Kinderboerderij

De kinderboerderij in het Stadspark was vroeger ongeveer mijn achtertuin. Ik ben er ontelbare keren geweest toen ik nog een klein meisje was. Vandaag ben ik er met Emily. Ik zie direct dat bijna alles hetzelfde is als toen.

Ik til Emily uit haar buggy en zet haar op het gras. Ze blijft als versteend staan en kijkt om zich heen. Ik doe hetzelfde. Links een kippenhok. Op een paar meter afstand een paar geiten. Veel duiven. Rechts de konijntjes. Een triljoen geitenkeuteltjes glimmen in het gras. Ik kijk naar mijn nieuwe, nog helemaal witte schoenen. Dat was een kleine miscalculatie. Op datzelfde moment zie ik een medemoeder met haar pumps richting een koeienvlaai benen. Het kan dus erger, denk ik bij mezelf.

De duiven trekken Emily’s aandacht. ‘Aai, aai.’ Ze loopt er op af. Mijn man en ik volgen braaf. Uit mijn ooghoek zie ik twee geiten. Ze rennen recht op Emily af. In een paar seconden ben ik weer even klein en voel ik de geitenpaniek van vroeger alsof het gisteren was. Dat gevoel van omsingeld door brutale vierpoters die aan je jasje knagen en niemand die je komt helpen. (Ik vermoed nog steeds een complot. We omsingelen alleen de kindjes die bang zijn én wiens ouders even niet kijken.) Tegelijk heb ik een flash forward waarin de vlijmscherpe hoorntjes Emily’s prachtige blauwe ogen doorboren. En haar bolle babybuikje doorspiezen alsof het niks is. Voor ik het weet ren ik naar haar toe en til haar op.

Ik klem Emily tegen me aan en been met een paar passen van de geiten weg richting mijn man. ‘Kutgeiten’ zeg ik. ‘Zijn het eigenlijk wel geiten? Met die hoorntjes? Zijn het geen bokjes?’ Mijn man kijkt me aan. ‘Minke, dat was denk ik niet zo handig.’ ‘Wat precies niet? Dat ik onze dochter van een afschuwelijke dood heb gered? Ik vind dat best wel handig.’ Emily wurmt zich uit mijn greep. Ik zet haar neer. Ze rent naar de kippen. ‘Nee, als jij zo gestresst raakt door die geiten, raakt zij dat ook.’ Ik zie hoe Emily knielt voor het kippenhok en gefascineerd naar binnen kijkt. ‘Weet ik wel. Maar, nou, gewoon. Die geitbokunits zijn toch ook eng?’ Ik besluit Emily’s introductie tot de wondere wereld der boerderijdieren verder maar aan mijn man over te laten.

Mijn man neemt verder de leiding in de grand tour over de kinderboerderij. Babygeitjes (die vinden Emily en ik wel lief), koeien (die Emily aait en ik van 10 meter afstand toezwaai), kalkoenen (die bij het woord ‘kerstdiner’ alleen nog maar hun achterkant laten zien) en konijntjes (die Emily en ik allebei saai vinden). Dapper wandelt Emily door het gras. Als ze een geitje aan ziet komen, ontwijkt ze deze vakkundig. Na een kwartiertje is ze wat meer gewend en duwt ze de beesten gedecideerd weg als ze te dichtbij komen. Ik doe hetzelfde.

Ik besluit dat ik geen kinderboerderijmoeder ben. Of in ieder geval geen geitenmoeder. Maar ik ben hier nu en mijn man had gelijk. Mijn geitenpaniek is mijn geitenpaniek. Emily mag zelf kiezen waar ze bang voor is. Ik haal diep adem, kies een klein geitje, pak Emily bij de hand en zeg de magische woordjes ‘aai, aai.’ Emily steekt haar handje uit en samen aaien we het minigeitje.

Ik zie nog een uitdaging in het niet overdragen van mijn spinnenfobie. Maar het begin is er.

Oorlog

Of het nou Oud en Nieuw of Gronings Ontzet was, weet ik niet meer precies. Ik weet nog wel dat ik diep sliep en wakker schrok van een heleboel lawaai. De echte knallen van pijlen, duizendklappers en rotjes waren een eigen droomleven gaan leiden.
In mijn rode hoogslaper, die eigenlijk net iets te hoog was (of het plafond iets te laag, het is maar net hoe je het bekijkt) begroef ik me diep onder mijn geel- wit gestreepte dekbed. ‘Mama, mama, het is oorlog.’ riep ik zo hard en zo vaak als ik kon.

Mijn moeder stond direct naast mijn bed. Ze was wat te klein (of het bed wat te hoog) om bij me te kunnen. Ze wurmde haar handen door de rode spijlen, en zocht onder mijn dekbed naar die van mij. Ik had helemaal niet door dat ze er was. Haar goedbedoelde ‘stil maar liefie, het is maar vuurwerk’ kwam met geen mogelijkheid over mijn hysterische gegil heen.

Uiteindelijk vond ze mijn handen. Ik stak mijn hoofd onder het dekbed vandaan. Met betraande ogen en snotterige wangen keek ik mijn moeder aan. Ik kroop naar het trappetje en brak een wereldrecord hoogslapertrappetjesklauteren. Ik klemde mij armen om haar middel en liet niet meer los. Ze tilde me op, deed mijn warrige haar achter mijn oor en fluisterde zacht dat het echt, echt dus alleen maar vuurwerk was en nog best mooi ook en dat we wel even gingen kijken.

Samen stonden we voor het raam. Het was inderdaad vuurwerk.

Dat. Dat je moeder naar je handen zoekt als je bang bent en haar niet ziet of hoort. Dat ze precies de juiste dingen zegt. En exact genoeg kusjes geeft, niet teveel en zeker niet te weinig. Hoe fijn het is om, ook als je al groot bent, je hoofd op je moeders schoot te leggen en zij dan over je hoofd aait. Dat je nooit veiliger kan zijn dan als zij er is. Dat zou je bijna vergeten.

Ik mocht dan weer geen cola, daar voor het raam. Ook niet voor de schrik. Maar de glitterende lucht en de kusjes van mijn mama maakten alles goed.

 

 

Ik weet niet meer of het Gronings Ontzet was, of Oud en Nieuw dat aanleiding gaf voor het vuurwerk. Ik weet nog wel dat ik in diepe slaap was en wakker schrok van wat ik in een paar seconden als geweerschoten identificeerde. De echte knallen van pijlen, duizendklappers en rotjes waren een eigen droomleven gaan leiden.

In mijn rode hoogslaper, die eigenlijk net iets te hoog was (of het plafond iets te laag, het is maar net hoe je het bekijkt) begroef ik me diep onder mijn geel- wit gestreepte dekbed. 'Mama, mama, het is oorlog.' riep ik.

Mijn moeder stond direct naast mijn bed. Ze was wat te klein (of het bed wat te hoog) om bij me te kunnen. Ze wurmde haar handen door de rode spijlen heen onder mijn dekbed om de mijne te vinden. Ik had helemaal niet door dat ze er was. Haar goedbedoelde 'stil maar liefie, het is maar vuurwerk' kwam met geen mogelijkheid over mijn hysterische gegil heen. 

Uiteindelijk vond ze mijn handen. Nu durfde ik onder de ddkens vandaan te komen en klauterde ik snel van het trappetje af. Ze pakte me vast, tilde me op en omdat ik nu iets minder hysterisch gilde, kon ze me uitleggen dat het dus maar vuurwerk was.

Ze tilde me de trap op naar boven. Samen stonden we voor het raam. Het was inderdaad vuurwerk.  

Dat. Dat je moeder naar je handen zoekt als je bang bent en haar niet ziet of hoort. Dat ze precies de juiste dingen zegt. En exact genoeg kusjes geeft, niet teveel en zeker niet te weinig. Dat je nooit veiliger kan zijn dan als zij er is. Dat zou je bijna vergeten.

Ik mocht dan weer geen cola, daar voor het raam. Ook niet voor de schrik. Maar de glitterende lucht en de handen van mijn mama maakten alles goed.

 

And the winner is….

award best mom

Als er een award zou bestaan voor de beste moeder van de wereld, zou ik die niet winnen. Ik denk zelfs dat ik niet eens genomineerd zou worden. Het ligt wel een klein beetje aan de criteria. Ik bedoel, als er wordt gekeken naar de mate van lol trappen met je kind, of het aantal dansjes dat je samen maakt, dan zou ik misschien nog wel een poedelprijs mogen ophalen. Maar als we het hebben over dingen als rust en regelmaat, dan kan ik het wel schudden. Over reinheid heb ik het niet eens.

Er is natuurlijk helemaal geen ‘beste moeder van de wereld’ award. Tenminste, niet dat ik weet. Toch lijken sommige van mijn medemoeders in een geheime jury te zitten. De één weet het nog beter dan de ander. Niet dat ze dat zeggen (soms ook wel trouwens, dat zijn de bemoeimoeders), maar je ziet het ze denken. Binnen een paar seconden hebben ze een volledig rapport gefabriceerd waaruit blijkt waar jij eindigt in de top zoveel. Kindersnoetje smoezelig: – douze points. Outfit kind niet color-coordinated: – 20. Nagels moeder niet matchend met kinderwagen: -15. Appelstroop in haren kind: -50. Appelstroop in haren moeder: -100. Kind stort zich krijsend op de grond in een supermarkt en moeder heeft dit niet binnen twintig seconden onder controle: -1000.

Ik vind het opvoeden in het openbaar door deze geheime ratrace voor een niet bestaande award best een uitdaging. Het probleem is namelijk dat iedereen er een eigen puntenlijstje op na houdt. Als ik mijn kind bij haar armpjes pak omdat haar oostindische doofheid nogal hardnekkig is en haar vermogen tot mij negeren daarmee groot, vindt de één dit een lichte vorm van kindermishandeling, terwijl een ander allang een tik over haar vingers had gegeven. Of, en dat zijn de ergste, ze concluderen dat alle opvoedingsinspanningen tot dat moment volledig zinloos zijn geweest. Dat mijn kind na zo’n ‘incident’ niet voor de 98e keer over het dammetje van een metersdiep kanaal probeert te klimmen, wordt vanzelfsprekend niet meegenomen in de puntentelling.

Dat hele opvoedgedoe vind ik al lastig genoeg. Gillend op de vloer van de supermarkt, wat doe je dan? Echt, ik weet het niet, ik intuïteer maar wat aan. Ik schat mezelf in als redelijk relaxed, met uitzondering van gevaarlijke situaties. Gevaarlijke situaties zie ik dan weer vaak heel laat aankomen, of bestaan juist alleen in mijn hoofd. Mijn kind houdt van ontdekken en is niet snel bang. Ze wil alles zelf doen. Dus dat mag. Met soms onhandige consequenties. Vaak in de categorie ‘meer werk voor mama’. Een slaapritme heb ik nog niet kunnen ontdekken. Ja, de hele nacht door en dan hoor je mij verder niet. Verder natuurlijk minpunten voor een vies snoetje, mijn kind is een smoetsjie. En ze haat doekjes over haar gezicht. Dus als je mij ziet lopen met een beappelstroopt kind, dan is dat een gevalletje pick your battles.

Natuurlijk vraag ik mij af hoe en of mijn opvoedstrategie uitpakt over een paar jaar. Laat ik haar niet te vrij? Geef ik juist niet te vaak een grens aan? Zou ze ook schade oplopen van die keer dat ik er maar naast ging liggen in de supermarkt? Dat ze zich nooit meer over die schaamte heen kan zetten (dan krijgt ze het trouwens nog zwaar, ik geneer me niet zo snel). Is het erg dat ik soms minder dan 100% aandacht heb omdat ik bel met een vriendin of een poging huishouden doe? Ik heb veel evaluatiemomentjes met mezelf, mijn man en met die vriendinnen die hun scorekaart thuis laten.

Ben ik zelf dan altijd volledig scorekaartneutraal? Nee. Ik zie en vind ook dingen. Maar punten uitdelen op basis van kleine fragmentjes uit een levenslange film, daar probeer ik me niet aan te wagen.

Ik doe mijn best, ik moeder zo goed als ik kan. En ik hoef daar geen award mee te winnen. Ik wil niet de beste moeder van de wereld zijn. Als ik maar de beste moeder van mijn Emily ben.

Contactmomentje

‘Heb je nog wel een beetje contact met je moeder?’ Verbaasd kijk ik hem aan. Ik ben even stil. ‘Eh, nee dus.’ Ik pak het kopje rooibosthee van het tafeltje links van me. Het schoteltje blijft aan het kopje plakken en klettert hard terug op het hout. Ik baal van mezelf. Dat schoteltje blijft verdomme iedere sessie aan mijn kopje plakken, maar ik vergeet het steeds.
De thee is nog te heet en ik heb eigenlijk helemaal geen zin in thee, maar ik voel me ongemakkelijk en dan heb ik liever wat te doen. Heel voorzichtig neem ik kleine slokjes en tussendoor blaas ik. Het is me veel te stil.

‘Nee dus. Hoe zie je dat eigenlijk precies voor je?’ Eigenlijk ben ik een beetje geirriteerd. Straks gaat hij nog het alfabet opnoemen of vertellen dat mijn moeder in de hoek van de kamer staat te zwaaien en wil weten wat ik van haar schoenen vind.

‘Nou. Wat ik zeg. Of je nog wel contact met je moeder hebt.’ ‘Nee. We weten dat ze dood is he?’ Ik zet het kopje thee maar weer terug. Naast het schoteltje deze keer. Demonstratief kijk ik naar buiten. Ik kan alleen door de bovenste ramen kijken. De ramen op ooghoogte zijn beplakt met mat plastic. Er schijnt een simpel zonnetje.

Ik kom hier al een tijdje. Het life-event manager zijn lukte me niet zo goed meer in mijn eentje. Dus een uurtje per twee weken zegt deze slimme, rationele en empathische therapeut tegen een pittig uurtarief een boel zinnige dingen die ik zelf niet kan bedenken. Behalve dan nu.

‘Is dit een sanity test ofzo? Dat je even checkt of ik het nog wel op een rijtje heb?’ Hij lacht. ‘Denk je wel eens: wat zou ze hier van vinden. Of: hoe zou het zijn als ze hier nu bij was?’ Hij bedoelt vast niet hier, nu. Hij bedoelt vast op andere momenten. Al had ze dit hier nu redelijk grappig gevonden, gok ik. Ze was nogal van het spirituele. En ik, zeg maar, niet. De verwarring die in dit gesprek ontstond, had ze wel kunnen waarderen.

Ik ben weer stil. Nee. Ik doe dat niet. Zo min mogelijk. ‘En dat heeft zin omdat? Ze is er namelijk niet. En ze vindt niet zoveel momenteel.’ Auw. Ik snap in één keer wat hij bedoelt. Ik herinner haar niet. Ik denk niet aan haar. En elke keer als het per ongeluk wel dreigt te gebeuren, denk ik snel aan iets anders. Want te pijnlijk. Want niet handig. Want slechte timing. Want ze zegt toch niets terug.

Een aantal maanden later. Ik zit in de auto. Een kwartier daarvoor werd me verteld dat ik na bloed, zweet en tranen eindelijk was afgestudeerd. Daar ga ik dan. Wat als ik haar nu kon bellen? Hoe zou ze reageren? Ze zou me de avond ervoor hebben gebeld en gezegd hebben dat het echt wel goed kwam. En me ’s ochtends hebben gesmst met succes en liefs. Ze zou haar mobiel niet uit het oog verliezen. Tegen de vriendin met wie ze had afgesproken zou ze zeggen dat ze ieder moment gebeld kon worden omdat haar dochter was afgestudeerd. Ik denk aan haar warme stem. Aan een enthousiast gejoel aan de andere kant van de lijn. Aan een trots ‘Fantastisch, Mink. Lieverd, wat goed van je!’

Als ik knipper, vallen er tranen op mijn schoot. Wat had ik haar graag gebeld. Maar tot ik mijn hotline met boven op orde heb, is dit second best. Want heel even heerlijk dichtbij, die mama van mij. Met ongetwijfeld prachtige schoenen aan.

Baby avontuur

Tijdens mijn kraamtijd verzuchtte ik een paar keer per dag tegen mijn man: ‘Wat een avontuur he, dit?’. Met ‘dit’ bedoelde ik de ontvangst van Emily en alles wat daar bij kwam kijken. En dat was nogal wat. Al na een paar uur werd me duidelijk dat niets zou gaan zoals ik het me had voorgesteld. Dat het avontuur dat me overkwam vooral aanpassen, uitproberen, uitvinden en loslaten zou betekenen.

Ik ben een informatiejunk. In de aanloop naar mijn zwangerschap las ik alles dat ik kon vinden over zwanger worden, niet zwanger worden, zwanger zijn en zwanger blijven. Toen het zover was, las ik vooral over bevallen, de eerste levensweken en borstvoeding. Een wandelende encyclopedie werd ik. En een encyclopedie met principes. Mijn dochter zou minstens een half jaar volledige borstvoeding krijgen (het liefst nog langer). Ze zou uren bij mij in een draagdoek wonen. Ik zou volledig haar ritme volgen in alles en haar nooit laten huilen.

De eerste keer dat Emily aan mijn borst gelegd werd, was prachtig. Ze was een natuurtalent, snapte het drinken precies. Ik had uitdrukkelijk gevraagd of Emily op mijn blote borst gelegd mocht worden vlak na haar geboorte en daar een tijdje mocht snuffelen voordat ze de verplichte testjes moest ondergaan. Babies gaan namelijk vanzelf op zoek naar de borst dan. En dat is natuurlijk prachtig. Zo geschiedde. Emily deed wat ze moest doen. (Dat op alle foto’s van vlak na haar geboorte mijn melkborsten prominent het beeld vullen en ik ze daarom aan niemand laat zien, neem ik voor lief.)

De tweede keer dat Emily aangelegd werd, was wat minder prettig. Eigenlijk was het heel erg onprettig. Eigenlijk voelde het alsof iemand mijn borst in een bankschroef legde terwijl iemand anders met 100 naalden mijn tepel doorboorde. ‘Auw’ gilde ik, terwijl ik wanhopig opkeek naar de verpleegster. ‘Klopt dit wel?’. Het klopte, het zou overgaan na een paar minuten. En weg was ze. In die paar minuten greep ik niet terug op mijn opgedane kennis over borstvoeding (zodra het aanleggen of drinken pijn doet, direct loskoppelen en opnieuw aanleggen), maar namen ik en mijn principes de voordelen van flesvoeding door. Zo slecht kon het toch niet zijn? Zoveel kindjes dronken het toch? Dat N*trilon was echt geen vergif hoor. Halellujah wat een pijn. Die bevalling beviel me beter.

Ik haalde Emily van mijn borst af. Het bloed stroomde over mijn borst. Kut. Dit was niet goed. Niet goed aangelegd. Toch.

Met de borstvoeding is het nooit meer helemaal goedgekomen. Ondanks een kundige kraamverzorgster, een ervaren lactatiekundige, 10 bezoekjes aan de huisarts, 100 triljoen websites, een borstvoedingsforum en mijn min of meer gezond verstand: het voeden bleef zo ontzettend pijnlijk, dat ik na een paar week moest opgeven. En opgeven, daar doe ik doorgaans niet aan. Onder invloed van hormonen heb ik hysterisch en met hele lange uithalen gehuild toen mijn Emily haar eerste flesje kunstvoeding kreeg. Loslaten. Een beetje dan, want ik heb nog vier maanden dapper doorgekolfd.

De draagdoek pakte ook anders uit dan voorspeld. Als in: ze haatte het. Zodra ik haar in het zorgvuldig geknoopte nestje tilde, ging ze gillen en hield ze niet meer op. Achteraf denk ik dat het kwam door het dragen met haar gezichtje naar mij toe. Emily wilde de wereld zien. En terecht. Uitvinden.
Transport was sowieso een issue. Zodra ze de maxi-cosi of wandelwagen zag, huilde ze totdat ze uit beeld waren. Daar ging mijn beeld van flexibele, ondernemende moeder met zoete baby direct ook aan gort. Wij bleven wel thuis. Aanpassen.

Niet laten huilen gaat tot op de dag van vandaag prima. Al bleek daar ook verrassend veel ruimte in te zitten. Na een middag 40 keer op en neer te zijn gelopen met speentjes, flesjes en aaitjes, stond ik wanhopig bij haar bedje. In mijn ochtendjas, nog niets gegeten, met lekkende borsten en een coupe despair riep ik, bijna in tranen: ‘Weet je wat jij doet? Jij zoekt het maar lekker even uit in je eentje!’. Ik stampte haar kamer uit en sloeg daarna van schrik mijn hand voor mijn mond. Ze huilde nog drie kleine huiltjes en sliep daarna het langste slaapje tot dan toe. Uitproberen. Één keertje dan.

Zo zijn er nog talloze voorbeelden waarin ik losliet, probeerde, aanpaste of uitvond. Emily hobbelt de wereld door en ik volg haar avontuur. Want haar avontuur is ook mijn avontuur. En we hebben allebei nog een veel te leren.

Nietmoederdag

De tweede zondag van mei: moederdag. Ik zal het direct maar eerlijk bekennen: ik heb er niets mee. Ongetwijfeld heb ik vroeger allerlei knutseltjes gefröbeld voor mijn moeder. En ik kan me ook nog half mislukte ontbijt-op bed-pogingen herinneren (of we dat nooit meer wilden doen, een ei slechts 2 minuten koken). Maar om nou te zeggen dat ik fanatiek moederdagvierder was: nee. Om heel eerlijk te zijn: ik haat het een beetje.

Dat komt vooral door een periode waarin ik heel graag moeder wilde zijn, maar het niet was. En misschien -zo leek het toen- ook wel niet zou worden. En dan is een speciale dag waarop iedereen moeders viert een beetje confronterend. Speciale aanbiedingen voor allerhande mama’s. Dat koopt nogal kut met een hele lege buik.

In die tijd schreef ik veel op een forum met ‘lotgenoten’ (ik haat dat woord). Ik en mijn moederwannabe vriendinnen hadden allemaal dezelfde aversie tegen deze feestelijkheden. Met een gezonde dosis zelfspot bakten we er gelukkig fijne grappen over. En hoopvol spraken we uit dat als we dan straks allemaal moeder waren, moederdag toch eindelijk misschien wel een feestje zou zijn.

Mijn eerste moederdag als moeder was mijn eerste moederdag zonder moeder. Het was geen feestje. Ondanks een Prosecco ontbijt en een blije baby met moederdagmuts (mijn man neemt moederdag wel heel serieus), was het zelfs verre van een feestje. Gezien de inspanningen van mijn man en de fles Prosecco die niet op bed bezorgd werd, vond ik het niet fair om me onder de dekens te verstoppen. Maar dat had ik het allerliefste gedaan. Eigenlijk gek, want mijn moeder en ik deden nooit echt wat op moederdag. En toch. Maar toch.

Daarom haat ik moederdag een beetje. Het is niet dat ik niet vind dat moeders gevierd mogen worden. Vier alsjeblieft je moeder. Niet alleen op moederdag, maar ook gewoon op zomaar een dag. Koop een bos bloemen, een bonbonnetje, een fles goede wijn. Organiseer een ontbijt op bed. Koop haar favoriete CD. Geef haar een dikke kus. En denk op moederdag heel eventjes aan de nietmoeders en de geenmoeders die niets liever zouden willen dan een flubber-ei op bed (brengen).

Pink shoes

Het is juni 2009. Mijn moeder en ik lopen door de stad. Ik met een minibaby van amper 10 centimeter in mijn buik. Zij met een tumor van evenzoveel centimeters in haar buik. Het is mooi weer, we zijn onderweg naar een schoenenzaak. Mijn moeder wil me graag een paar schoenen kado doen. Ze weet precies welke en ook precies waar ze te koop zijn.

In de betreffende winkel zijn de schoenen er niet meer. Het maakt niet uit, want mijn moeders oog valt op een paar knalroze pumps met hoge hak. ´Hey Mink, zijn deze niets voor jou?’ Ik moet even slikken. Mijn schoenencollectie kent niet van deze opvallende exemplaren. Al helemaal niet met een hak van dit kaliber. Gaaf zijn ze wel.

Ik pas de schoenen aan. Ze passen perfect, maar ik voel direct dat ik niet gewend ben aan zoveel centimeter hak. ‘Nou mam, ik weet niet hoor, ik denk niet dat ik deze echt vaak aan doe, ik kan niet zo goed lopen op zulke hoge hakken denk ik.’ Mijn moeder heeft hier geen boodschap aan. ‘Deze schoenen zijn niet gemaakt om op te lopen, deze schoenen zijn gemaakt om te hébben. Al heb je ze maar één keer per jaar aan.’ De verkoper knikt instemmend.

Ook al lijk ik qua karakter erg op mijn moeder, het is duidelijk dat ik de voorliefde voor schoenen niet echt heb meegekregen. Mijn moeder stond echt bekend om haar schoenencollectie. Het waren er veel en ze waren opvallend. Vaak hoorde er een bijpassende tas bij. En altijd hadden ze een hak.
Het zal niemand verbazen dat het eerste kadootje dat mijn moeder me gaf toen ze hoorde dat ik zwanger was, een paar schoentjes was. Zonder hak, met bijpassend mutsje (want aan een tas heeft de baby nog niet zoveel).

Twee maanden nadat ik de schoenen kreeg, draag ik ze op haar crematie. Eigenlijk lopen ze helemaal zo gek nog niet. Twee weken later koop ik er een tas bij in dezelfde kleur. En neem ik mezelf voor om niet meer op schoenen te bezuinigen. En ook niet op die van mijn dochter.

Geschreven op 23 april 2010

Neemoeder

Nee, Emily, laat het koffietafeltje maar even staan. Schat, we doen niet lopen op de bank. Ga maar lekker zitten. Nee, ook niet over de rand hangen, straks val je. Liefje, geef mama’s telefoon maar even hier. Nee, doe die sleutelbos maar niet door het kattenluikje. Popje, zit maar niet met je snothandjes in mama’s koffie. Emily, niet met je snotkoffiehandjes aan de televisie. Liefje, zullen we niet aan de volumeknop draaien? Daar schrok je vorige keer zo van, weet je nog? Ja schat, dat is een broodkorstje. Dat kun je inderdaad eten. Maar deze is van twee week geleden, eet die maar niet. Waar haal je dat überhaupt vandaan? Ah, daar is mama’s mascara ook, wat een goede verstopplek. Nee, als we naar bed gaan, doen we de schoentjes uit. Emmy, 15 billendoekjes zijn echt meer dan genoeg, lief dat je mama even helpt. Blijf je dan nu alsjeblieft even liggen zodat ik je luiertje vast kan plakken? Kaboutertje, hou nou even op met steeds mama’s bril van haar neus af te trekken. En liefje, zullen we de pindakaashandjes even met iets anders schoonmaken dan mama’s rokje?

In mijn oneindige wijsheid als wannabe moeder, daarna moeder in spe en nog later als moeder van een mini-baby, had ik me voorgenomen geen neemoeder te worden. Mijn kind zou vaker ja dan nee horen. Ze zou alles mogen ontdekken. Ik zou niet onder de indruk zijn van vlekken op kleren of kapotte telefoons, brillen of DVD-spelers. Met een flinke dosis geduld, een snufje humor en een stukje pedagogisch verantwoord bijsturen, zou dat helemaal goedkomen.

Zondag ochtend 8.00u. Ik heb er inmiddels zo’n 20 nees op zitten. Emily staat op de bank en kijkt me aan met haar ondeugende lachje en pretoogjes. Ik probeer niet te lachen en haar heel serieus te vertellen dat dit dus niet de bedoeling is en dat ze dus met haar billen op de bank moet en dat het dus zo is omdat mama dat dus zegt. Het lukt niet. Ik moet lachen om de glittertjes in haar ogen en de 6 kleine tandjes die ze blootlacht. ‘Mama heeft nu al wel heel erg vaak nee gezegd, he schat?’ Ja. Mama is een neemoeder. En mama baalt daarvan.

Later die week zijn we in het winkelcentrum. De groene buggy die altijd in de auto ligt, is om duistere redenen thuis achter gebleven. Dus loop ik met 11 kilo gillend kind onder mijn arm de Hema in. Ik zet haar op de grond. Ze sprint weg. ‘Blijf maar even bij mama, schat’ benoem ik keurig gewenst gedrag. Geen effect. Ik gris een rol wattenschijfjes uit het vak en ren achter het blonde poppetje aan. Als ik haar handje vasthou, wringt ze zich vakkundig los. Als ik haar optil, gooit ze al haar 11 kilo in de strijd om zichzelf weer te bevrijden. Als ik haar bij haar kraagje pak, laat ze zich schaterlachend op de grond vallen. Het neequotum van vandaag wordt in tien minuten ruimschoots overschreden. Het is wennen, zo’n lopende dreumesbaby. En het is dom, zo zonder buggy.

Die avond maken we een wandelingetje. Emily rent over de stoep richting roze kinderfiets van haar buurmeisje. ‘Die, die!’ roept ze. Onderweg ziet ze in een voortuin een bal liggen. Weer ‘die, die’ en ze sprint de tuin in. Twee buurtkindjes van een jaar of drie volgen haar. Ze gaan voor haar zitten en komen met hun gezichtje heel dicht bij dat van haar. Emily is zowel bal als fiets vergeten. Als bevroren blijft ze zitten. Ze kijkt terug. ‘Dikke boef!’ roepen ze. Ze geeft geen krimp. ‘Jij hebt snot! Bah!’ Emily kijkt de kindjes strak aan. Met inderdaad een fikse snottebel. Ze vergeet de groene klodder zelfs naar binnen te slurpen, zoals ze normaal altijd doet.

Ik zie dat ze het spannend vindt. De kindjes zijn niet bepaald aardig. Eigenlijk wil ik roepen dat ze zelf snot hebben en nog veel grotere boeven zijn, maar dat doe ik niet. Ik ga vlak achter Emily zitten, leg mijn hand op haar rug. Ze reageert niet. Ze blijft stoicijns de kindjes aankijken. Ze vinden het maar saai, zo weinig respons en haken af. Emily draait zich naar me toe en slaat haar armpjes om me heen. Ze begraaft haar snotgezichtje in mijn haar. ‘Spannend he schat? Dat was spannend.’ Dapper ding, denk ik.

Ja. Ik ben soms een neemoeder. Maar ik doe mijn best voor vaker ja. En ik ben niet onder de indruk van vlekken in haar kleren. Wel in die van mij als ik nog naar mijn werk moet. Ik draag met liefde de bril waar zij een pootje van af trok en waarvan de opticien geen zelfde meer had en nu scheef op mijn hoofd staat. De DVD speler doet het nog, net als mijn telefoon. Mijn Emily mag alles ontdekken, ik zit vlak achter haar en hou mijn hand op haar rug. En zorg dat de wereld haar niet verovert voordat zij klaar is om de wereld te veroveren. Maar ze blijft wel met haar snotvingers uit mijn koffie.

Lees ook andere verhalen over moeder zijn.

Pakketje mooie momenten

‘Ik verzamel geen geld, ik verzamel mooie momenten’ zei Herman Brood ooit eens. Mijn vader leefde dat strikt na.

Lang voordat mijn vader mijn vader werd, was hij roadie bij Herman Brood. Ik vermoed zomaar een hele slechte. Op tijd en aanwezig waren niet echt mijn vaders sterke punten. Wat dat betreft had hij aan Herman waarschijnlijk wel een goeie. Baas boven baas.

Toch moet het samenwerkingsverband voor een boel mooie momenten hebben gezorgd. En ook toen de carrière als roadie werd omgeruild voor een carrière als barman slash voetbaltrainer slash zeeman slash manusjevanechtalles: mijn vader zorgde altijd voor epische momenten.

Een vriend van hem vertelde eens over de keer dat mijn vader ter promotie van een concert posters zou gaan plakken door heel Groningen. Na een week was er in heel de stad nog geen poster te zien. Hoe dat dan kwam en of hij dat wel even wilde regelen. Ja hoor, kwam goed. De volgende dag, bij het openen van de voordeur, was de hele portiek behangen met posters. Het bushokje tegenover de portiek ook. En verder nergens.

In mijn rijtje mooie momenten van mijn vader staat zijn laatste verjaardag met stip bovenaan. Aan het eind van de middag haalden ik en mijn twee zusjes hem op. We hadden kerstmutsen (het was wel december), maskers, slingers en ballonnen bij ons. We tuigden mijn vader en onszelf feestelijk op. We liepen over straat alsof het de normaalste zaak van de wereld was. In het restaurant kenden ze mijn vader, die keken al nergens meer van op. In de bioscoop werden we wel wat bijzonder aangekeken. Moeders met hun kinderen (we gingen naar Earth, op uitdrukkelijk verzoek van het feestvarken) konden hun ogen niet van ons afhouden. Een man van 65 met een kerstmuts op en 15 slingers om zijn nek was al een beetje vreemd. Drie meiden van 25, 21 en 12 met dezelfde uitdossing die allemaal bloedserieus keken alsof de hele wereld gek was behalve zij, dat was moeilijk te verwerken. En dat vonden wij heel, heel erg grappig.

(Earth is trouwens een prachtige film. Zelfs, of misschien juist, als je weet dat je niet te lang meer te leven hebt.)

Minder mooie momenten zijn er ook geweest. Maar een les die ik afgelopen tijd tegen wil en dank heb geleerd: in the end, nobody cares. Drie maanden na zijn kerstmutsverjaardag, overleed mijn vader. Vandaag precies drie jaar geleden. Hij verzamelde geen geld, maar mooie momenten. Zijn erfenis was een heel speciaal pakketje mooie momenten.

Ik hou niet van herdenken. Ik hou van pakketjes mooie momenten uitpakken. En dat heb ik vandaag gedaan.

In Memoriammig

27 oktober 2009. Facebook introduceert In Memoriam pagina’s voor overleden Facebookers. Dit deden ze na klachten van gebruikers die aan verjaardagen van de overledenen werden herinnerd, of gevraagd werden te helpen bij het zoeken naar nieuwe vrienden voor de dode Facebooker.

22 maart 2011. Meer dan een jaar later. Hyves introduceert….ja, inderdaad: In Memoriam pagina’s.

Drie jaar geleden overleed mijn vader. Hij had een Hyves profiel met 5 vriendjes. Mijn zusjes, ik, een tante en een neef. Er staan 5 krabbeltjes en 3 gadgets. Staan ja, want het is me tot op heden niet gelukt om het profiel te deleten.

Kon niet zonder overlijdensakte. En die had ik niet. Na wat heen en weer gemail, mocht ik de inloggegevens. Geen probleem. Zelf verwijderen, moest lukken.

Verdacht lang moest ik zoeken naar de optie om een profiel te kunnen verwijderen. Uiteindelijk kwam ik terecht bij de FAQ. De veelgestelde vragen. ‘Ik wil mijn profiel verwijderen’ las ik. Fijn. Dat zocht ik. Dit stond er:

‘Wist je al dat je zelf kunt instellen wie je profiel, krabbels of hele profiel mogen bekijken? Je kunt dit wijzigen via Mijn menu > Privacy . Wil je toch je profiel verwijderen, hiermee mogelijk al je vrienden verliezen, geen verjaardagskrabbels meer ontvangen en belanden in een sociaal isolement ;-) klik dan hier.

Ik besloot dat mijn vader al redelijk in een sociaal isolement was beland, zo als as in een urn. En dat hij ook niet zo heel erg veel meer zou hebben aan verjaardagskrabbels. Ik klikte.

hyves_afscheid

Juist. Afscheid nemen bestaat niet. Dat was geruststellend. Voelde ik me mooi voor niks kut.

Volgende horde: het e-mailadres was niet bevestigd. Lastig, want ik had de inloggegevens niet. Geen probleem, ik bedacht dat ik het e-mailadres wijzigde in dat van mezelf.
Dat kon niet, want dat adres bestond al. Dat klopte, want het was mijn e-mailadres en ik had al een Hyves account. Dus moest ik een nieuw e-mailadres aanmaken om het e-mailadres te kunnen wijzigen. Bent u er nog?

Nadat ik een Gmailadresje in elkaar had geflanst, begon ik overnieuw. FAQ. Profiel verwijderen. Sociaal isolement. Ik weet het zeker. Afscheid nemen bestaat niet.

Of ik even wilde aangeven waarom ik mijn profiel wilde verwijderen. Ik kon kiezen uit: ‘Ik ontvang teveel notificaties’, ‘Privacy’, ‘Ik zie het nut niet’, ‘Design’ of ‘Anders’. ‘Ik ben dood’ stond er niet tussen.

In de volgende stap werd ik nog één keer gewaarschuwd. Het verwijderen van het profiel was echt, echt niet nodig. Maar als ik dan toch wilde, dan mocht het. Alleen nog een keer vertellen waarom. ‘Ik ben dood’ typte ik.

Fijn. Weer een puntje van mijn todo lijstje. Dode mensen geven een hoop geregel.

Het profiel verdween echter niet. Ook niet nadat ik nog een keer de stappen doorliep. Mijn vader is nog steeds mijn Hyvesvriend.

Mooi dat Hyves nu een In Memoriam optie aanbiedt. Voor veel mensen een mooie manier om hun nabestaanden ook virtueel te kunnen herdenken. Bovendien biedt het ook mooie advertentiemogelijkheden.

Maar ik wilde gewoon een profiel verwijderen. Een In Memoriam hoeft voor ons niet.

Hyves wil zijn klanten niet kwijt, zoveel is me duidelijk. Of mijn vader saboteert de boel. Ik krijg hem namelijk ook met geen mogelijkheid uit mijn TomTom.

Waterballet

Een hele grote blauwe emmer voor mij. En een kleinere variant in het wit voor mijn zusje. Zo gingen wij vroeger in bad. We speelden met Ariël, Botje en Prins Eric uit De Kleine Zeemeermin, gekregen bij McDonalds. HappyMealBotje, dat gele visje, had een extra feature: die spoot water als je hem fijn kneep. Bij voorkeur koud water. Dat zorgde voor memorabele ruzies tussen mij en mijn zusje, maar dat terzijde.

Ariël werd per badsessie zo’n 44 keer van de dood gered door Prins Eric. En altijd onder barre omstandigheden. Het was namelijk bijna altijd een storm die het leven van Ariël bedreigde. Een hele hevige, met heel veel golven. Het water in onze emmers was de zee. En heel hard heen en weer schudden in de emmer, was de storm.

Ik zie mijn moeder nog de badkamer binnenkomen. ‘Wat een waterballet weer, dames.’ En niet per se zonder irritatie. Ik snapte dat nooit. What was not to like? Ariel was 44 keer van de dood gered, mijn zusje en ik hadden de Botjesruzie vaak alweer bijgelegd en ja, er lag wel water her en der, maar jeetje, dat is toch zo opgeruimd?

Vorige week leerde ik dat sommige woorden ineens een andere betekenis krijgen, zo gedurende je leven. Emily bedacht dat broccoli heel erg geschikt is om je haar mee te kammen. En daarna dat doperwtjes heel erg leuk zijn om je moeders haar mee te kammen. Niks aan de hand, moet kunnen. Gaan we gewoon lekker douchen. Kleren uit, douche aan. De 10 Nijntjes, evenzoveel dolfijntjes én het badboekje van Dikkie Dik allemaal netjes klaargezet. Gezellig.

Nee dus. Douchen was ineens Groot Drama en Heel Erg Eng. Emily ging precies zitten waar het water haar net niet raakte en ze toch met bovengenoemd speelgoed kon spelen. Iedere poging van mijn kant om haar onder de waterstralen te lokken, werd vakkundig genegeerd. Haar optillen werd beloond met een gilpartij die zijn weerga niet kende. En de broccoli zat nog steeds in haar haartjes.

Ik besloot het water dan maar naar de Emily te brengen. Dat was een slecht idee. Het moment dat ze zich realiseerde wat er gebeurde, schrok ze enorm en zette ze het op een kruipen. Ze keek niet waarheen. Haar knietjes glibberden over de badkamervloer richting toilet. Boink. Au. Gillen. En hard ook. Ik pakte haar op en bracht haar terug naar de 10 Nijntjes en evenzoveel dolfijntjes. Ik kuste haar op de rode plek op haar hoofd en nam haar op schoot. Heel langzaam schoof ik steeds een beetje meer naar de douche. Alle speelgoedjes bewogen mee. Dit werkte beter: mijn uitlopende mascara zorgde er keurig voor dat ik niks meer zag en ik kon op de tast prima haar haartjes bezwitsallen. De crisis was bezworen. Emily blij, ik blij.

Toen ik drie kwartier later (eerst de fles, het Tandie de Tandenborstelfestijn, het voorlezen van anderhalf Dikkie Dik verhaaltje en het welterusten zeggen van de hele wereld) de badkamer weer binnenkwam om de schade op te nemen, hoorde ik het mezelf zeggen. ‘Djiez, Emily, wat een waterballet.’ En niet geheel zonder irritatie. Werkelijk alles was nat. En dat betekende nog even niet bankhangen na een dag werk, babyspitsuur en douchedrama.

Ineens begreep ik mijn moeder. Mijn waterballet van vroeger was een vanzelfsprekend bijproduct van Prins Eric’s reddingsacties. Haar waterballet van vroeger betekende een boel extra werk.

Ik pakte een oude handdoek en maakte de vloer droog. ‘Diep in de zee’, zong ik zachtjes terwijl ik de speelgoedjes in hun mandje legde. Emily kletste in bed met haar knuffeltje. Ik bedacht me dat ik dit nog heel, heel erg vaak zou gaan doen. Er zouden nog een hoop Nijntjes, dolfijntjes en andere speelgoedfiguren spannende avonturen gaan beleven in deze badkamer. Met Emily als choreografe van de meest prachtige waterballetten. En ik als trotse toeschouwer. Met corvee.

Antilliaanse minuutjes

‘Ik bel wel een zwarte taxi voor je, dat is goedkoper.’ Ik denk even na. ‘Hij is ok, ik ken hem goed.’ ‘Goed, doe maar.’ Het zou een kwartier moeten duren.

Een Antilliaans kwartiertje duurt een uur. Het meisje van het restaurant belt nog een keer. ‘De stad is afgezet voor carnaval, hij is er met drie minuten.’ Een Antilliaanse minuut duurt vijf minuten. Typisch zo’n wisselkoers waar je te laat achter komt.

Dan komt er een grote groene Jeep voorrijden. John stelt zich voor. Hij legt mijn koffer op de achterbank. ‘Helemaal vooraan gaan zitten.’ Op de passagiersstoel dus.

John geeft me zijn kaartje. Hij houdt zijn pitch. Als ik ooit terugkom, bel ik hem en regelt hij een goedkope kamer in een duur hotel of een appartement voor mijn vriendinnen. ‘Niet kwijtraken. Mensen raken het kwijt en hebben dan spijt.’ Hij moet lachen omdat het rijmt. Ik stop het kaartje in mijn portemonnee.

‘Staat de muziek te hard?’ Ik knik van niet. ‘Goeie boxen’ zeg ik. Hij vertelt over de muziekinstallatie. De boxen zitten overal. Hij draait aan de volumeknop. Deze installatie is beter dan die van mij thuis, bedenk ik me.

John hoeft geen gaten te ontwijken. Zijn jeep zoeft overal overheen. De ramen staan open. Door de wind en muziek heen vertelt hij dat zijn auto laatst is opengebroken. ‘Die klootzakken hebben al mijn CD’s gejat. Nu heb ik alleen nog maar stickjes.’ Hij vertelt dat hij van dansen houdt. En dat alle meisjes dan naar hem toe komen op de dansvloer. Hij kan wel zes uur achter elkaar dansen. ‘Welke muziek dans je op dan?’ Alles. Maar het liefst op Disco. Hij trekt de USB stick uit zijn autoradio en duikt onder zijn stoel op zoek naar een andere. De berm komt gevaarlijk dichtbij.

Net op tijd komt hij omhoog en stuurt bij. Als hij de stick in de radio doet, galmt er Saturday Night Fever uit de boxen. Hij lacht en danst op zijn stoel. Ik lach ook.

Hij doet me een beetje aan mijn vader denken. Zelfde manier van bewegen. En die danste ook nog de hele nacht op zijn veertigste. Daarna trouwens ook nog. Niet op disco. Mijn vader was van de rock and roll, Stones enzo. Ik herinner me een keer uit eten. Ik trakteerde. Daarna was er een live band. Samen dansten we de hele nacht en dronken we iets sterks. Wodka, of misschien wel whisky. Niet helemaal pedagogisch verantwoord. Wel onvergetelijk leuk.

John rijdt hard. De wind blaast mijn haren droog. Hij vertelt een onsamenhangend verhaal over zijn nieuwe businessconcept. God heeft mij op zijn pad gebracht. Hij heeft webadvies nodig. Ik moet hem echt mailen, God heeft mij op zijn pad gebracht, namelijk.

Ik betaal John en bedank voor de ‘safe trip’. Hij tilt mijn koffer uit zijn jeep. Ik blijf even kijken terwijl hij wegrijdt. De bas dreunt nog lang na.

Goed. Vliegveld. Inchecken. Er is geen rij. Het inchecken duurt precies 1,5 minuut. Daarna koop ik een blikje Arizona kiwi-mango en een veel te dure mueslireep. Ik geniet buiten nog even van de laatste zonnestraaltjes en drink de halve liter supergezond fruitsap met maar 100 calorieën en 0,0 toegevoegde suikers (ik verveelde me). Ik heb direct spijt. Van 0,5 liter Arizona kiwi-mango moet je vaak plassen. Vaak plassen op een vliegveld is kut.

Next stop: security. Next next stop: tax free walhalla. Ik koop een kadootje voor mijn zusje. De jongen die het afrekent vraagt waar ik vandaan kom. ‘Sweden?’, ’Italy?’. ‘Holland’ antwoord ik. ‘Ah. You Europeans all look the same. You all have the same eyes. But yours I’ll remember.’ Hij lacht vrolijk. Ik lach terug. Slechte tekst, leuk gebracht.

Het is nog anderhalf uur wachten op de vieze stoeltjes van Hato airport. Ik lees wat in Giphart (Ijsland) en kijk mensen. Vooral op vliegvelden is het leuk mensen kijken. Iedereen wacht, iedereen is meer of minder chagrijnig. Heerlijk.

We boarden. We vliegen. Ik val in slaap bij ‘It’s complicated’ en kijk met bewondering ‘Alice in Wonderland’. Daarna ‘Friends’ en ‘Two and a half men’. Af en toe klets ik wat met mijn buurmeisje. Een stuk relaxter dan mijn BFF van de heenreis.

De vlucht gaat snel, ondanks dat ik maar een uurtje slaap. Om half twaalf landen we op Schiphol. Ik pak mijn spullen. Veel spullen, met dank aan de tax free walhalla. Al in de slurf komen de drugshonden ons tegemoet. Ik had Herdershonden verwacht, maar het is een soort grote Bouvier. Honden, daar heb ik het niet zo op. Maar ik vind het niet zo’n goed moment om er heel nerveus over te doen. Hij rent op mij af en daarna nogal hysterisch door de menigte.

Dan een douanefuik. Vijf man staan er om iedereen te ondervragen over hun whereabouts en whyabouts. ‘Goedemorgen mevrouw. U reist alleen?’ ‘Klopt’ antwoord ik. ‘Vakantie?’ ‘Vakantie.’ ‘Ik heb een vriendin bezocht’ voeg ik er aan toe. Hij bekijkt mijn paspoort. Dan mij weer. Ik bedenk me dat ik er na 24 uur wakker, 8 uur in een vliegtuig, met coupe johnsjeep en waarschijnlijk mascara op mijn wangen niet uitzie alsof ik 10 dagen heerlijk heb liggen relaxen. Eerder alsof ik nachtenlang heb staan schuren met wildvreemde Antilliaanse drugsdealers. Echt bruin ben ik ook niet. Ik lach zo vriendelijk mogelijk. ‘Wat doet u voor werk in Nederland?’ Weer lijkt de coolsultantgrap niet op zijn plek. ‘Ik werk bij een internetbureau.’ Ai, denk ik. Te vaag.

Ik mag doorlopen. Daar wachten nieuwe douanejongens. Mijn spulletjes gaan door de X-ray. Er wordt me niets gevraagd. Ik doe mijn haar in een staart en neem me voor om mijn mascara wat bij te werken. Of in ieder geval van mijn kin, waar het vast ook zit, te poetsen.
De bagageband waar ik mijn koffers moet halen is afgeschermd met hekken. Mijn koffer is er snel. Weer een x-ray. Zo nonchalant mogelijk en een stuk frisser dan daarvoor loop ik langs de nieuwe douanemannetjes. Helaas. Ik moet mijn koffer openmaken.

Ze pakken mijn koffer uit. De hele tafel ligt vol met mangosmoothierokjes, ondergoed, bikini’s en smoezelige kleren. En 15 boeken. Of ik die allemaal had gelezen. Nee. Ze worden met aandacht bekeken. Handbagage mag ook uitgepakt. Joy. Ik zie de andere passagiers kijken. Ik beantwoord veel vragen. Ze vinden niks en willen mijn koffer weer inpakken. Tja. Dat gaat niet zomaar. Met z’n drieën lukt het de koffer weer dicht te krijgen. ‘Bedankt voor je medewerking.’

Ik loop naar de aankomsthal. Mensen met ballonnen en spandoeken staan te wachten op hun vrienden, familie en geliefden. Ze kijken allemaal een beetje teleurgesteld dat ik door de schuifdeuren kom. Tja, part of the game, denk ik. Bovendien is de teleurstelling geheel wederzijds, want ik zie geen ballonnen of spandoeken of drumband.

Dan hoor ik mijn naam. Daar staan ze: man en kind. Emily kijkt de andere kant op. Daar zijn namelijk mooie ballonnen. ‘Popje!’ Ze kijkt om. Ik was een beetje bang dat ze niet direct heel enthousiast zou reageren, dat ze even moest wennen. Nee hoor, ze strekt haar armpjes naar me uit en lacht haar prachtige Emilylach. Ze houdt haar armpjes stevig om mijn nek terwijl ze af en toe even kijkt of ik het echt wel ben. Dan ziet ze de ballonnen weer. ‘Die, die.’ Eerst een group hug. Een brok in mijn keel. En dan uitgebreid alle ballonnen inspecteren. Tijd zat. Ik doe aan Antilliaanse minuutjes.

————

Thuis. Al een week. En Antilliaanse minuutjes zijn er niet meer bij. Behalve vanochtend dan, toen ik me versliep. Direct een drukke week. ‘Dit is niet handig’ zei ik hardop toen ik mijn werkagenda zag. Dat moet maar even anders de komende tijd. Want 10 dagen rust is heerlijk en de man met de hamer staat inderdaad nog op het vliegveld. Maar ik ga er voor zorgen dat ie daar ook blijft.

Naar huis

‘Het is zo stil in mij’ komt er uit de boxen. De ochtendzon is fel. Het wordt een warme dag. Ik eet een croissantje met jam en drink een latte. Wilhelminaplein. 9 u deze tijd.

Gister zijn Linda en ik naar Grote Knip geweest. Eerst langs de supermarkt. Blikjes watermeloensap en guave-orange juice. Broodjes. Meloen. Bananenchips. De boodschappen worden door de Antilliaanse jongen keurig ingepakt. Daarna loopt hij voor een gulden mee naar je auto. Handig. Maar het voelt ook een beetje raar.

We rijden in de middle of niks. Prachtige omgeving. Cactussen, gekleurde huisjes in een groen landschap. Soms rijden we onder een boogje van bomen. Ik ontwijk de gaten in de weg inmiddels vakkundig.

Dan gaat de weg ineens 10 meter steil omhoog. Geen grap. ‘Dit is de achtbaan, hou je vast.’ ‘Ja jij ook’ antwoord ik. Niet nadenken, niet nadenken. Ik schakel terug en geef gas. ‘Het zijn er maar drie.’ Slik. Bovenaan de, tja, heuvel gaat de weg zo mogelijk nog rechter naar beneden. En gelijk daarna weer omhoog. Idioot. Maar het lukt.

Niet lang daarna komen we bij een parkeerplaats. We pakken onze spullen en lopen richting Grote Knip. En daar is het mooiste uitzicht dat ik ooit zag. Felblauwe zee in twee tinten zover als je kan kijken. En rechts een wit strand met palmbomen. ‘Holy moly’ hoor ik mezelf zeggen. Slechte tekst, denk ik vlak daarna.

We betalen onze bedjes en slepen ze zelf naar een parasol. Ik mis de jongen van de supermarkt. Ik raak verwend.

Ik loop naar de zee. Hier moet ik wel in zwemmen. Ondanks mijn zee-angst. Hier moet iedereen in zwemmen. Het zoute water bijt in mijn muggenbulten. Ik zie een school kleine witte visjes. Ik heb mijn veel te grote zonnebril nog op. Dat moet er debiel uitzien, denk ik. Het kan me niet schelen. Dit is te fijn.

De hele dag liggen we op het strand. Linda luistert muziek, ik schrijf een lang verhaal.

Om vijf uur rijden we terug. We stoppen bij een toko. Dat is een klein supermarktje waar je alles kunt kopen. Van DVD’s tot shampoo tot drank tot weet ik wat er nog onder de toonbank ligt. Op veel te weinig vierkante meter staan veel te veel spulletjes. We kopen chips, lokale likeur en DVD’s.

’s Avonds drink ik nog wat in Mundo Bizarre. Ik overdenk de afgelopen week. Mooi was het. Ik ben rustiger dan dat ik in jaren ben geweest.

Inmiddels zingt Whitney Houston me toe. Op het terras van het Wilhelminaplein wordt het drukker. Vanmiddag om 17u deze tijd neem ik een taxi naar de airport. Linda verklaarde me voor gek dat ik echt drie uur van te voren op het vliegveld wilde zijn. Ik vertelde over mijn ooit bijna gemiste vlucht in Tel Aviv. Dat gaat me niet nog een keer gebeuren. Deze vlucht ga ik niet missen. Ook niet bijna.

Het was fantastisch. En het was nodig. Maar nu wil ik naar huis.

Groot Avontuur

Snek. Vanavond gaan we naar de snek. In mijn eerdere post schreef ik het verkeerd. Het is snek, niet snack. De Heinekensnek om precies te zijn. Een betonnen gebouwtje met een barretje en tralies. Daar hang je. Het is de vrijmibo van Curacao. Buiten, op een parkeerplaats.

Linda stelt me voor aan haar mede snekkers. Ze werken voor verzekeringsmaatschappijen, zijn projectontwikkelaar, financieel directeur, accountant en elektriciën. Er wordt stevig bier gedronken. Ze kijken me glazig aan als ik cola bestel. ‘Zal ik even rum voor je halen? Van die Dominicaanse, met wat extra’s?’ Ik bedank netjes. Rijden met drank op mag dan heel normaal zijn op Curacao, ik vind het maar een slecht idee.

Wat ik doe in Nederland. Eigenlijk wil ik ‘coolsultant’ zeggen, maar schat zo in dat alleen ik dat grappig vind. ‘Ik werk bij een internetbureau’ zeg ik. Of ik ook kan hacken. Nee, dat niet.

Acht jaar, tien jaar, twee jaar. Ze zijn allemaal al lang hier. En willen niet weg. Of misschien naar een ander zonnig land, maar niet terug naar Nederland. Ze vragen hoe het nu is in Nederland, met de PVV aan de macht. ‘Minder corrupt dan hier’ zeg ik, terwijl ik knik naar de jongen die me even daarvoor een extreem schandaal uit de doeken deed.

Bram heeft eerst in Australië gewoond, toen in Zuid-Amerika (of Zuid-Afrika, dat weet ik niet meer) en nu op Curacao. Ik voel me ineens heel saai. Al een jaar denk ik na over de vraag of ik niet van mijn nieuwbouwwijk terug naar de stad moet verhuizen. En ik weet het nog steeds niet.

En toch. Ik kijk om me heen en vraag me af of ik dit zou willen. Alles achterlaten om ergens opnieuw een bestaan op te bouwen. Ondanks de zon en de prachtige stranden, ondanks de relaxte mentaliteit, ondanks het avontuur, besluit ik van niet. Bovendien, bedenk ik me, is saai ook maar relatief. Ik denk aan Emily, hoe ze me iedere dag weer verrast. Saai? Nee. Een kind dragen, baren en grootbrengen, dat is een groot avontuur.

Het is half tien, we gaan naar huis. Linda in haar auto, ik in de mijne. Ik ben blij dat ik niet heb gedronken. Sommige auto’s rijden zonder licht, er steken her en der honden over (die zijn nogal suïcidaal hier, zo had Linda me gewaarschuwd) en er wordt door rood gereden. Inmiddels ben ik er al wat aan gewend. Bovendien moet de grootste uitdaging nog komen: inparkeren. Wat ik eerder schreef over dat ik mezelf wel een goede chauffeuse vind, dat geldt niet voor inparkeren. Zo’n vakje recht vooruit, dat lukt me wel. Datzelfde vakje achteruit ook nog wel. Fileparkeren. Dat is een Ramp. Één keer is het me vlekkeloos gelukt. Dat was tijdens mijn rijexamen. Daarna heb ik het jaren niet gedaan nadat ik een keer bijna een hele dure Mercedes van voor naar achter had voorzien van een lakkras. Dan liep ik liever wat verder. Of belde, ja echt, mijn man om het klusje te klaren.

Maar goed, ik vind dat wat weinig geëmancipeerd van mezelf, dus af en toe waag ik de gok. Soms lukt het, vaker niet. Mijn inparkeerman bood eens aan om me een spoedcursus te geven. Dat leek me om all obvious reasons niet handig. Samen behangen terwijl je ook een Ikeakast in elkaar zet, dat idee.

Maar nu moet ik wel. En ook nog aan de linkerkant van de weg. Dat is niet mijn beste kant. Voor me een huur-Kia. Achter me een Q7. Ook dat nog. Ok. Naast de huur-Kia. Naar achter. Sturen. Langzaam. Terugsturen. Ik sta een halve meter van de stoep. Normale mensen zouden nu gewoon overnieuw beginnen. Ik niet. Ik weet dat het niet beter wordt dan dit, want eigenlijk heb ik geen idee wat ik net deed. Dus ook niet hoe het beter moet.

Dan maar proberen om wat dichter bij de stoep te komen. Naar voren, naar achter. Er zit een fikse kuil in de weg die me af en toe gevaarlijk dicht naar de Q7 doet rollen. In mijn beleving dan. Waarschijnlijk heb ik nog een halve meter speling.

Ik heb het niet bijgehouden, maar het zou kunnen dat ik 30 keer naar voor en naar achter heb opgetrokken. Het moest lukken en het lukte. Heus wel dat ik strak langs de stoeprand stond. Ik leer het wel, denk ik bij mezelf.

Linda en ik drinken nog een Polar en maken plannen voor morgen. Grote Knip wordt het. Mijn laatste volle dag op het eiland. Nu besef ik me hoe snel de tijd is gegaan. Linda vraagt of ik zin heb om naar huis te gaan. Dat heb ik. Toch lijkt het kort, deze 10 dagen. Nog maar even extra genieten morgen. En dan lekker terug naar mijn eigen avontuur.

Loef

‘This song is about loef.’ Het duurt even voordat ik door heb dat de frontman van de coverband ‘love’ bedoelt. Hij draagt All Stars, een baggy spijkerbroek, zwart shirt en een petje schuin op zijn zwarte haar. Zijn medebandmembers zien er hetzelfde uit. Hun petjes staan recht.

Goed. Een liedje over loef. ‘You’re beautiful’ van James Blunt (Toch? Ik moet eens nummers en artiesten leren onthouden).

Het is een schattig trio, maar ik ben bang dat er geen carrière in de muziek voor ze is weggelegd. Cover na cover schalt het restaurant in. Vol overgave vals en in slecht Engels. Effiribuddie hoerts. Effiribuddie hoerts.

Ik vraag me af of het aso is om mijn iPod op te zetten. Ik denk van wel. De Amerikanen naast me klappen enthousiast na ieder nummer. ‘Red Hot Chili Peppers’ proberen ze. ‘Yeah, sure.’ Niet in het repertoire.

Ieder nummer wordt aangekondigd met ‘This one is from the nineties/eighties/sixties. I think. Hope you like it’. Dan spelen ze een Spaanstalig nummer. Hebben ze duidelijk veel meer plezier in. En talent voor. Ik vraag me af waarom ze niet alleen maar in het Spaans zingen. Marketing, vast. Vinden de toeristen mooi, covers uit de sixties/eighties/nineties. I think.

Ze sluiten af met een nummer in Spaans-Engels. Home sweet home klinkt het refrein. Iedereen zingt mee. Nog drie nachtjes.

Gister vroeg iemand me hoe lang ik voor mijn gevoel al weg was. Ik wist het antwoord niet. De tijd gaat maar een beetje aan me voorbij zonder dat het me iets zegt. Nog drie nachtjes.

Die ochtend heb ik ‘op Zanzibar’ gelegen. Fijn strand, fijn restaurant. Terwijl ik mijn yoghurt met muesli en fruit at, verzamelden er zich veel Nederlanders om mij heen. Ze kwamen allemaal voor de introductiecursus Curacao van de reismaatschappij.

Ik luisterde mee. Wie weet steek ik er nog wat van op, dacht ik. De reisleidster begon met wat algemene waarschuwingen. Niet te lang in de zon, veel water drinken, muggenshit gebruiken. Check. Zouden de gasten zich niet een beetje bemoederd voelen, vroeg ik me af. Zou ik wel hebben. Iedereen luisterde geïnteresseerd. Niet dus.

Ze vertelde over de shuttlebusjes die af en aan rijden naar de supermarkt, naar de restaurants (Argentijns, Italiaans, Steengrillen, heel druk tussen zes en zeven) en naar Willemstad. ‘Maar eigenlijk hoef je het resort hier niet af. Alles is hier.’ Een zucht van opluchting ging door de groep. Of misschien dacht ik dat te zien.

Ik hoorde haar niets vertellen over de duizendpoten, de gewapende overvallen of vliegende kakkerlakken.

Best relaxt, zo’n resort en zo’n dame die je altijd kan bellen. Ik dacht aan Linda die helemaal alleen hier naartoe kwam. Haar eerste huis was er één waarbij de woonkamer eigenlijk buiten was en de douche bewoond werd door spinnen en salamanders. Ze kwam zonder plan, had na een avond in de kroeg haar huur opgezegd en een ticket geboekt. Je moet het maar durven. Zij had geen reisleidster die ze dag en nacht kon bellen. En geen resort. Wat een bikkel. Het leven hier is niet makkelijk. Ja, zon, strand, happy hour. En dat maakt een hoop goed volgens Linda.

Na minstens 20 minuten in de weer te zijn geweest met factor 30 (zelf je rug insmeren is ingewikkeld) plofte ik neer op het strandbedje. Kluun was uit, ik begon aan ‘De Verbouwing’ van Saskia Noort. Ik nam me voor in Nederland weer meer te gaan lezen en hoopte dat dit nou eens een vakantievoornemen was dat stand zou houden.

Ik keek naar de zee. Je kon er via een trapje in. Af en toe klonk er een enthousiast ‘wow kijk’ of een angstig ‘oh mijn god’ van de snorkelende toeristen. Linda had me verteld over de twee barrakuda’s die aan de kust woonden. Ik hou van de zee, maar eigenlijk niet zo om in te zwemmen. Sinds mijn Nivea strandbal tijdens een vakantie in Griekenland in een halve minuut kilometers ver de zeehorizon werd ingeslingerd, is dat een beetje over. Ik was 6 en de zee was me veel te sterk. Dat ik een paar jaar later Jaws zag, heeft niet echt geholpen.

Ik besloot om lekker op het droge te blijven en telde de muggenbulten op mijn benen. 14. Ik vond het best meevallen.

Na drie uur vonden ik en mijn bleke huid het welletjes. Ik reed terug naar mijn tijdelijke huis. In één keer, just saying. Onderweg haalde ik bij Mirjam Griffioen, kunstenares en vriendin van Linda, mijn kadootje voor Emily op. Ze woont in een prachtig bont (en blauw) geschilderd huis in Linda’s straat. Binnen hangt het vol met vrolijk gekleurde schilderijen. Er moet meer kleur in mijn wit met grijze huis, bedenk ik me. Als ze laat zien wat ze gemaakt heeft, ben ik ontroerd.

De rest van de dag liep ik wat rond door de buurt voor foto’s. En bezocht wat winkels in de hoop een rokje te vinden dat mijn mangosapincidentje goed kon maken. Mission impossible als je niet van panterprint houdt. Of een rokje wil dat je billen bedekt.

Na nog wat zon op het terras, loop ik terug naar Mundo Bizarre. Met mijn boek nestel ik me in de grote fauteuil en bestel wat te eten. Het is acht uur. ‘This song is about loef.’ Nog drie nachtjes (inmiddels twee).

Man met hamer

Gisteravond was ie daar ineens. Zonder waarschuwing. Al had ik hem wel aan kunnen zien komen. En ik had er wel een beetje rekening mee gehouden, maar een kleine aankondiging was leuk geweest.

Ik zit op het terras. Lees verder in Kluun. In het café wordt de ene klassieker na de ander ingezet door de Antilliaanse live zangeres. I will survive, daar eindigt ze mee.

Af en toe kijk ik op van mijn boek. Soms omdat er een auto luid toeterend voorbij komt. Dat kan hier zowel ‘je bent een lekker wijf’ als ‘pas op je krijgt geen voorrang’ als ‘pas op je krijgt wel voorrang’ als ‘check mijn coole auto’ en alles daar tussenin betekenen. Af en toe bekijk ik de mensen om me heen. Links naast mij twee Antilliaanse stelletjes. Ze hebben veel lol, de ‘dushi’s’ vliegen over tafel. Achter mij een stel stagiaires. Ze nemen de dag door, klagen over de afwezigheid van warm douchewater en proosten op de zon. Rechts naast mij een moeder met haar tienerdochter. De moeder gaat drinken bestellen bij de bar. Ze laat haar tasje op tafel liggen. Ik zie hoe haar dochter het tasje veilig onder haar stoel legt. De moeder drinkt een witte wijn, de dochter een cola met citroen.

Zonder dat ik het kan helpen schiet ik vol. Hoe vaak heb ik met mijn moeder op het terras gezeten? Ontelbaar. Waar hadden we het eigenlijk over? Jezus, waar hadden we het dan over?

Dus. Daar was ie. De man met de hamer kwam even buurten. Na een marathon van meer dan twee jaar, overlevend op het mantra ‘alles komt goed, ook als het niet goed komt’, besef ik me duizenden kilometers van huis dat sommige dingen niet goed komen. Mijn moeder is dood en dat blijft ze ook nog wel even.

De terrasmoeder kijkt onderzoekend naar me. Niet gek ook, ik zit in mijn eentje op een terras te huilen. Stom. Ik veeg mijn tranen weg en duik in mijn boek. Zogenaamd. Als alibi om te bedenken waar we het over hadden, mijn moeder en ik. Op het terras. Over nieuwe aankopen, herinner ik me. Over mijn werk, haar bedrijf. Alle ins en outs van alle zusjes, tantes en vrienden. Af en toe een beetje klagen over onze mannen. Mijn moeder was cool.

De terrasmoeder- en dochter naast mij staan op. Ze lopen bij hun tafel weg. De moeder wil rechtsaf. Haar dochter pakt haar bij de arm. ‘Nee mam, daar moeten we pas rechts.’ Ik moet er hard om lachen. Zo slecht als mijn richtingsgevoel is, dat van mijn moeder was nog slechter. Dus wist ik altijd de weg. En dat moet er precies hetzelfde hebben uitgezien als wat ik nu aanschouw.

Ik denk aan een berichtje dat mijn zusje vandaag stuurde. Ze was bij Emily geweest. ‘Volgens mij mist ze je wel, ze wil de hele tijd opgetild worden.’ Oei. ‘Maar ik heb gezegd dat de zon mama riep en daar ben je dichter bij de zon!’ De schat. Later zal ik wel eens uitleggen dat het mama was die de zon riep. Dat mama even moest bijkomen van die marathon. Deze man met de hamer was even nodig. Maar ik neem hem niet mee het vliegtuig in. Hij blijft mooi hier.

Met mijn ogen dicht luister ik naar het gedushi van mijn buren. Ik neem me voor om, als Emily ouder is, haar mee te nemen naar deze zon. Met z’n tweetjes. Dan bestel ik de drankjes en wijst zij de weg.

Zo’n dag

…dat je beter in je bed kan blijven liggen. Die heb je ook hier. Ik althans.

Het begon al niet vlekkeloos toen ik vanochtend bij een kraampje op straat een mangosmoothie bestelde. Twee stappen en van top tot teen onder de gele smurrie. Sommigen weten dat ik in 15 minuten mijn koffer heb gepakt. Ik kan je zeggen dat daar niet heel veel kleren in zaten. Ik weet nu al dat de mango met melk er niet uitgaat. De Antilliaanse beveiliger vindt het maar wat amusant. Dat is het eigenlijk ook wel.

De rest van de ochtend hang ik bij Saint Tropez. Als ik maar gewoon blijf zitten, kan er ook niet zoveel misgaan. Behalve dan vergeten muggenshit op te smeren. Mijn benen worden steeds gespikkelder. Oh ja en ik ben de antiprikshit ook vergeten.

Dan maar muziek, dat leidt af van de jeuk. Een tijdje lig ik zo in de schaduw. De schaduw ja. Vandaag is zo’n dag dat ik genadeloos verbrand, schat ik zo in.

In de middag wil ik naar Porto Marie. Ok. Geen idee hoe ik moet rijden. Ik bekijk de kaart. Zandweggetjes. Geen paniek. Had Linda me al voor gewaarschuwd. Bij Mundo Bizarre vraag ik voor de zekerheid de weg. Ze zitten met z’n drieën buiten. De barkeeper, de chef en nog een jongen. Alledrie kijken ze me aan alsof ik gek ben geworden. ‘Ga jij in je eentje naar Porto Marie?’ Ok, niet op gerekend. ‘Kan dat niet dan?’ Het antwoord is resoluut: nee. Niet als je daar niet bekend bent, niet als je ook maar even laat zien dat je de weg niet kent, niet als je verkeerd rijdt en in een buurt terecht komt waar zelfs de politie niet wil komen. Niet aan die kant van het eiland. Ik slik. Ik neig, uit gewoonte, naar een ‘ja maar’. Ze zien het. ‘We vinden straks alleen nog maar je zwarte jurkje terug.’ Point taken. ‘Ga maar naar Mambo, dat is hier rechtdoor en dan aan je rechterhand.’ Goed idee, dat ga ik doen. Ik kijk naar mijn auto die zwaar ingeklemd staat tussen twee andere auto’s. De barkeeper vertelt me hoever ik naar achter kan. De andere twee gaan er eens even goed voor zitten. Binnen een halve minuut ben ik uitgeparkeerd. For the record.

Uiteraard rij ik Mambo Beach vijf keer voorbij. Goed, gevonden. Heerlijk. Zon, strandbedje, zonnebrand, muggenshit, boekje (Kluun, Haantjes, hilarisch).

Na drie uur wil ik terug. Het is rustig op de parkeerplaats, op wat verdachte personen na. Er staan zo’n 30 auto’s. Als je alleen reist moet je vaak je ‘ik weet precies waar ik mee bezig ben’ gezicht op zetten. Zo ook nu. Ik heb geen idee welke auto van mij is. Zilver. Er vallen 20 auto’s af. Zo nonchalant mogelijk loop ik de parkeerplaats op. Ik druk op het ‘open deuren’ knopje aan mijn sleutelbos. Er gebeurt niets. Waarom, echt, zitten er 4 fokking knopjes op, vraag ik me af. Ik druk op het goede knopje. Er klinkt een piep. 100 meter verderop, dat wel. Check, auto gevonden. Ik weet waar ik mee bezig ben, ik val niet op, ik ben de coolness zelve. Zonnebril op, tas op passagiersstoel, auto starten. Alarm. What the fuck. Alarm??? So much voor niet opvallen en weten waar je mee bezig bent. Ok geen paniek. Ik weet hoe dit uit moet. Knopje, pauze, knopje. Uit. Nog een keer starten. Weer alarm. Nee Minke, goed bezig, bijna onzichtbaar. Knopje, pauze, knopje. Starten. Hallelujah. Het werkt.

Ok, chill, nu weet ik waar ik mee bezig ben. Rijden. Links af, dan alleen maar rechtdoor. Na een paar honderd meter kan ik niet meer rechtdoor. Ik moet rechts. Ik rij door prachtige straten met gekleurde huizen en kerken. Even overweeg ik te stoppen voor foto’s, maar denk aan de woorden over alleen een zwart jurkje terugvinden. Gewoon blijven rijden bedenk ik. Geen idee waar ik ben, tot ik een bekende rotonde zie. Ik snij minstens vijf auto’s af (ik hing niet genoeg achterover), maar het lukt. Ik ben terug.

Nadat ik me omgekleed heb, ga ik wat eten op het Wilhelminaplein. Onderweg laat ik mijn iPod vallen en waait mijn rokje op terwijl ik langs een bomvol terras loop. Karma was nog niet klaar met mij. Ik plof neer, bestel een witte wijn en een Stoofpotje volgens Antilliaans recept. Toch maar gedaan én gered allemaal. Het is geweldig, alleen op vakantie, maar wel avontuurlijk :).

Morgen ga ik Linda naar haar werk brengen en dan naar Zanzibar. Dat kon, volgens haar. Nieuw avontuur. Voor nu eerst nog maar een wijntje.

Curaçao

Wat een overgang van rennen en vliegen in een nat en koud Nederland. Nou ja, dat vliegen bleef er een beetje in. 10,5 uur om precies te zijn. Lang leve de iPad, echt. Niet alleen omdat ik me met een beetje muziek af kon sluiten van de pogingen van mijn buurman slash new BFF om mijn telefoonnummer te bemachtigen. Ook omdat het entertainmentsysteem van Arke Fly nou niet bepaald de bom was.

Maar goed, na bijna een etmaal kwam ik enigszins verfromfraaid aan op tropisch curacao. Goed. Douane. Pinnen. Taxi. De norse taxichauffeur had geen zin, dat was duidelijk. En hij vroeg veel te veel geld, dat was ook heel duidelijk. Ach, vakantie, moe, laat maar. Op naar restaurant Mundo Bizarre waar Linda op me wachtte.

Linda bestelde Polar voor me, een tropisch biertje. We aten inktvis, gamba’s en vlees waarvan ik nog steeds hoop dat het geen leguaan was. Ze vertelde over haar ervaringen in 11 maanden curacao. Slepende immigratieprocedures, dagjes shoppen op Venezuela (10 bikini’s voor een tientje), feesten, dat het een kostbaar leven is op dit eiland.

Ze vertelt me over de stroom die je bij de benzinepomp moet kopen. Op een metertje zie je hoeveel je nog hebt, bij 5kw moet je nieuwe halen (staat nu op 8). Dat altijd wel iets niet werkt: of de stroom valt uit, of het water, of het internet. En als ze in het laatste geval belt met de internetcompany, kunnen ze haar niet helpen omdat zij ook geen internet hebben.

Ze onderbreekt haar verhaal omdat ze wil dat ik me inspray met antimuggenspul. ‘Anders krijg je dengue en dat is de hel.’ Ok. Geen paniek. Mijn struisvogelpolitiek tijdens de (non-) voorbereiding van deze reis lijkt niet meer houdbaar. ‘Ja daar kun je dood aan gaan, maar hoeft niet.’ Not helping. Ik smeer me van top tot teen in met zeer giftig ruikende insectenlotion. Check. Ontspan. ‘Oh en als je een duizenpoot ziet, oppassen. Ze zijn giftig. Direct doodmaken en oppassen want ze zijn altijd met z’n tweeën.’ Adem in, adem uit. ‘Gelukkig zijn de kakkerlakken allemaal verdronken tijdens de orkaan van een maand geleden.’ Slik. Orkaan? Linda vertelt over orkaan Thomas die een weekend lang aangekondigd werd maar niet kwam. Tot maandag toen niemand hem meer had verwacht. Ze woont op de begane grond, haar hele huis stond blank. Haar auto dreef de straat uit. Vrienden van haar waren onderweg en moesten in hun auto slapen. Wegen spoelden weg, er vielen 3 doden. Ik ben er stil van. De volgende ochtend was het rustig. Ze wilde naar immigratie om haar ‘verklaring van rechtswege’ te halen. Dat was al 36 keer uitgesteld. Maar immigratie was er niet meer. de weg er naartoe ook niet.

Inmiddels waren we toe aan ons vierde biertje en begon mijn 24-uur wakker zijn er wat in te hakken. We besloten naar bed te gaan. ‘Oh ja, wel de deur op slot als je binnen bent, laatst probeerde iemand in te breken terwijl ik thuis was.’ ‘En nog 1 ding: ‘s avonds niet alleen over straat hoor, mijn vriendin is laatst overvallen. Gewapend. En oh de jazzclub hier in de straat ook.’ Sweet dreams.

De volgende ochtend werd ik om half zes wakker. De verhalen van de avond ervoor leken ver weg. In het donker smste ik naar huis. Hoe het met Emily was? Gelukkig alles goed. Ik besloot maar niks te zeggen over de enge verhalen. Komt goed, Minke, komt goed.

Langzaam kwam de zon op. Heerlijk. We dronken koffie bij Mundo Bizarre en de ene na de andere Bevriende Nederlander schoof aan. Wat ik deed in Nl? Consultant, iets met online. Oh, klonk saai. Na een half uur durend gesprek over social media werd ik echter benoemd tot coolsultant. Score. Maar het leek een beetje teveel op werk. Op naar het strand. Eerst langs het Hilton om mijn auto op te halen. Linda brengt me er heen in haar Chevrolet. In de bekertjeshouder staat een flesje verlaten Corona. ‘ja, je mag hier eigenlijk niet rijden met drank op, maar ze hebben geen alcoholcontroles dus iedereen doet het.’ Ok. Ze vertelt hoe ze laatst werd aangehouden. Of ze ook had gedronken, want dan gaven ze haar wel even een lift. Nogmaals: ok.

Linda’s auto is hilarisch. Ik vraag of ze ook APK hebben. ‘jazeker, een mannetje loopt een rondje om de auto en checkt of er 4 wielen onder zitten. Vervolgens rijdt hij 10 meter, remt en controleert de ruitenwissers.’ Geruststellende gedachte. Haar auto heeft APK tot 2014. Ik ben bang dat ie dat niet gaat redden.

We halen mijn auto op. Die is er, voor zover ik kan inschatten, beter aan toe. Ik rij achter Linda aan naar Hook’s Hut. Ik ben te herkennen aan mijn richtingaanwijzers, want ben echt de enige die ze gebruikt. Orkaan Thomas heeft een paar leuke uitdagingen in de vorm van enorme gaten in de weg achtergelaten. Dat ging net goed. Zou wel gênant zijn, bedenk ik me. Dat je nog geen 10 minuten nadat je een auto gehuurd hebt al de wegenwacht moet bellen.

En dan….de zee. Het witte strand. Een frozen limoensap. Ik loop naar de zee en daar is ie: ontspanning. Heerlijk. Een vriend van Linda sluit aan. Hij woont hier al 8 jaar. Hij vertelt verhalen in dezelfde categorie als Linda. ‘Er is maar 1 ding op dit eiland dat op tijd begint en op tijd eindigt: happy hour.’ Ik kijk naar de laaghangende zon en denk: dit is perfect zo. Laat dat Happy Hour maar beginnen.’