Dat recordtempo komt omdat ik zo snel mogelijk naar de afdeling gynaecologie moet om te kijken hoe het met de baby is. Verpleegkundige Abel duwt voorzichtig maar adequaat mijn rolstoel door de lege ziekenhuisgangen. Naar een verkeerde afdeling. Ik zit als verdoofd met mijn handen op mijn buik en voel hoe koel de lucht is in deze gangen. Het eerste dat ik weer voel. De rest zijn gedachten en schrik. Eerder voelden de seconden als minuten, nu voelen de minuten als uren. Als alles maar goed is. Als alles maar goed is. 

Daar was haar hartje. In beeld zelfs. Gesuis met gebonk. Regelmatig. Voor nu zoals het hoort. En dat willen ze nog een paar uur zien. Of ik al had gegeten? Want het ging nog wel even duren, nog minstens vier uur moest mijn meisje laten horen wat ze zo prachtig deed. In hetzelfde tempo en zonder gekke dingen. Dat deed ze. Maar van die uren herinner ik me niks. Kennelijk hebben ze me eten gebracht en maakte ik daar een foto van.

Ze bleef nog dertien dagen zitten. En werd toen kerngezond en prachtig geboren. Mijn gehoop was verhoord. Wat bleef, tot aan vandaag, is mijn angst om te vallen. Ik loop behoedzaam en zie altijd alles op de vloer. Wat ook bleef is een litteken op mijn kin. Een dagelijkse herinnering aan dat ongeluk in kleine hoekjes zit (of hekjes in dit geval). Maar geluk gelukkig ook.