Sprookjes

schoentjesOnhoorbaar huilde ze. Van die snikken in stilte. Met grote, dikke tranen uit haar dichtgeknepen oogjes. Snikhete dag en ze zat naast me in de auto. Want voorin zitten is cool. Maar nu even niet. Nu was niks cool. Nu was alles verdriet. En ik snapte heel erg goed waarom.

We waren op pad geweest om een bakfiets te bekijken. En daar hingen we een tijdje in de prachtige tuin. Ik kletste, Emily speelde met haar nieuwe beste vriendin van net zo oud. Trampoline, spelletjes en toen: hakschoentjes. Deze dame had twee paar prachtige Spaanse, gestipte hakschoentjes met van die vastmaakbandjes. Zo liepen ze een tijdje rond, allebei hooggehakt en goedgemutst. Emily vond ze prachtig.

Bij het weggaan had de nieuwe beste vriendin gezegd dat Emily de hakschoentjes wel mocht houden. Zelden zag ik een blijer kinderhoofdje dan toen. “Mama, ik mag deze schoenen gewoon hébben!!!” Spelbreker die ik was, vond ik dat we het nog wel even met de moeder in kwestie moesten overleggen. En die was er -terecht- wat minder enthousiast over. Herkenbaar, want als het aan Emily had gelegen, had ze al haar speelgoed weggegeven. Soms moet je even ingrijpen. En zo geschiedde, de schoentjes moesten uit. Emily hield zich nog redelijk groot bij het afscheid, maar in de auto was ze niet meer te houden. “Mijn voeten hebben ze nodig” huilde ze dramatisch terwijl ik niet probeerde te lachen. Dit was een pittig lesje “omgaan met teleurstellingen”.

Nu vind ik dat teleurstellingen bij het leven horen en dat je die gewoon moet ondergaan. Daar word je groot, sterk en realistisch van. Maar deze tranen, dit verdriet, raakten me. Zelf heb ik niet eens iets met schoenen (echt niet!), maar daar ging het nu niet om. Ze had heel even geroken aan het bezitten van het meest fantastische dat ze bedenken kon en moest het daarna laten gaan. Van oprecht heel blij naar oprecht verdrietig. Dus nam ik een besluit tijdens de tranenmettuitenterugweg.

Omgaan met teleurstellingen is belangrijk. Omgaan met wat je soms gegeven wordt, ook.

De volgende dag kocht ik de rood-met-witte-stippen Spaanse hakschoentjes tijdens mijn lunchpauze. Die avond overhandigde ik haar de prachtig ingepakte doos. Zorgvuldig peuterde ze plakbandjes los, ontvouwde ze het pakpapier en tilde ze de deksel op. Haar mond viel open. Haar ogen groot als schoteltjes, handje naar haar mond. Ongeloof en blijdschap. “Oh mamaaaaaaaa! Dank je wel!!!!!!”

Maar dat was nog niet eens het mooiste. Amper een minuut nadat ze de schoentjes -uiteraard onmiddellijk- aantrok, zat ze in een sprookje. Ze was Assepoester en Sneeuwwitje en Doornroosje tegelijk. Uren achter elkaar.

De volgende dag liepen we naar school. Met elke stap op haar nieuwe hakjes, groeide ze. Ze betrad het schoolplein uiteindelijk alsof ze een Dior-show liep op de catwalk in Parijs. Zij ging de wereld veroveren op deze nieuwe schoenen, dat straalde er aan alle kanten af. Ze toverde daarmee niet alleen hele grote glimlach op mijn gezicht, maar ook op die van alle toekijkende ouders.

Lieve Emily: verover de wereld. Leef je sprookjes. Allemaal tegelijk. Op deze schoenen, andere schoenen, geen schoenen. Als je het maar doet.

Liefde is het allermooiste

liefde

Mijn dochter en ik staan samen te koken. Ik schil de aardappels, zij snijdt ze vervolgens in stukjes. Daarna gooit zij ze met grote kracht in het pannetje met water. Kleine spettertjes springen vrolijk rond bij iedere plons. De radio draait liedjes waar we allebei nauwelijks zichtbaar, maar verbazingwekkend synchroon op meeswingen.

Als ik de aardappels op het vuur zet, vraagt ze of ze morgen haar mooie glittershirt aan mag. Dat mag. Tegen de tijd dat het water kookt, vraagt ze het weer. “Ja, lief. Dat zei ik toch al?” Ze herhaalt de vraag tijdens het dichtschroeien van de slavinken, tijdens het afgieten van de boontjes en vlak na haar eerste hap. Ze mag nog steeds haar glittershirt aan. “Maar waarom vraag je dit zo vaak?”

Met twee jusdruppels aan haar kinnetje komt het hoge woord eruit: “Ik moet er toch mooi uitzien?” Ze zegt het alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat een meisje van vier er mooi uit moet zien op een doordeweekseschooldinsdag. Ik vraag haar met volle mond waarom ze er dan precies mooi uit moet zien. “Voor Ibrahim” zegt ze. “Dan wil hij misschien hand in hand lopen. En mijn vriend zijn.” Ik verslik me in mijn appelmoes. “Ben je een beetje verliefd, Emily?” Haar oortotoorglimlach zegt deze moeder genoeg: mijn dochter van vier is inderdaad verliefd. En niet zo’n beetje ook. Roze blosjes kleuren haar wangen.

Die avond, na het afruimen, afwassen en voorlezen laat ik dit gegeven even goed op me inwerken. Vier en verliefd. Ongewild dringen beelden van puberjongetjes met pussende puistjes zich aan me op. Ik zie voor me hoe hordes scooterhelden zich onder haar slaapkamerraam verzamelen om haar mee te lokken naar de stad. Ik zie hoe hun lippen met vlassige netnietsnorretjes zich richting mijn dochters perfecte hartvormige mond bewegen. Hoe hun vingers, net klaar met een het rollen van een zwaar shaggie, zich onder haar shirtje friemelen, op zoek naar de onuitstaanbaar ingewikkelde sluiting van haar eerste BHtje. Ik hap naar adem en neem een grote slok wijn. En nog maar eentje. Probeer mezelf tot rust en kalmte te manen. Ze is vier. Niet veertien. Nog niet. Ik realiseer me ineens hoe ik mijn moeder tot uitersten heb gedreven. Want wat was ik vaak verliefd. En echt niet allemaal materiaal waar moeders doorgaans blij van worden. Maar ja, iedereen heeft nou eenmaal recht op een eigen zoektocht naar liefde. Ook dochters.

Ook mijn dochter.

Dus de volgende dag mag ze haar glittershirt aan. En help ik haar hartjesstickers plakken op het cadeautje dat ze speciaal voor Ibrahim maakte. Leg ik mijn hand op haar blonde haartjes als ze dapper het cadeautje geeft. Met uitgestrekte armpjes en een grote glimlach. Ze maakt het trouwens zelf alvast wel open. Die dochter van mij laat er geen gras over groeien, dat is in ieder geval duidelijk.

Die middag zie ik haar stralend komen aanlopen, hand in hand met haar nieuwe vriendje. Haar eerste vriendje. Ik wil haar natuurlijk vertellen dat cadeautjes en glittershirts helemaal niet nodig zijn om in de smaak te vallen bij Ibrahim of anderen. En dat ze helemaal nooit haar best hoeft te doen voor wie dan ook omdat ze al zo prachtig is zoals ze is. Dat liefde ook bitter kan zijn en dat ze vlassige snorretjes echt prima links kan laten liggen. Maar ik slik alles in. Want ze is vier en verliefd en ze mag er zelf achter komen wat dat betekent. We hebben nog alle tijd voor wijze lessen en moederwaarschuwingen. En mocht er toch iets misgaan, leg ik gewoon mijn hand weer op die blonde haartjes.

Voor nu moet ze vooral genieten van hand-in-hand. Want liefde is het allermooiste wat er is.

Dit verhaal schreef ik voor KRO’s Hemelbestormers op Radio 2. De uitzending was 21 september. Het fragment kun je hier terugluisteren.

Spoodie

papaHij zit wijdbeens op een rij met winkelwagentjes, vlak voor de uitgang van de supermarkt. Zijn benen rusteloos, grote zwarte kisten wiebelen heftig heen en weer. Gescheurde, vlekkerige spijkerbroek. Hij leunt met zijn ellebogen op zijn knieën. Draagt een zwarte trui met capuchon. En een petje. Ooit wit, nu vuilgrijs. In zijn oren rijen ringen van zwartig zilver. Onder zijn oog een schimmige tattoo. Begin dertig, denk ik. Iets ouder dan ik.

Terwijl ik mijn zware boodschappen in de niet zo stevige plastic tasjes veilig op mijn fiets probeer te binden, heeft Emily haar jas uitgetrokken. En is ze er met haar modderlaarzen op gaan staan. Armpjes over elkaar, ze kijkt me aan. “Doe je je jas aan?” “Nee.” “Emily, doe je jas aan.” “Neeeeeeeeeeeeee” gilt ze stampvoetend. Zoals alleen kinderen dat doen. Doorgaans.  Hij lacht. “Mijn dochter doet dat ook” zegt hij terwijl hij van de winkelwagentjes afspringt en op Emily afloopt. Hij knielt. Pakt haar jas. Zijn korte nagels aan zijn vieze vingers zijn bevangen met zwart vuil. Hij schudt Emily’s jas uit en houdt deze in de lucht. “Mooie jas, hele mooie jas.” Emily lacht: “Mijn jas, mijn jas”. Zonder verdere aansporing trekt ze haar jas aan en kijkt breed lachend naar de man. “Ik heet Spoodie en jij?” “Emily!” Haar ogen twinkelen.

Alarmbellen bij mij: onverzorgd type, vast drugs. Dakloos of nog net dakhebbend, maar dat kon niet lang duren. Niets beters te doen hebben dan wiebelig op winkelwagentjes zitten bij de supermarkt. Het maakt mij niet uit, maar niet te dicht bij mij en mijn kind komen, alsjeblieft. “Kom maar Emily, we gaan naar huis.” Hij loopt met haar mee naar mijn fiets. “Hoe oud is ze?” “Drie” zeg ik vlug, terwijl ik haar haastig in haar kinderzitje zet. “Mijn dochter is vijf. Ik heb haar al een half jaar niet gezien.” Hij kijkt niet naar mij, maar naar Emily. En ik kijk naar hem. Zie verdriet in zijn ogen. Zijn ogen die een beetje zijn dochter zien in Emily. In Emily die zich niet bewust is van schimmige tattoos of rouwrandjes onder nagels. En hem net zo tegemoet treedt als alle andere mensen die ze tegenkomt: open en met haar ontwapenende twinkeloogjes. Goedlachs. Vol vragen. “Hoe heet ze, je dochter” vraag ik. Hij slaat zijn ogen op naar mij en slikt zo onzichtbaar mogelijk iets weg. “Lola.” Met dezelfde vadertrots als elke papa. En ogen die verraden dat het heus allemaal niet de bedoeling was geweest. Dit. Die verraden dat er meer dromen zijn vervlogen dan iemand ooit zal weten. En een beetje hoop laten doorschemeren.

“Wat heb jij in je neus?” Emily wijst naar de ring in zijn neusschotje. “Dat heet een piercing. Gek he?” “Ja, heel erg gek” antwoordt ze. We lachen. “Nou ga maar lekker naar huis, meid” besluit Spoodie het gesprek. Emily zwaait uitbundig. “Fijne dag nog” roep ik. Hij steekt zijn duim omhoog en knipoogt.

Pas dan zie ik het: Spoodie lijkt op mijn vader. Een jonge versie. Dezelfde openheid, dezelfde vuile kleren. Dezelfde zeggende ogen. Dezelfde nagels met vuil bedekt. Dezelfde grote handen. Het moet een gek gezicht zijn geweest, vroeger. De lange man met kisten, FC Groningen sjaal, kapotte broeken en – een hele tijd-  een zwarte leren jas, bijna tot aan zijn enkels. En dan aan zijn hand een klein blond meisje met steevast een Barbie. Soms onderweg naar de bioscoop, soms naar de kroeg. Vaker geen huis dan wel. Dus als we elkaar zagen, was dat in de stad. Nooit was ik me er van bewust waarom mensen soms onderzoekend naar ons keken. Pas later, veel later kon ik dat plaatsen. En toen eigenlijk nog niet goed. Dat was gewoon mijn papa. Ja, een beetje anders dan andere papa’s. Maar veel grappiger ook, dus ik zag het probleem niet.

Al fietsend schaam ik me voor mijn terugdeinsreactie in de Spoodie-ontmoeting. Ik moet beter weten. En ik moet zeker beter leren. Er anders uitzien dan anderen maakt je niet minder mens. En niet minder vader. Dat het leven soms rechts inhaalt of dat keuzes ongelukkig worden gemaakt, dat maakt je nog geen uitschot. Dat zag Emily heel goed. Gelukkig.

Duizend vlokjes

Ik rits haar groene jas dicht. Doe voorzichtig haar witte wollen muts op zodat haar vlechten niet uiteenvallen. Sjaal. Handschoenen. Haar skibroek is wat te groot waardoor ze een beetje waggelt als ze naar de fiets wandelt. Ze tilt haar beentjes hoog op en zet ze stevig neer in de centimeters verse sneeuw. Ik glibber op mijn hakken achter haar aan. Stevig vastgesnoerd in haar fietsstoeltje gaan we op weg. Naar de crèche en mama werken. Er vallen nog wat verloren vlokjes. De trappers zijn nog niet drie keer rond geweest. Ik glibber weg. Ik kan net voorkomen dat we omvallen. Er is geen sneeuw geschoven, er is niet gestrooid. Misschien als ik de straat uit ben. Ik wandel met de fiets aan mijn hand. Het gaat harder sneeuwen. Emily zegt dat ze het koud krijgt. Ik heb het zelf ook koud.

“We kunnen zo wel fietsen, vast.” We zijn samen stil. Ik had geen topochtend. Drie dagen ziek geweest en zorgen die zich opstapelden terwijl ik koortsig naar het plafond lag te staren. Ondanks de allesverzengende hoofdpijn toch maar besloten te gaan werken. Gedachten verzetten. Het plafond vloog me aan. Stap, stap, stap. Zelfs lopend glibberen we steeds weg. “Ik wil naar binnen, mama.” Ze huilt steeds harder. Ik wil ook wel naar binnen. Voor ik het weet, huil ik mee.

Eigenlijk heb ik het nooit. Het gevoel dat het leven een hele dikke middelvinger naar me op steekt. Wat er ook gebeurde. Wie er ook dood ging, bijvoorbeeld. Gek genoeg nu wel. Recht in mijn gezicht word ik uitgelachen. Alsof het niet genoeg was. Alsof het nooit genoeg is. En dan: “Godverdomme!!!” En niet binnensmonds. Niet zachtjes. Zo hard als ik kan. Veel te hard. Niet bepaald pedagogisch verantwoord. Niet bepaald chique. Helemaal niet omdat ik vlak voor een kerk blijk te staan. Heb ik weer. Ik sta stil en denk dat ik het opgeef. Emily kijkt me geschrokken aan.

Ik kijk omhoog naar de vlokkende lucht. Van boven heb ik na deze actie niet heel veel meer te verwachten, ben ik bang. Als God al bestaat, ben ik nu voorgoed van het lijstje potentieeltjes geschrapt. En het kan me niet eens schelen. Karma, erfenis uit een vorig leven, een zieke vloek, domme pech. Whatever. Ik vind gewoon dat ik mijn portie wel heb gehad. Kutsneeuw. Ik heb mijn best gedaan. Niet bij de pakken neer, niet opgeven, niet boos zijn, niets oneerlijk vinden, achter de wolken. Van dat. Alles heeft een reden. In alles schuilt een les. Blabla. Ik ben er klaar mee. Laat maar zitten. Ik blijf hier staan en sneeuw wel in.

Twee minuten, denk ik. Het duurde twee minuten. Dat ik opgaf. Er was niemand op straat. Het was stil. Het waren Emily en ik en duizend vlokjes. Twee hele minuten.

Ik zie hoe traantjes vormen in de prachtige blauwe ogen van mijn Emily. Hoe ze voorzichtig biggelen over haar rode wangetjes. Ik haal diep adem. Zuig de sneeuwkou zo diep mogelijk naar binnen. “Mama, waarom ben jij boos?” Ik pak haar hand. “Nou. Mama vindt de sneeuw even heel stom.” Ze snikt. “Maar dat ik zo vloekte, dat sloeg nergens op Em. En dat was ook niet leuk van mama. Sorry.” Ik kus haar voorhoofdje.

“Zeg. Ken jij ook een liedje over sneeuw?” Ze schudt haar hoofd van niet. “Dan is het denk ik tijd dat we er één verzinnen.” En zo lopen we. En zingen we. En lachen we om stomme sneeuwrefreintjes. De kou voelt minder koud en de weg lijkt minder glad. Het leven lacht toe in plaats van uit. Ik zag het even verkeerd. Kan gebeuren.

Alle dagen tellen

Wind tegen. Het rukt lokken haar uit mijn zorgvuldig samengestelde Grace Kelly rol. Het waait de tranen uit mijn ogen. Ik trap harder. Langs het water. Langs het grasveld waar vaak schapen staan in de zomer. Langs Emily’s creche. Bij het kruispunt sprint ik voor een auto langs. Hij toetert, ik zwaai. Ik kan daar altijd kiezen tussen het fietspad langs het water en de hobbelige klinkerweg langs een bedrijventerrein. Meestal kies ik de hobbelige weg. Nu kies ik het fietspad. Ik hoop op meer wind. Laat maar komen. Waai me maar.

Het is 30 december. Ik fiets uit de stad terug naar huis. Terug van eindejaarsgesprekken met een vriendin. Dat we een bizar 2012 laten voor wat het is en 2013 ons jaar wordt. Ik ben buiten adem van de wind. Stop met trappen. Ik slalom, net als vroeger, tussen de witte streepjes van het fietspad door. De wind wint. Zo lang mogelijk niet trappen, even helemaal niets doen. Kijken hoe lang dat lukt. Als je niets doet, val je om. Dat geldt bij fietsen. Ik dacht altijd dat het ook voor leven gold. Niets doen is stilstaan is omvallen. Op die gedachte kwam ik 2012 door: doen. Alles doen. Meer doen. Harder werken. Niet stilstaan, niet omvallen. Vasthouden.

Precies in het midden van het fietspad stap ik af zodat ik niet omval. Bijna middernacht, de lucht gitzwart en het gaat zachtjes regenen. Ik doe mijn ogen dicht.

Ik heb me vergist. Stilstaan is heerlijk.

 

 

2012: waarin mijn thuis een huis werd. Waarin mijn geschiedenis nieuwe toekomst ontmoette. Waarin ik dingen deed die ik doodeng vond. Waarin ik hard werkte, met succes. Het jaar waarin schrijven echt mijn hart vond. Ik voor het eerst hardop een droom uitsprak (en er een klein beetje bij bloosde). Een jaar van mooie ontmoetingen en bijzondere gesprekken. Een jaar met strijd en tranen, gelukkig ook van geluk. Het jaar waarin ik besefte dat missen niet overgaat, maar erger wordt. En ik niet bang hoef te zijn. Waarin mijn dochter soms harder wijsneusde dan dat ik hebben kon, grappiger was dan dat ik kon vermoeden en harder bleek te kunnen lachen dan dat ik voor mogelijk hield. Maar vooral het jaar waarin ze me elke dag liet zien hoe lief het leven is. En dat alle dagen tellen.

Want alle dagen tellen.

Een sterfdag aan zee

‘Kijk Emily, daar achter die hoge heuvel is de zee.’ ‘Jaaaa! Zeeeee! Kom, mama!’ Hand in hand beklimmen we het trappetje naar de top van de dijk. Het is warm. Grote witte wolken drijven statig in de blauwe lucht, maar laten de zon met rust. Bij iedere trede roept Emily ‘zee zien’. Ik doe mee.

Bovenop de dijk houden we elkaars handen stevig vast en kijken in stilte uit over kilometers eb. Geen zee. Alleen een boel bodemmodder.

‘Zee nou?’ vraagt Emily. Ze kijkt naar me op door haar rood-wit gestipte zonnebril, trekt haar schoudertjes vragend op en wacht op
antwoord. Tja. Ik ben zelf ook wat verbaasd. Hier had ik geen rekening mee gehouden. ‘Kijk, koeis!’ De teleurstelling is van korte duur en nog steeds hand in hand wandelen we naar een klein weitje.

Na een korte ontmoeting met ‘vijf koeis’ en twee ‘paatjes’, zitten we op een betonnen piertje. Emily op mijn schoot, pop Lisa op haar schoot. Er ontsnappen tranen. Bij mij.

‘Mama drietig?’ ‘Ja. Mama beetje verdrietig.’ ‘O.’

‘Ik zal het uitleggen’ begin ik. Dit wordt wat improviseren. Ik broed al een tijdje op een charmant, lief, kindgeschikt verhaal over waar de dode mensen blijven. Met weinig succes. Ik kijk naar boven. ‘Weet je wie er in de wolken woont’ vraag ik. Emily kijkt ook naar boven. ‘Oma woont in de wolken.’ Het is bijna alsof ik haar kan zien zitten. ‘Oma woont in de wolken en ‘s avonds doet ze daar het licht uit. Dan wordt het overal donker. Daarna doet ze de maan aan. En daarna één voor één alle sterretjes.’ Ik ben even stil. Emily ook.

‘Nou. Oma heeft het prima daar. Maar mama vond het ook heel fijn toen ze nog gewoon hier beneden woonde. Daarom is mama vandaag een beetje verdrietig.’

‘O.’ Ze tuurt in de verte. We zijn weer stil.

Dan kruipt Emily van mijn schoot.  Pop Lisa wordt zorgvuldig met uitzicht op de modder neergezet. Ze staat op, loopt een paar meter terug en gaat op haar buik liggen. ‘Emily even poepen hoor.’

Mijn dochter gaat even over tot de orde van de dag. Het wisselt tranen in voor een uitgelaten lach. Bij mij. En daar boven in de wolken waarschijnlijk ook.

Een klein verhaaltje voor Emily

Zandwindhoosjes. In de woestijn. Een verloren kameel. Wolkenhoge krabbers. Gele taxi’s, rode riksja’s. Zee, verder dan de horizon.

Een berg tot bij de maan. Duizendmiljoen sterren. Ijsbergrotsen. Lavavulkaan. Piramide, ruïne. Palmboomeiland.
Laat het zand je voeten kietelen, lig op je rug in het gras. Kijk omhoog en tel de sterren. Verwonder je over het blauw van de lucht. Zie de wolkenvormpjes.

Pak mijn hand, ik neem je mee. Op reis. Over de hele wereld. Er is nog zoveel te zien.

Vakantie Jordanië deel 3: I wish I had my shoes on.

‘In 100 meters, turn left.’ Mijn man rijdt rechtdoor. ‘In 50 meters, turn left.’ Weer rechtdoor. ‘Ehm. Waarom negeren we de navigatiemevrouw? Of eigenlijk, waarom negeer jij de navigatiemevrouw?’ ‘Voor mijn gevoel moeten we de andere kant op.’ Ok. Dit wordt weer zo’n tomtomdiscussie. ‘Voor jouw gevoel was het ook maar een uur naar de Dode Zee. Volgens de rest van de wereld 3 uur.’ Mijn man heeft een bijna feilloos oriëntatievermogen. Zijn ingebouwde kompas laat hem vrijwel nooit in de steek. Behalve, gek genoeg, als hij tegen de navigatie gaat eigenwijzen. Het zorgde er al eens voor dat we te laat kwamen op een bruiloft, maar dat is een verboden onderwerp. ‘Even voor mijn beeld he’ zet ik de boel op scherp. ‘We betalen bijna 10 euro per dag voor deze navigatiemevrouw, toch?’ ‘Klopt.’ ‘Op jouw verzoek, he? ‘Klopt ook.’ Ik ben even stil. ‘Ik stel voor dat we de weg even vragen.’ ‘Hoeft niet’ is het korte antwoord. ‘Hoeft wel. Bruiloft.’ De auto wordt nogal dramatisch tot stilstand gebracht op de parkeerplaats van een restaurantje.

Tien minuten later rijden we op de goede weg, richting Amman. Estimated Time of Arrival Dode Zee: 19 uur. Het is hier vroeg donker, we maken wat vaart. We rijden door indrukwekkende woestijnlandschappen. Kleine wervelwindjes blazen zand rond. Dan gaan we vals plat omhoog. Met vol gas minderen we vaart. Vrachtwagens kruipen in slakkengang omhoog. Het berglandschap is al even indrukwekkend. Af en toe passeren we een verlaten check point.

In een dorpje stoppen we voor een meloen en wat tomaten voor Emily. Weer worden we door iedereen welkom geheten. Het is een enthousiast volk. Vanuit auto’s worden we betoeterd en bezwaaid.

De miscalculatie en de tomtomdiscussie liggen ver achter ons als we links de Dode Zee zien verschijnen. De rotsige kustlijn is wit uitgeslagen van het zout. ‘Hoe heet het hotel’ vraagt mijn man. ‘Oh ja, goed punt.’ Ik graaf in het dashboardkastje naar de boekingsbevestigingen. Uiteindelijk vind ik de goede. ‘Kempinski‘ zeg ik. We hadden het een paar week geleden geboekt. Ik vond het eigenlijk te duur, maar de rest van de overnachtingen was vrij budget, dus liet ik me over halen. Ik kon me niet goed meer herinneren wat voor een hotel het was. Behalve dus duur, maar dat waren ze eigenlijk allemaal aan de Dode Zee. We vonden wel dat we twee nachtjes luxe verdiend hadden. En dat was dat.

‘Ah hier is het al.’ Mijn man stuurt de auto abrupt naar links. We rijden de steile weg af naar beneden en worden staande gehouden door de portier. Hij vraagt om de boeking. En hij wil onze auto checken. Met een spiegel op een stokje en/of een metaaldetector loopt hij om de auto. We mogen doorrijden. Achter het imposante hek doemt een enorm complex op. Lichtbeige gebouwen tussen zorgvuldig onderhouden bomen. Veel groen, veel water. We rijden op aanwijzingen van het personeel in wit-met-kakikleurige gewaden naar de hoofdingang. Het schemert al. We parkeren voor de deur. Voor we iets tegen elkaar kunnen zeggen, wordt mijn deur geopend door een vriendelijke en niet onaantrekkelijke, ik mag dat best zeggen, Achmed. ‘Welcome madam.’ Shitshitshit. Ik kijk om me heen. De hoofdingang doet paleisachtig aan. Er staat beveiliging. Er staan auto’s waar ik met gemak een huis van kan kopen. De zandvlekken in mijn legging kleuren heel goed bij de outfit van Achmed. ‘Thank you. One minute, I don’t have shoes on’ leg ik Achmed uit. ‘We have slippers for you madam.’ Kennelijk zie ik eruit alsof ik überhaupt geen schoenen heb. ‘Well, I do have shoes. They’re just not on right now.’
Mijn man wordt ook uit de auto gelaten en maakt op verzoek de kofferbak open. Achmed 2 & 3 laden de bagage uit. Dit gaat een beetje snel allemaal. Mijn schoenen zitten onderin mijn tas. Ik word nerveus van de drie man personeel zoemend om de auto. Ik stap maar gewoon uit.
‘Valet parking’ fluister ik over de auto heen naar mijn man. ‘We moeten even alle spullen meenemen.’ ‘Wat bedoel je?’ ‘Ze gaan de auto parkeren.’ Op de achterbank zit een smoezelige Emily met stickertjes in haar haar. Op de grond liggen een meloen en drie tomaten. Ik stop ze snel in een leeg plastic zakje. Vliegensvlug rapen we wat spullen bij elkaar. Ze worden allemaal overgenomen door Achmed 1, 2 en 3. Mijn man ruilt zijn autosleutel in voor een valet card en we worden naar de ingang geleid. Ik vervloek de zesduizend zandkorreltjes, mijn rare haar en mijn afbladderende roze nagellak. Maar vooral het feit dat ik geen schoenen draag.

De beveiligingsachmed vraagt hoe onze reis was. ‘Messy’ antwoord ik, meer verwijzend naar onze staat van zijn dan onze reis. We zien er waarschijnlijk uit alsof we in één ruk uit Holland zijn komen rijden. Ik lach maar heel vriendelijk steeds. Hopelijk zonder dat er ergens een verdwaald stukje lunch tussen mijn tanden zit. Ik besluit mijn zonnebril maar niet af te zetten. Daar kan het alleen maar slechter van worden.

Onze tassen worden geopend en we gaan door een metaaldetector. Ik vind de beveiliging wat pittig en vraag me af waarom. Op dat moment wandelt een oliesjeik, dat kan niet anders, vergezeld van vier beveiligers, gewapend, naar een Mercedes waar ik denk ik wel twee huizen van kan kopen.

Emily is er ondertussen vandoor. Even de beentjes strekken op de marmeren vloer moet ze gedacht hebben. Nou, dat kan. De lobby is gigantisch. En heel erg luxe.

We krijgen heerlijk ruikende warme doekjes aangereikt van een dienblad om ons op te frissen. Het lijkt me niet de bedoeling om er ook je oksels mee te doen, maar ik vind de verleiding groot. Terwijl mijn man meters maakt achter Emily aan, snel ik me naar de balie. Ik krijg een welkomstdrankje. Grapefruitsap of lemon juice. Ik ben wel toe aan Tequila inmiddels, maar grijp het sapje dankbaar aan.

Goed, even koppie erbij. Paspoorten. Die heb ik in zo’n vakje in mijn tas. Toch? Ja. Oh nee. Ze zijn niet in zo’n vakje. ‘Sorry, sorry, bit chaotic.’ Ik lach er maar een beetje dom bij. Mijn tas uitpakken op de balie is absoluut geen optie. Luiers, vieze luiers (geen prullenbak onderweg), tampons, een bruine banaan (vergeten), een half opgegeten biologische mueslireep (ook vergeten), zes lipglosses (en geen één op!) en twee zanderige gympen. Ik moet er net zo lang doorheen graven tot ik de paspoorten heb. Ik overhandig ze aan de geduldig wachtende balieachmed. Hij wil ook mijn credit card. Voor een autorisatie. Dat mag. Ik graaf weer door de zooi en vind de kaart. De bankproblemen van de afgelopen dagen in combinatie met het astronomisch hoge bedrag dat hij wil autoriseren (de kamerprijs plus keer drie, ik zeg u: vrij pittig), maakt dat ik wat nerveuzig op mijn blote voetjes dans. Gelukkig gaat het goed. Hij kijkt zelf ook een beetje verbaasd. Ik neem het hem niet kwalijk.

We krijgen een kaart mee van het resort. Er zijn vier restaurants waarvan het Italiaanse nu nog open. Er zijn vijf zwembaden en een babybad. Ontbijtbuffet is bij de Obelisk. Er is een kidsclub ‘to babysit Emily. Though she might need two.’ Ik krijg het allemaal maar half mee en hoop dat mijn man en zijn bijna feilloze navigatievermogen beter opletten. Emily speelt inmiddels met de kameel die ze van de baliemeneer kreeg.

Als we naar buiten lopen, blijken we naar onze kamer (of suite zoals ze het steeds noemen) te worden gebracht met een soort golfkarretje. ‘If you need to go somewhere, just dial zero. We will come to pick you up. It’s pretty big here.’ Het is inderdaad pretty big. Het ritje lobby-kamersuite duurt ruim tien minuten. We kijken onze ogen uit. Waar zijn we in godsnaam beland. We zijn geen mietjes als het gaat om luxe. Vijf sterren is niet voor het eerst. Maar dit is heel overweldigend. Helemaal na het, verder prima, vergane glorie hotel van de nacht ervoor.

Sweet suite
Bij de kamersuite aangekomen, doet de golfkarachmed de deur voor ons open. Er verschijnt een suite, inderdaad. Een zitgedeelte. Een kingkingsizebed (daar is vast een beter woord voor). Een inloopkast. Een badkamer met twee wasbakken, stortdouche, bad, toilet en bidet. Voor Emily een puntgaaf, kwijlvlekvrij bedje met Winnie the Pooh beddengoed. Er staat klassieke muziek op. De suite is voorgekoeld. Er zijn zoete lekkernijen en een goed gevulde minibar ‘free of charge’. Kersje op de taart is de ruime veranda en directe toegang naar het zwembad. Het zwembad op babyfoonafstand, that is.

We proberen niet te laten merken hoe idioot we het vinden, we staan er al zo gekleurd op. Mijn man geeft onze chauffeur een flinke fooi. Als de deur achter hem dichtvalt, staan we beduusd naar elkaar te kijken. Emily kruipt in de kast en doet schaterlachend de de deur dicht en open. ‘Wat is dit? Mijn god.’ ‘Ja. Zeg dat.’ Op een kaartje op mijn nachtkastje lees ik de kledingvoorschriften. ‘Footwear’ is ten alle tijde verplicht. Check.

Ik dank mijn heldere moment vlak voor vertrek toen ik nog snel een ‘leuk jurkje’ in mijn koffer propte. Je weet maar nooit, dacht ik. Ik had verder alleen wijdvallende shirts, leggings en een te grote linnenbroek ingepakt.
We doen snel een rondje opfrissen en omkleden. We moeten haasten voor het Italiaanse restaurant. We eten in pure luxe, aan het zwembad, met uitzicht op Israël. Emily danst de sterren van de hemel op de swingende liedjes van de tweekoppige liveformatie. We drinken cocktails. We snappen er niks van.

Als de kleine showsteler ligt te slapen (niet in de kast zoals ze eigenlijk wilde), gaat mijn man nog even zwemmen. ‘Als je uit het water komt, komen ze je een handdoek brengen.’ We drinken wat minibarbier en slapen de intensieve dag van ons af in kingking.

Your glasses, please
De volgende ochtend zijn we vroeg wakker. We drinken koffie op de veranda terwijl Emily haar kameel rondleidt. Daarna is het tijd voor het ontbijtbuffet. Al net zo idioot als de rest. Champagne, vers fruit, keuze uit vijftig verschillende broodjes, een ‘cereal station’ dat twee meter beslaat. Met keuze uit vier verschillende soorten melk. Gerookte zalm, honing direct van een honingraat. Met een geweldig uitzicht. Ook nog.

Er zit nog maar één ding op de rest van de dag: alle zwembaden uittesten en ultiem relaxen. Ik zie dat bikini’s hier ‘mogen’. Het voelt echter een beetje vreemd, zo tussen de volledig geklede dames, dus ik besluit een hemdje aan te houden als ik het zwembad instap dat optisch overloopt in de Dode Zee. Als ik het water weer uitkom, staat er inderdaad iemand klaar met een handdoek. Er zijn flesjes gekoeld mineraalwater klaargezet. Emily durft voor het eerst ook helemaal het het zwembad in. We zijn nu kiddypoolliggers geworden. Ze vermaakt zich opperbest. Gedurende de ochtend worden we voorzien van cocktails, weer van die heerlijk ruikende doekjes, maar nu met ijs. Er worden schijfjes komkommer uitgedeeld als verfrissing. Toppunt is de jongen die mijn man vraagt om zijn ‘glasses’. Hij bedoelde niet de lege glazen. Hij bedoelde zijn zonnebril. Die wordt zorgvuldig voor hem schoongemaakt. We krijgen de slappe lach. Je kont afvegen. Dat is het enige dat je hier zelf doet.

Twee nachten verblijven we in de onbeschrijfelijke luxe van Kempinski. We tanken alle drie bij van de pittige eerste dagen. Van het pittige afgelopen jaar. We smeren ons in met Dode Zeemodder en dobberen het vervolgens van ons af. We bruinen ons aan de Midden-Oostenzon.

Maar ook aan de Kempinskidroom komt een eind. Voor de laatste nachten hebben we nog geen hotel geboekt. We willen eigenlijk nog naar Amman en de Wadi Rum woestijn bezoeken. Maar eigenlijk willen we vooral niet weg. Kempinskiluxe. Het is verslavend. Toch moeten we er aan geloven: een plan voor de laatste dagen Jordanië.

Kempinski Ishtar Dead Sea

Welcome to Jordan. Vakantie deel 1.

‘Rij 217’ noteer ik in mijn iPhone op aangeven van de minstens 20 bordjes tot aan rij 217. Schiphol Langparkeren. Die zijn van het vooruitdenken. Emily heeft niet meer geslapen. We hebben haar om 1:30 uit haar bed getrokken en met papfles in haar autostoel gegooid. Twee uur lang zong ze dapper liedjes. Ze gaat voor het eerst op vakantie.

We vouwen ons in een pendelbus naar de vertrekhal. Twee koffers, een buggy en wij alledrie een tas handbagage. Emily vindt het spannend, al die mensen in de bus. Ze klemt zich stevig aan me vast terwijl ze iedereen scherp in de gaten houdt. Uit haar kleine rugzakje, speciaal voor de gelegenheid gekocht, haal ik een velletje stickers. We krijgen er allemaal één op onze wang. Papa twee. Een wondermiddel, die stickertjes.

Incheckbalie 19-20. Het is niet zo druk. Emily begint haar geduld alleen een beetje te verliezen. We proberen drinken, rozijntjes, een broodje. Pas als ze een stift krijgt waarmee ze haar sok in kan kleuren, is ze wat rustiger. We checken in en al kleurend gaan we door de paspoortcontrole. We mogen mee. So far so good.

Het tax free shoppen is aan Emily absoluut niet besteed. Ze wil niet meer in de buggy, ze wil niet opgetild worden, ze wil al helemaal geen handje. Wat ze wel wil, is 5 flessen Drambuie tegelijk uit het schap tillen. En toen dat niet mocht, haar buggy tegen de Whiskystelling aanbeuken. En toen dat ook niet mocht, krijsend op de grond liggen. Tot verschillende oh’s en ah’s van toeschouwende vrouwen. Bij elkaar opgeteld hadden mijn man en ik 4 uur geslapen. Dan trekken wij dat minder goed. Onder luid protest wordt Emily weer vastgesnoerd in de buggy. Ik geef haar stift weer terug met de mededeling dat ze alleen haar eigen sokken in mag kleuren. We lopen snel richting de gate. Als dit maar goedkomt in het vliegtuig, denken we allebei.

Bij de gate leveren we de buggy in en mogen we gelukkig als eerste boarden. Mijn repertoire afleidingsliedjes begint uitgeput te raken en Emily’s geduld is, volkomen terecht, nu onder nul.

Zodra we zitten, wordt ze rustiger. We krijgen speciale baby instructies. Emily moet 4,5 uur op schoot blijven zitten. Dat is langer dan alle schootzitsessies van haar hele leven bij elkaar opgeteld. ‘Kijk Em, nog meer stickertjes.’ We hopen maar dat het er genoeg zijn.

Na een half uur in de lucht valt ze als een blok in slaap. En wij ook.

Als de landing wordt ingezet, begin we met ons drinkoffensief. Dat landen is matig voor je oren, als je drinkt kan dat helpen. Om de halve minuut hou ik een flesje appelsap voor haar neus. ‘Oooooh lekker, appelsap! Drink maar een beetje. Mmmmmm.’ Na vier keer is ze er klaar mee. Agressief slaat ze het flesje uit mijn hand. Richting de zuurpruimbuurvrouw. Die kijkt nu nog zuurder. Ik ben niet echt het type die zich daar heel erg druk om kan maken. Het was appelsap (geen rode wijn), de broek was lelijk, het was niet expres. Ik hoor mijn man zijn excuses aanbieden en besluit mijn input voor me te houden. Emily had niet eens last van haar oortjes. Of liet het in ieder geval niet merken.

We stappen het vliegtuig uit. Een muur van warmte komt ons tegemoet. 35 graden. Minstens. ‘Welcome to Jordan’ heet de douane ons welkom.

Desert horizon, we have a problem
De bagage is er snel. Na zo’n tien minuten staan we buiten. Eerste prioriteit is Emily insmeren. De zon is heftig. Ik vervloek mijn zwarte shirt met lange mouwen. Leermomentje.

Ik zoek naar de vouchers van de huurauto. Op dat moment komt er een man op ons aflopen. Oranje shirt. ‘Desert Horizon’ vertelde het logo ons. ‘Need a rental caaaar?’ Ik leg hem uit dat we er al één hebben gereserveerd. Bij hem. Ik laat hem de voucher zien die ik tussen de luiers en stickervellen uit mijn tas heb geplukt. ‘Ah ai see’ zegt hij als ik op het logo wijs. ‘Well, heer iet ies.’ Hij wijst op een stoffige bordeauxrode Renault. ‘Iet ies a Renoot.’ Ik ben geen autovrouw en mijn man geen automan, dus we vinden het allang best. Als het airco heeft, veilig is en werkt, zijn wij tevreden.

‘And the baby seat?’ vraag ik. ‘Ah joe need a baby seat?’ Ik had al wel eens gelezen dat het reserveren van kinderstoeltjes niet altijd goed gaat, dus we hadden geen reden om ons zorgen te maken, vond ik. Ik wissel snel een blik uit met mijn man en richt me weer tot de, zo leer ik later, Tsjetseen met oranje shirt.
‘So what doe wie doo?’ vraagt hij aan me voor ik iets kan zeggen. ‘I don’t know’ zeg ik terwijl ik een hulpeloos gebaar maak met mijn armen. Hij gaat bellen. Drie telefoontjes later, het zweet druppelt op zijn shirt, vertelt hij me dat we naar zijn kantoor rijden in Aqaba. Daar staat misschien een stoeltje. De koffers worden in de huurauto geladen, mijn man besluit daar in te stappen. Ik wurm me op de achterbank van de andere auto met Emily op schoot. Het moet maar, maar heel tof voelt het niet. Ik vraag het oranje shirt om voorzichtig te rijden. ‘Yesyes madam.’
Onderweg probeert hij me wat uit te leggen over Jordanie. ‘We haf toe sees. Tse dead see and tse……’ Hij kan er niet opkomen. ‘Red sea?’ vraag ik. ‘Yes! Over tsere.’ En inderdaad.

Ik moet zeggen dat hij inderdaad voorzichtig rijdt. Af en toe kijk ik achterom om te kijken of de stoffige Renault ons nog volgt. Hij vertelt over zijn Tsjetseense afkomst en zijn twee kinderen.
Na zo’n twintig minuten komen we aan bij het kantoor. Hier wordt al snel duidelijk dat er geen kinderstoeltje is. Er moet een plan worden bedacht. En snel, want inmiddels zit Emily gillend op de achterbank van de Renault, knalrood aangelopen, snot overal. Moe, boos, hongerig en oververhit. We hebben geen eten, geen water, geen geld en naar het lijkt ook geen auto. Ik beleef een minipaniekmomentje. ‘We moeten naar het hotel nu’ zeg ik tegen mijn man. ‘We have to go to the hotel. Like now’ zeg ik vervolgens tegen de Tsetsjeen, wijzend naar Emily. ‘Okok, no problems. Wie find babyseat and bring car tsoemorrow morning. Wie bring joe toe tse hotel. Wiech hotel?’ De zorgvuldig uitgeprinte boekingsbevestigingen zijn spoorloos. ‘Red Sea Dive Centre’ zeg ik nadat ik me herinner dat ik ook een foto van de boeking op mijn iPad had staan. Ik laat het hem zien. Emily is ondertussen wat gekalmeerd dankzij het kordate optreden van mijn man. ‘Visje, visje in het water’ klinkt het vanuit de auto. ‘Okeej, letsgow.’

De Arabisch sprekende hulpautoverhuurder stapt in de huurauto. Ik pak de laatste spullen over en stap ook in. De auto start niet. ‘Shmall problem’ zegt de man. We worden aangeduwd. We rijden. Mijn laatste beetje hoop op de huurauto verdwijnt achter de desert horizon. Dit komt misschien wel niet goed.

Red see. Not royal.
‘Royal Dive Centre’ zegt het bord. Daaronder iets met ‘Navy’. ‘Dit klopt niet hoor’ zeg ik tegen mijn man. Bij de ingang moeten we onze paspoorten aan de militair laten zien. Links staat een bordje ‘Saoudi border: 5 km.’ ik voel me heel ver van huis. En ik heb dorst.
In het hotel zeggen ze dat het klopt. Ik zeg de chauffeur dat het volledig anders heet, laat de boeking nog een keer zien. Hij zucht en verzekert dat het goed is. De spullen worden uitgeladen en hij vertrekt. ‘Sie joe tsoemorrow.’

Bij de receptie, waar we na een kwartier pas geholpen worden, hoe Royal is dat, blijkt het inderdaad niet te kloppen. ‘This is the wrong hotel’ in vlekkeloos Engels. ‘Well, that’s just wonderful. Really’ zeg ik, inmiddels flink pissig. De man beseft dat zijn collega een fout heeft gemaakt. Aan de balie zeiden ze dat het klopte. Hij probeert ons gerust te stellen en biedt aan ons naar het goede hotel te brengen. Over drie kwartier. Dat lijkt ons een prima plan. Hij wijst ons naar de bar en we tanken Emily bij met water. Die is ondertussen weer haar eigen blije zelf en roept ‘Hiii’ naar iedereen die langsloopt.

Een uur later zitten we aan het goede zwembad, met de goede ruime kamer in het goede kleinschalige hotel en drinken we hele goede verse orange juice. Emily slaapt na een korte krijssessie die ver over de Saoedische nog te horen moet zijn geweest. Het waren ook wel heel veel indrukken.
Wij komen bij. Het was een wat rommelig begin, maar we kunnen geen andere conclusie trekken dan dat de mensen in ieder geval heel erg vriendelijk zijn. We zijn ‘most welcome to Jordan’ en Emily vinden ze ‘adorable’.

De planning is: morgen naar Petra. We besluiten dat het met de huurauto even afwachten is en dat we anders wel iets anders regelen. Dat we nu eerst gaan genieten van de rust. Ik sla mijn boek open en weet: vakantie.

Show me the money
De volgende ochtend zijn we vroeg wakker. We hebben wonderschoon geslapen en beginnen de dag uitgerust en met 30 graden. We ontbijten bij het zwembad. ‘We hebben eigenlijk nog geen geld, he?’ De pinautomaat op het vliegveld had niet gewerkt. Mijn man besluit op zoek te gaan naar een ATM. Samen met Emily gaat hij op onderzoek uit, terwijl ik alvast wat spullen inpak.
Het duurt lang. Een uur, minstens. Eindelijk zijn ze terug. Zonder geld. Abdul, de hoteleigenaar had aangeboden ze even te brengen. Geen van de drie geldautomaten hadden gewerkt. Ondanks de juiste logo’s. ‘We moeten zo, als we de auto hebben, maar even Aqaba in. Daar zijn meer banken.’

De auto wordt stipt op de afgesproken tijd voor gereden. Goddank een andere. Van een andere rental company, met babyzitje en airco. De man van Desert Horizon biedt zijn welgemeende excuses aan. Het was een rotzooitje. Maar hij wilde ons niet zonder auto laten zitten, dus zijn collega zou het overnemen. Zelfde prijs, zelfde voorwaarden. We bedanken voor de goede service en nemen dankbaar de sleutels in ontvangst. We kunnen gaan. Op naar Petra. Via een ATM.

In Aqaba centrum is het druk. Veel winkeltjes, veel gesluierde vrouwen en traditioneel geklede mannen. Ik ben blij met mijn lange broek en lange mouwen. Er hangt een ontspannen sfeer.

Ik sta in de rij bij één van de drie ATM’s die deze straat rijk is. Man en Emily staan dubbel geparkeerd achter mij. Het werkt niet. Er komt geen geld. Ik probeer de volgende. Mensen heten me welkom en vragen hoe het gaat. Of ze me kunnen helpen.
‘This request could not be processed’ zie ik met acht verschillende pasjes voorbij komen. Ik besluit mijn credit card te proberen. Maar die pincode staat in mijn telefoon. En mijn telefoon ligt in de auto. De auto. De auto is weg. Ik loop een stukje terug, kijk in een zijstraat. Ik loop de hele straat af en kijk in alle zijstraten. Geen wit autootje. Geen telefoon. Niks. Alleen acht pinpasjes.
‘Ok. Rustig blijven en vooral blijven staan’ zeg ik tegen mezelf. Ik tuur de straat af, ga elke auto af. Dan hoor ik een man fluiten en roepen. Hij gebaart naar de overkant van de straat. Daar staat een wit autootje waar een witblond koppie bovenuit steekt. Gevonden. Gelukkig.

We pinnen, kopen brood bij een klein bakkertje, tanken en zijn ‘en route’. Dat we maar heel beperkt budget hebben met het weigeren van al onze passen, negeren we even. We gaan een wereldwonder bekijken: Petra. De rest komt wel goed. Emily schatert het uit. En dan kan er ons niks gebeuren.

Neemoeder

Nee, Emily, laat het koffietafeltje maar even staan. Schat, we doen niet lopen op de bank. Ga maar lekker zitten. Nee, ook niet over de rand hangen, straks val je. Liefje, geef mama’s telefoon maar even hier. Nee, doe die sleutelbos maar niet door het kattenluikje. Popje, zit maar niet met je snothandjes in mama’s koffie. Emily, niet met je snotkoffiehandjes aan de televisie. Liefje, zullen we niet aan de volumeknop draaien? Daar schrok je vorige keer zo van, weet je nog? Ja schat, dat is een broodkorstje. Dat kun je inderdaad eten. Maar deze is van twee week geleden, eet die maar niet. Waar haal je dat überhaupt vandaan? Ah, daar is mama’s mascara ook, wat een goede verstopplek. Nee, als we naar bed gaan, doen we de schoentjes uit. Emmy, 15 billendoekjes zijn echt meer dan genoeg, lief dat je mama even helpt. Blijf je dan nu alsjeblieft even liggen zodat ik je luiertje vast kan plakken? Kaboutertje, hou nou even op met steeds mama’s bril van haar neus af te trekken. En liefje, zullen we de pindakaashandjes even met iets anders schoonmaken dan mama’s rokje?

In mijn oneindige wijsheid als wannabe moeder, daarna moeder in spe en nog later als moeder van een mini-baby, had ik me voorgenomen geen neemoeder te worden. Mijn kind zou vaker ja dan nee horen. Ze zou alles mogen ontdekken. Ik zou niet onder de indruk zijn van vlekken op kleren of kapotte telefoons, brillen of DVD-spelers. Met een flinke dosis geduld, een snufje humor en een stukje pedagogisch verantwoord bijsturen, zou dat helemaal goedkomen.

Zondag ochtend 8.00u. Ik heb er inmiddels zo’n 20 nees op zitten. Emily staat op de bank en kijkt me aan met haar ondeugende lachje en pretoogjes. Ik probeer niet te lachen en haar heel serieus te vertellen dat dit dus niet de bedoeling is en dat ze dus met haar billen op de bank moet en dat het dus zo is omdat mama dat dus zegt. Het lukt niet. Ik moet lachen om de glittertjes in haar ogen en de 6 kleine tandjes die ze blootlacht. ‘Mama heeft nu al wel heel erg vaak nee gezegd, he schat?’ Ja. Mama is een neemoeder. En mama baalt daarvan.

Later die week zijn we in het winkelcentrum. De groene buggy die altijd in de auto ligt, is om duistere redenen thuis achter gebleven. Dus loop ik met 11 kilo gillend kind onder mijn arm de Hema in. Ik zet haar op de grond. Ze sprint weg. ‘Blijf maar even bij mama, schat’ benoem ik keurig gewenst gedrag. Geen effect. Ik gris een rol wattenschijfjes uit het vak en ren achter het blonde poppetje aan. Als ik haar handje vasthou, wringt ze zich vakkundig los. Als ik haar optil, gooit ze al haar 11 kilo in de strijd om zichzelf weer te bevrijden. Als ik haar bij haar kraagje pak, laat ze zich schaterlachend op de grond vallen. Het neequotum van vandaag wordt in tien minuten ruimschoots overschreden. Het is wennen, zo’n lopende dreumesbaby. En het is dom, zo zonder buggy.

Die avond maken we een wandelingetje. Emily rent over de stoep richting roze kinderfiets van haar buurmeisje. ‘Die, die!’ roept ze. Onderweg ziet ze in een voortuin een bal liggen. Weer ‘die, die’ en ze sprint de tuin in. Twee buurtkindjes van een jaar of drie volgen haar. Ze gaan voor haar zitten en komen met hun gezichtje heel dicht bij dat van haar. Emily is zowel bal als fiets vergeten. Als bevroren blijft ze zitten. Ze kijkt terug. ‘Dikke boef!’ roepen ze. Ze geeft geen krimp. ‘Jij hebt snot! Bah!’ Emily kijkt de kindjes strak aan. Met inderdaad een fikse snottebel. Ze vergeet de groene klodder zelfs naar binnen te slurpen, zoals ze normaal altijd doet.

Ik zie dat ze het spannend vindt. De kindjes zijn niet bepaald aardig. Eigenlijk wil ik roepen dat ze zelf snot hebben en nog veel grotere boeven zijn, maar dat doe ik niet. Ik ga vlak achter Emily zitten, leg mijn hand op haar rug. Ze reageert niet. Ze blijft stoicijns de kindjes aankijken. Ze vinden het maar saai, zo weinig respons en haken af. Emily draait zich naar me toe en slaat haar armpjes om me heen. Ze begraaft haar snotgezichtje in mijn haar. ‘Spannend he schat? Dat was spannend.’ Dapper ding, denk ik.

Ja. Ik ben soms een neemoeder. Maar ik doe mijn best voor vaker ja. En ik ben niet onder de indruk van vlekken in haar kleren. Wel in die van mij als ik nog naar mijn werk moet. Ik draag met liefde de bril waar zij een pootje van af trok en waarvan de opticien geen zelfde meer had en nu scheef op mijn hoofd staat. De DVD speler doet het nog, net als mijn telefoon. Mijn Emily mag alles ontdekken, ik zit vlak achter haar en hou mijn hand op haar rug. En zorg dat de wereld haar niet verovert voordat zij klaar is om de wereld te veroveren. Maar ze blijft wel met haar snotvingers uit mijn koffie.

Lees ook andere verhalen over moeder zijn.

Waterballet

Een hele grote blauwe emmer voor mij. En een kleinere variant in het wit voor mijn zusje. Zo gingen wij vroeger in bad. We speelden met Ariël, Botje en Prins Eric uit De Kleine Zeemeermin, gekregen bij McDonalds. HappyMealBotje, dat gele visje, had een extra feature: die spoot water als je hem fijn kneep. Bij voorkeur koud water. Dat zorgde voor memorabele ruzies tussen mij en mijn zusje, maar dat terzijde.

Ariël werd per badsessie zo’n 44 keer van de dood gered door Prins Eric. En altijd onder barre omstandigheden. Het was namelijk bijna altijd een storm die het leven van Ariël bedreigde. Een hele hevige, met heel veel golven. Het water in onze emmers was de zee. En heel hard heen en weer schudden in de emmer, was de storm.

Ik zie mijn moeder nog de badkamer binnenkomen. ‘Wat een waterballet weer, dames.’ En niet per se zonder irritatie. Ik snapte dat nooit. What was not to like? Ariel was 44 keer van de dood gered, mijn zusje en ik hadden de Botjesruzie vaak alweer bijgelegd en ja, er lag wel water her en der, maar jeetje, dat is toch zo opgeruimd?

Vorige week leerde ik dat sommige woorden ineens een andere betekenis krijgen, zo gedurende je leven. Emily bedacht dat broccoli heel erg geschikt is om je haar mee te kammen. En daarna dat doperwtjes heel erg leuk zijn om je moeders haar mee te kammen. Niks aan de hand, moet kunnen. Gaan we gewoon lekker douchen. Kleren uit, douche aan. De 10 Nijntjes, evenzoveel dolfijntjes én het badboekje van Dikkie Dik allemaal netjes klaargezet. Gezellig.

Nee dus. Douchen was ineens Groot Drama en Heel Erg Eng. Emily ging precies zitten waar het water haar net niet raakte en ze toch met bovengenoemd speelgoed kon spelen. Iedere poging van mijn kant om haar onder de waterstralen te lokken, werd vakkundig genegeerd. Haar optillen werd beloond met een gilpartij die zijn weerga niet kende. En de broccoli zat nog steeds in haar haartjes.

Ik besloot het water dan maar naar de Emily te brengen. Dat was een slecht idee. Het moment dat ze zich realiseerde wat er gebeurde, schrok ze enorm en zette ze het op een kruipen. Ze keek niet waarheen. Haar knietjes glibberden over de badkamervloer richting toilet. Boink. Au. Gillen. En hard ook. Ik pakte haar op en bracht haar terug naar de 10 Nijntjes en evenzoveel dolfijntjes. Ik kuste haar op de rode plek op haar hoofd en nam haar op schoot. Heel langzaam schoof ik steeds een beetje meer naar de douche. Alle speelgoedjes bewogen mee. Dit werkte beter: mijn uitlopende mascara zorgde er keurig voor dat ik niks meer zag en ik kon op de tast prima haar haartjes bezwitsallen. De crisis was bezworen. Emily blij, ik blij.

Toen ik drie kwartier later (eerst de fles, het Tandie de Tandenborstelfestijn, het voorlezen van anderhalf Dikkie Dik verhaaltje en het welterusten zeggen van de hele wereld) de badkamer weer binnenkwam om de schade op te nemen, hoorde ik het mezelf zeggen. ‘Djiez, Emily, wat een waterballet.’ En niet geheel zonder irritatie. Werkelijk alles was nat. En dat betekende nog even niet bankhangen na een dag werk, babyspitsuur en douchedrama.

Ineens begreep ik mijn moeder. Mijn waterballet van vroeger was een vanzelfsprekend bijproduct van Prins Eric’s reddingsacties. Haar waterballet van vroeger betekende een boel extra werk.

Ik pakte een oude handdoek en maakte de vloer droog. ‘Diep in de zee’, zong ik zachtjes terwijl ik de speelgoedjes in hun mandje legde. Emily kletste in bed met haar knuffeltje. Ik bedacht me dat ik dit nog heel, heel erg vaak zou gaan doen. Er zouden nog een hoop Nijntjes, dolfijntjes en andere speelgoedfiguren spannende avonturen gaan beleven in deze badkamer. Met Emily als choreografe van de meest prachtige waterballetten. En ik als trotse toeschouwer. Met corvee.