Tijd

Ik zal eerlijk bekennen: ik moest tellen vandaag. Van hoeveel jaar geleden. En ik schaamde me een beetje. Het waren er acht. En het leken er achtentwintig. En toch ook alsof ze er gister nog was. Tijd bestaat blijkbaar niet als iemand dood is. Dan voelt elke minuut als tergend langzaam en vliegen ze tegelijk steeds sneller voorbij. Je kijkt niet uit naar een weerzien, je telt niet af tot die knuffel. Die stem. Die zoen. Die warmte. Je telt oneindig af naar niets. Naar nooit. Nooit meer.

En het verdriet verdwijnt niet, velen denken dat. Het verandert alleen. Het verdriet verzinkt in de tijd. Het is er steeds, steeds weer, steeds opnieuw. Elke minuut, elk uur, elke dag. Onder een sluier van alles gaat goed en we moeten toch door, sluimert het verder. Bij mij, althans. Het krijgt geen plekje, er wordt een plek voor afgedwongen en dat is ook goed. Want doorgaan moet. Lachen moet. Leven moet. Met het gevaar dat je ineens jaren staat te tellen. 

Precies tien weken geleden werd ik voor de tweede keer moeder. Wederom een wolk van een baby. Alles er op, alles er aan, nog mooier dan ik had bedacht. En: het was gelijk alsof ze er altijd al was. Een dag, een week, een maand; ik tel ze ook. Maar het zijn mijlpalen die overbodig voelen omdat ze al zo ontzettend bij ons hoort.

Tijd is niets. Tijd maken we vol en vervliegt tegelijk. Tijd is tegelijk alles. Want iets anders hebben we niet. 

Ik telde vandaag dus de jaren, mam. Sorry. Het is gewoon omdat het missen niet stopt. Omdat ik zo hard wil dat je hier gewoon nog bent. Elke minuut verder in de tijd, is ook verder van toen je er nog was. Ik wil helemaal niet tellen, want ik wil het niet weten. Het is al veel en veel te lang.  

Maar: leven moet. Lachen moet. Dus doen we dat. Zo hard als we kunnen. De hele tijd. Beloofd. 

Even vallen

 

Vluchten. Ik ben er goed in gebleken. Vluchten voor verdriet, vooral. Vluchten voor gemis, ook. Onvermoeibaar verstop ik me al jaren voor veel van wat hoort bij verliezen wat je lief hebt. Liever dan lief, zelfs. Maar soms lukt het even niet.

Ik zit op het klamme gras van een stukje groen naast een ringweg. Je weet wel; dat het gras niet nat is maar wel vochtig en dat je dat dan langzaam je billen en benen voelt bereiken. Omdat de zon schijnt, maakt het niet uit. De fles champagne helpt ook. Het is een gekke plek waar we zitten, gewoon zo’n loze groenstrook tussen weg en industrieterrein. En daarom toeteren en zwaaien mensen. Ze zien een verliefd stel, genieten van Franse zon. Ze zien niet dat ik huil. Ze zien niet dat ik val omdat ik stopte met vluchten voor even.

Eerder die week staken we een kaarsje aan in een Franse kathedraal. Het was er koud en bombastisch groot. Ik wilde al langer graag een kaarsje aansteken voor mijn dode ouders, maar ik weet nooit goed hoe kerken werken en ik ben altijd bang dat ik iets doms doe. Hier stonden gelukkig instructies bij; één euro vijftig in het bakje voor een klein kaarsje, drie euro voor een grote. De stilte, het kaarsje, de levensgrote Jezus, een hele korte flits van de gezichten van mijn ouders. En dan de tranen die ik al wegslik voordat ze er zijn. Ik kan niet huilen. Het is te veel.

Op die stomme groenstrook met klam gras leg ik het uit. Dat huilen voelt als vallen in een zwart gat waar geen einde aan komt. Dat missen precies hetzelfde voelt. Als oneindig vallen, want er is geen oplossing. En dat vallen, dat vallen is eng. Daarom voorkom ik dat liever.

Zo ben ik al jaren bezig met niet vallen. Zo lang ik wegblijf bij dat zwarte gat is alles te overzien. Soms lijkt het zelfs even alsof het er niet is. Het is als wegrennen voor een grote golf. Maar dat de golf je niet bereikt omdat je toevallig sneller bent, wil niet zeggen dat er geen golven zijn.

En daar val ik even, op het klamme gras. Ik ben het vluchten moe, dan maar dat zwarte gat in. Ik kan niet meer. Ik zie het wel.

Vrolijke Fransen zwaaien. Een ambulance seint met blauwe lampen. De champagne bubbelt maar door. Ik val, ik viel, maar ik ben er nog. Tranen bleken vanzelf te drogen en het zwarte gat bleek minder oneindig dan ik dacht. Op het mooiste stomme stukje groen naast een ringweg.

 

vallen2

Alles gebeurde

Mam, de Bijenkorf stopt met de Drie Dwaze Dagen. Het was zelfs op het nieuws. En ik dacht aan je. Aan de boekjes op de keukentafel en het verlanglijstje dat je maakte, vroeger. Zelf had ik er niet zoveel mee, behalve dat ik het lippenstiftdoosje met spiegel dat je er ooit voor me kocht nog altijd elke dag bij me draag. En steeds weer bedenk hoe ik je nooit heb terugbetaald. Sorry nog.

Ja mam, alles verandert. Toen je nog maar net dood was, dreigde Nederland de finale van het WK te winnen. We keken met z’n allen in jouw woonkamer, op jouw bank. Het greep me aan, want Nederland Wereldkampioen; dat had je moeten meemaken. Helemaal nadat je een keer een glazen pui verbrijzelde toen je na een goal al juichend veel te enthousiast de tuin in wilde rennen. Ze zijn in het ziekenhuis uren bezig geweest om het glas met pincet uit je gezicht te peuteren. Alleen daarom al was het niet de bedoeling dat er deze geschiedenis zou worden geschreven zonder jou erbij. Ze verloren, mam. Ik was er blij mee. Als enige, maar met goede reden. Mijn eigen kleine overwinning: dit bleef in ieder geval zoals het was.

Maar goed, mijn wens dat alles bleef zoals het was had natuurlijk een beperkte houdbaarheid. Er is zoveel anders dan toen. Mijn leven. Nieuw leven. De wereld. Nieuwe rampen, nieuw geluk. Alles gebeurde.

Je huis is verkocht, bijvoorbeeld. Ik werd er niet geboren en ik heb er niet gewoond. Ik heb je er zien sterven. Dat maakt dit huis een van de meest heilige plekken die ik ken. Ik weet dat het goed is, maar toch. Het gebeurde.

Alles gebeurde. En gebeurt.

En zo moet het ook gewoon. Willen dat alles hetzelfde blijft uit zelfbehoud, omdat missen zo pijnlijk is, is op z’n zachtst gezegd wat egoïstisch. Dus ik stop met dat zelfbehoud. Want ik weet dat als ik er niet meer zou zijn, ik zou willen dat alles bleef gebeuren. Vooral: dat de mooie dingen blijven gebeuren. Dat er geluk wordt nagejaagd, liefde wordt gevonden en gekoesterd. Dat er wordt verhuisd, geleerd, gereisd, genoten. Geleefd.

En omdat we vreselijk veel op elkaar lijken, durf ik wel aan te nemen dat jij er net zo over denkt. Hetzelfde gunt. Dus probeer ik verandering tegenwoordig te omarmen.

Behalve dan het stoppen van de Drie Dwaze Dagen. Belachelijk.

Ik ben zo blij dat je er was

Ik ben blij dat je me hebt leren zien dat alleen nu en vandaag belangrijk is. Dat je moet kijken naar de dingen die je hebt en niet naar de dingen die je niet hebt. Dat het leven een groot avontuur is.

Lieve, lieve mama, ik ben blij dat jij mijn mama was. Ik ben blij dat je was zoals je was. Ik ben zo blij dat je er was. 

Dit zei ik jou bij jouw afscheid, want ik dacht dat je dat mooier zou vinden dan gevloek over het feit dat je dood was. Bovendien meende ik het. Je levenslessen neem ik nog steeds elke dag ter harte, zo goed als ik kan.

En vandaag dacht ik dat het wel zou gaan, allemaal. Ik stond anders op dan eerdere jaren. Minder zwaar en minder verdrietig. Ik dacht: misschien omdat ik gister tot laat jouw lievelingsnummer heb meegezongen. Of omdat ik heel liefdevol werd vastgehouden vlak nadat ik wakker was. Of misschien was voor het zesde jaar jouw sterfdag herdenken wel gewoon makkelijker dan de jaren daarvoor en krijgen dingen dus wel echt een plekje. Ik heb het dapper geprobeerd, maar wederom blijkt: ik kan het niet zo goed, deze dag.

Want ik mis je elke dag en elke dag meer. En op vandaag het meest. Want nu zijn er weer 365 dagen die jij hebt gemist. En die je nooit had willen missen. 365 dagen die je ten volste tot je had genomen als je er nog was geweest. En dat zes keer. Want zes jaar.

Stel dat ik je nog eens zou kunnen spreken of zien, dan zou ik je nooit meer kunnen bijpraten over die 2109 dagen. Over de minstens 22000 lachjes van je kleindochter die allemaal even mooi waren en de eerste echte lach van je kleinzoon waar je helemaal van in het weke zou zijn geraakt, geloof me. Over de vragen die ik had en de antwoorden die ik vond. Over de dingen die ik meemaakte van goed tot slecht tot fantastisch en alles daartussen. Over alles dat je hebt gemist. En ook: alles dat ik heb gemist. Want wat hadden we nog veel kunnen meemaken.

Ik blijf bij mijn woorden: ik ben zo blij dat je er was. Zoals je was. Maar ik vind ook het onbeschrijfbaar verdrietig dat je er niet meer bent. En dat vind ik vandaag een beetje extra. Dat is toch ook leven in het nu en vandaag? Morgen is weer een nieuwe dag, toch? Mam?

Dag 1 van jaar zeven maar even zo goed weer een nieuw avontuur. Want dat is het leven. En daar gaan we voor. Elke dag.

Dank je, lieve, lieve mama. Voor dat je er was.

 

 

Laat me nog blijven tot dan

“Weet jij eigenlijk of je begraven wil worden, of gecremeerd?” Bij mij thuis hadden we vroeger stevige gesprekken. Het was een vraag van mijn moeder met daarna een vurig betoog over haar wens om gecremeerd te worden. As tot as, dat werk. “Ik wil gewoon niet dood” was het antwoord waar zij het mee moest doen. Dood was voor mij toen een abstract begrip. Inmiddels is doodgaan een concreet werkwoord voor me geworden. Want ik heb het van veel te dichtbij gezien. Destijds was ik bang om dood te gaan. Vandaag is mijn angst heel anders.

Vroeger was ik bang voor alles. Mensen (verlegen), spinnen (nog steeds), wespen (ook op meters afstand), nieuwe dingen (want ik had ze nog niet gedaan), noem maar op. Ik was ook vooral heel bang dat mijn ouders dood zouden gaan. Het heeft me zelfs een half jaar lang 24 uur thuiszitten met slopende paniekaanvallen opgeleverd. Geen grap. Ik dacht dat ik angst kende. En toen zoveel me ontviel, dacht ik dat ik niet meer bang hoefde te zijn. Ik had immers alles overleefd.

Tot ik laatst besefte dat er een groot, zwart gat aan angst was overgebleven. Het kleeft aan me. Het zit in alles wat ik doe. Elke dag. Ik durfde het niet te zeggen, ik wilde er niks mee. Ik wilde dat het verdween en als ik er niet aan zou denken, dan zou het er ook niet zijn. Maar zo werkt dat niet met angsten. Hoe harder je ze weg probeert te negeren, hoe harder ze er zijn. Dus biechtte ik laatst snikkend op: ik ben bang om dood te gaan.

Dat dacht ik ook echt. Dat ik bang was om dood te gaan. Ik dacht dat dat het was. Dat was het niet.

Ik kan prima doodgaan. Het zou wel wat tragisch zijn op mijn tweeëndertigste, maar er gebeuren ergere dingen. Ik heb van dichtbij gezien hoe het werkt en weet welke maatregelen ik kan nemen om het geen idiote lijdensweg te laten zijn als het al niet met een fataal in-een-klap auto-ongeluk gedaan zou zijn. Wat ik niet kan? Afscheid nemen. Dát is mijn angst. Niet van mijn leven an sich. Maar van mijn kind. Ik kan geen afscheid nemen van mijn kind. Nooit. Niet.

Het moet ooit, dat weet ik wel. En bewaar me, laat mij als eerste gaan. De andere optie vindt al helemaal nooit een weg naar mijn gedachten, dat bestaat gewoon niet. Maar laat me alsjeblieft afscheid nemen dan, als het toch moet, van een prachtige dame in de vijftig. Met een rijk leven en rugzakken vol wijsheid. Met een leven zoals zij het wilde en niet anders. Met nooit meer mij nodig. Laat haar zien dat mijn leven vol genoeg was voor twee levens. Laat haar dan een beetje opgelucht zijn dat ze mijn pampers niet meer hoeft te verschonen en mijn demente verhalen niet meer hoeft te beluisteren. En me missen. Een beetje, maar niet te veel.

Laat me nog blijven tot dan. Anders kan ik het niet.

Nieuw leven

Hij was er uiteindelijk zomaar. Plotseling. Een beeld dat ik nooit meer zal vergeten. Kleine zwarte haartjes, glimmend gezichtje. Hij huilde kort, maar krachtig. Ik zag mijn neefje geboren worden.

Al weken had ik mijn vluchttas klaarstaan en was ik elk moment paraat om naar Den Haag te kunnen rijden. Je weet het niet met die baby’s, immers. Ik had het adres van het ziekenhuis, het nummer van de verloskundige. Want ik zou er zijn.

En ik was er. Dinsdagavond rond tienen belde ze: weeën. Nog niet zo vaak en niet zo veel, maar ze waren er wel. Dan kom ik, besloot ik. Dit zijn geen situaties waar je het onzekere voor het zekere wil nemen. Dus ik en mijn lief boekten een hotel op een strategische locatie (ziekenhuiswise) en vertrokken. Over mij kwam een soort bekoelde hyperactiviteit die zich vooral uitte in autodansen. Is een aanrader trouwens: muziekje aan en dan op de stoel dansen. Word je vrolijk van. En andere weggebruikers ook.

Drie uur later waren we uitgedanst en uitgereden. We lagen op het hotelbed slechte televisie te kijken, want slapen lukte niet echt. “Ik ben er zodra je wil, roep maar” had ik mijn zusje beloofd. Ze riep. Een uur later stonden we voor haar deur. Ik was blij, bang en verdrietig tegelijk. Blij omdat er nieuw leven ging komen. Bang omdat er -rampdenker als ik ben- zo ontzettend veel mis kon gaan. En verdrietig omdat ik daar stond. En niet mijn moeder. Omdat ik ook wel voelde hoe ze ontzettend gemist werd, meer nog dan ooit.

Hier had ik maar een paar minuten tijd voor. Er was paniek. Want er was pijn, flinke pijn. En even geen strak plan. Ik sprong op bed en legde mijn handen op haar buik. Daar voelde ik mijn neefje prachtig heftig bewegen. Ik pufte, praatte en stelde gerust. Het hielp. Mijn ontzettend stoere zusje kalmeerde. En ving weeën op als een pro. Alsof ze niet anders had gedaan, haar hele leven lang.

Zo lagen we tot vroeg in de ochtend op haar bed te puffen. Tot iedereen in slaap viel. De weeën namen af en ze zei dat we maar verder moesten slapen in het hotel, want het leek vals alarm. We ontbeten aldaar en sliepen. Kort. Want het was geen vals alarm. Om tien uur zat ik weer op haar bed. De weeën gemener dan daarvoor. Nog steeds als een pro, deed ze het. En ik voelde me een weeënfluisteraar. Puf, puf, puuuuuf. Puf, puf puuuuuuf. Ja ze kon het, ja ze deed het fantastisch, ja het kwam goed. Alles kwam goed. Ik zei het omdat ik het meende. Keer op keer.

Twee uur later gingen we richting het ziekenhuis. Daar wilde ze bevallen en dan was het maar fijn om daar al te zijn. Een gigantisch grote kamer met bad, flatscreen televisie en van alle andere gemakken voorzien kreeg ze. Niet dat het haar wat boeide; de pijn overspoelde alles. En iedereen pufte stilletjes mee. Mijn lief, haar lief en haar buurvrouw. We waren een bont, liefdevol gezelschap. Met als middelpunt de stoerste moeder die ik ken. Vechtend voor haar kind.

De ontsluiting bleek op zich te laten wachten. Vliezen werden gebroken, er werd gebadderd, er werd nog meer gepuft, maar het ging niet meer. Weg met die pijn. En terecht. Dus verhuisden we naar een verloskamer in plaats van suite. Het was een chaos. En ze werd boos. Ik snapte het zo goed. Zoveel pijn, zo weinig uitzicht en niemand die op dat moment iets kon doen. Er moesten allerlei rottige handelingen eerst en alles wat zij wilde was geen pijn. Ze raakte in paniek, smeekte om hulp. “Ik wil niet meer door m’n neus ademen” riep ze toen ik voor de honderdste keer probeerde te puffen. “Ik wil dat kutpuffen ook niet meer. Help mij.” Het was het enige moment dat ik wat strenger werd. Ruggenprik was een optie, maar daarvoor was een hartfilmpje van de baby nodig. En daarvoor moest ze een half uur op haar rug liggen. Maar dat was het enige dat ze niet kon. De hel. Toch: het moest. Dus dat zei ik. En dat ze het echt volhield, dat het echt snel over zou zijn. Ik geloofde het. Little did I know.

Het duurde en duurde. De ene onervaren co-assistent na de andere deed een intrede. “Ik heb dit echt al zooooo vaak gedaan” zei de klungelende infuusprikster. Niks van waar, dat zag iedereen. “De anesthesist wordt nu gebeld. Oh nee is al gebeld” werd er gebrabbeld door weer een nieuw type. Er werd op dat moment vooral een verloskundige niet zo aardig toegesproken door de zus van de barende vrouw. Wat een zootje.

Eindelijk was daar het verlossende woord: er kon een ruggenprik worden gezet. Ik duwde, samen met de verpleegkundige, mijn zusje in haar bed door de gangen van het ziekenhuis. Pufte nog steeds mee en fluisterde geruststellende woordjes. Het zou nu snel beter zijn. Zei ik. Een leugen achteraf.
We reden een verkoeverkamer binnen. Hier slapen mensen hun narcose uit. Dat gaat soms met lawaai, paniek en andere toestanden gepaard. Had zij niet door, ik wel. Wat ik ook doorhad was het gediscussieer van het team. “Ik heb hier nu geen tijd voor hoor, doe jij die epiduraal maar. Nee ik heb er ook geen tijd voor, Annie doet ‘m wel” Ooookeeeeee, dan doe ik ‘m wel.” Woest. Ik was woest. Dus beende ik er heen. “Iedereen hoort dit”. Gesorry en gewegkijk. Maar er kwam tenminste iemand. Die iemand ging met mijn zusje aan de slag zonder uitleg. Dat deed ik dus maar. “Dat is voor je bloeddruk, Room. Dit is om je hart in de gaten te houden.” Ze ving wee na wee op en wilde alleen maar dat het over was. Uitgeput na zoveel uren pijn en spanning.

Eindelijk was alles aangesloten en klaargelegd. Haar dossier werd er bijgehaald. Tenminste: dat was de bedoeling. “Ligt mevrouw wel in de cloud?” Het bleef stil. Geklikt, gebeld en gefluisterd werd er. Maar er werd niet geprikt. “Wat doen ze, Mink? Wat doen ze in godsnaam?” Ik durfde het niet te zeggen. Ik kreeg het mijn mond niet uit. “Wat doen jullie eigenlijk?” Er was een kleine administratieve hobbel. Woedender. Wat een waanzin. “Sorry, lief. Er is iets administratiefs. Ze zijn er hard mee bezig. Je doet het hartstikke goed.” Wat een bullshit. Als in: ze deed het fantastisch, maar ze hield het terecht niet meer vol. Drie kwartier langer moest ze wachten. “Leg het aan haar uit dan! Leg het aan haar uit! Dit is niet uit te leggen!” riep ik. En uiteindelijk werd er geprikt, al lag ze nog steeds niet in de cloud. Ik hield haar handen vast. Zag haar pijn. En de opluchting daarna. Die ruggenprik: wat een wondermiddel.

Kroketten wilde ze. En Fernandes. Ze had weer haar eigen grote mond en lichtjes in haar ogen. Wat een opluchting. Alleen: nog steeds niet meer ontsluiting. Iedereen tolde van de slaap en we werden door haar persoonlijk naar het hotel gestuurd om even bij te komen. Zij ging ook slapen. Haar vriend ook. En Marie de buurvrouw bleef waken.

Twee uur later: nog steeds niet meer ontsluiting. Weeënopwekkers werden aangerukt en binnen een uur moest er iets gebeuren; anders een keizersnede. Dus reden we weer naar het ziekenhuis. Weer die spanning, weer die gangen, weer die lift. Weer dat gemis. Weer het gevoel dat ik er verdorie niet had moeten zijn, maar mijn moeder. Haar moeder. Onze moeder. Niet ik. Maar bij gebrek aan haar deed ik er alles aan om er zo goed mogelijk te zijn.

Goddank werkten de opwekkers. Ze ontsloot als een malle. Er werden nog allerlei checks gedaan en er was een artsenwisseling. Binnen no time had ze tien centimeter. De kamer stond vol met fijne, kundige mensen. Ze mocht gaan persen. En, mijn god. Wat perste ze. Met een ruggenprik voel je weeën een stuk minder. Dat is in alles fijn, maar met persweeën is het onhandig. Je perst als het ware op eigen kracht. En dat kon ze. Mijn god, wat kon ze dat.

Ik stond eersterangs. Mijn plek aan het bed was ingenomen door haar lief. Waar hij zich de rest van de bevalling niet zo goed een houding wist te geven vanwege eng en nieuw en spannend en lang, stond hij er nu als een huis. En zo kon ik zien. Zien hoe de kleine, schattige, pikzwarte haartjes van haar zoontje steeds een beetje beter zichtbaar werden. Hoe hard zij werkte en hoe spannend iedereen het vond. Ik hield de artsen scherp in de gaten en checkte elke minuut de hartslagmonitor. De begeleidende arts was kundig en kordaat. Het was heftig. De baby had hulp nodig om ter wereld te komen, want hij lag er niet helemaal lekker voor. Een sterrenkijker. Wat ik dan stiekem wel weer symbolisch vond (als het niet zo onhandig was geweest).

Allerlei scenario’s werden in gang gezet, maar mijn zusje deed het zelf. Ineens. Plotseling. Onbeschrijflijk. Het hoofdje. Het lijfje. Het huiltje. Haar reactie. Zijn reactie. Onbeschrijflijk mooi. Dat beeld: ik vergeet het nooit meer. Echt nooit.

De kamer vulde zich met opluchting. Met oneindige liefde. En met gemis. Ik voelde het. We voelden het allemaal.

Ik had daar nooit moeten zijn. Het was mijn moeder haar plek. Maar ik ben verdomme zo ontzettend dankbaar dat, bij gebrek aan beter, ik er was.

Zusje

neefje

Mijn zusje is zwanger. Ze belde me rond bijna middernacht met het nieuws. Ik lag al in bed. En ik wist heel lang niets te zeggen.

“Minke, ben je er nog?”
“Ja, ik ben er nog.”
“Je zegt niets.”
“Dat klopt. Lieverd. Je bent zwánger.”
“Ja. Ik weet niet wat ik moet doen.”

Ik was weer stil. Want ik hoorde aan haar (zo werkt dat) dat ze precies en heel goed wist wat ze moest doen.

“Jij klinkt helemaal niet alsof je niet weet wat je moet doen. Het is prachtig nieuws. Ik ben alleen even een beetje overdonderd.”
“Ik ook.”
“Dat snap ik. Komt goed. We bellen morgen.”

Een beetje kort, misschien. Maar we hadden aan die woorden genoeg.

“Jezus, je bent gewoon zwánger!”
“Ja!”

Ik hoorde een giecheltje. En ik hoorde ook dat ze bang was.

Mijn kleine zusje heeft al heel erg veel leven geleefd. Zij verloor mijnzelfde ouders en was veel van haar jonge leven veel alleniger dan ik. Ze deed slimme dingen, vaak ook minder slimme dingen. Ze leerde lessen bikkelhard en zonder genade. Ze bleef desalniettemin staan en staat nog. Onze ruzies waren rauw en grimmig. Hard om hart. En elke keer, altijd weer, hoorden wij toch bij elkaar.
Horen we gewoon bij elkaar.

“Maar Mink, wat moet ik nou?”
“De baby dragen, baren en er goed voor zorgen.”
“Maar ik weet niet of ik dat wel kan.”
“Jij kan dat. Jij doet dat namelijk al.”

Dat zusje van mij verbouwde haar leven grondig in ongekend korte tijd. We belden uren. Vaker en langer dan ooit. Over weeën. Over tepelkloven en rompertjes. Over bevallen en berusten. Over kraamtranen en zwangerschapspaniek. Over onze moeder en vader die het ontzettend fantastisch hadden gevonden en de pijn van dat gegeven.

Nog een paar weekjes en dan baart zij haar -zeker weten- mooie zoon. Mijn neefje. En kleinzoon van. Leven schenken terwijl je doden mist is geen gemakkelijke opgave.

Mijn zusje is de allerstoerste moeder die ik ken.

Alles heeft zin

mama“Oma Margreet is vandaag jarig. Dus gaan we vanmiddag een taartje eten.”
“Maar Oma Margreet is toch dood?”
Mijn vierjarige dochter heeft geen probleem met het benoemen van de dingen die waar zijn.
“Dat klopt, maar toch kunnen we haar verjaardag vieren.”
“Wie blaast het kaarsje dan uit?”
“Dat mag jij doen.”
“Yessss.”

In de supermarkt kiest zij de taart en vertelt ze aan iedereen die het wil horen dat het taart is voor dode oma Margreet en dat zij het kaarsje uit mag blazen. Als we daadwerkelijk aan tafel zitten met taart en kaarsjes, wil ze toch liever My Little Pony kijken. Ik vertel haar dat we dat niet doen. Dat we taart eten en denken aan oma Margreet. Niet aan valszingende ponies met vleugels. Ze vindt het goed. Dus gaan we denken aan oma. Aan mijn moeder die vijf jaar geleden overleed en 61 geworden zou zijn.

Ik heb mijn beide ouders praktisch zien sterven. Ik heb hun angst gezien en de dood van heel dichtbij gevoeld. Geen mooi gezicht. En in de periode daarna vroeg ik me steeds maar af wat het leven nou eigenlijk voor zin had. Vrij vermoeiend. Bij de kassa in de supermarkt, wachtend in de file, tijdens het lakken van mijn nagels. En nog veel vermoeiender: ik concludeerde steeds hetzelfde. Waar zijn we mee bezig? Waar ben ik mee bezig? Rennen, vliegen, werken, carrière, geld, feestjes. Waarvoor? Allemaal voor niks. Om uiteindelijk doodziek in een vreemd bed weg te kwijnen en kwijt te raken. Leegte achterlatend. Niet bepaald een geruststellende of motiverende gedachtegang.

Tot laatst. Toen ik het ineens begreep. Tijdens het bakken van pannenkoeken, nota bene. Wat het leven voor zin heeft omdat je toch dood gaat? Dat. Dat was de zin. Alles daarvoor. Alles voor dat moment heeft zin. Hier, nu. Het punt is dat je doodgaat. En dat het maar beter afscheid nemen van een rijk leven betekent. En dan bedoel ik niet rijk als in geld. Dan bedoel ik rijk aan belevenissen. Herinneringen. Rijk als in de indrukken die je maakte op anderen. Hoe anderen indruk op jou maakten. De liefdes die je had. Ook de ruzies die je maakte. Alles. Eigenlijk heeft alles gewoon zin.

Sindsdien leeft het een stuk lekkerder. En, belangrijk; het herinnert het een stuk lekkerder. Het denken aan mijn doden vond ik zwaar. Het ging gepaard met een gevoel van plaatsvervangende spijt. Spijt dat het geen zin zou hebben gehad, dat leven. En dat had het dus wel. Alles wat we mee hadden gemaakt, hadden we meegemaakt. Dat neem ik mee, dat geef ik door. Leven heeft heel erg veel zin.

En het denken aan het leven van de doden heeft net zoveel zin. Dus die middag dachten we aan oma Margreet. En niet aan haar dood, maar aan haar leven. Met twee moorkoppen, een kaarsje en een fles bubbels. Ik vertelde, mijn dochter luisterde. En andersom. Een mooi moment waarvan ik me toen voornam dat veel vaker te doen.

Gewoon even lekker zitten en denken. Herinneren. Aan al die dingen die zin hebben. Want alles heeft zin.

 

Deze column schreef ik voor het programma Hemelbestormers op Radio 2. Je kunt het terugluisteren op hun website.

Wat je wordt, ben je zelf

foto (1)Ik mocht alles worden, zolang ik maar gelukkig werd. Mijn moeder is daar altijd heel stellig in geweest. Dokter, vuilnisvrouw, advocate, actrice, glazenwasseres, secretaresse, kinderboerderijhoudster, dolfijnentrainster: alles was goed. Ze was al lang blij dat ik opgroeide in een tijd waar alles worden geen keiharde strijd zou zijn, zoals bij haar het geval was geweest. De wereld lag voor me open, ik kon gaan studeren, of niet. MAVO was prima, VWO ook.

Op mijn zeventiende was ik de eerste van mijn familie die ging studeren aan een universiteit. Nederlands. Want daar was ik goed in en dan zou ik er misschien ook wel gelukkig van worden. Maar als je alles mag worden, is Neerlandica worden dan wel sexy genoeg? Ik kon immers ook psychologe worden. Dus stapte ik over. Nou ja, ik deed een poging. Eerst moest ik een toets doen omdat ik geen eindexamen wiskunde had gedaan. En die toets haalde ik op een tiende niet. Maar gelukkig mocht ik alles worden en was er nog wel een plekje bij pedagogiek en dat was ook een soort van psychologie en ik hield van kinderen. Na twee jaar uni kon ik nog steeds alles worden en wist ik nog steeds niet wat precies. Dus nam ik een jaartje vrijaf, want dat denkt lekkerder na. En werkte ik dat jaar in de bediening en achter de bar. Dat denkt trouwens helemaal niet heel lekker na, maar dat terzijde.

Alles mogen worden is prachtig en beangstigend tegelijk. Het is een luxe, begrijp me goed, maar aan mij was het niet besteed. Niet omdat ik niet ambitieus was aangelegd, niet omdat ik geen doorzettingsvermogen bezat, maar omdat ik gewoon niet wist wat ik dan worden moest. En het is immers wel de bedoeling dat je iets wordt, toch?

Op een dag besloot ik daarom dat ik moest kiezen. Ik sloot me op in de bibliotheek en las alle studiegidsen van alle hogescholen en universiteiten van Nederland. Als je niet weet wat je wil worden, dan kun je nog wel weten wat je graag wil leren. En je kunt besluiten om iets af te maken. Dus dat deed ik.

En zo kwam ik er achter dat het helemaal niet de bedoeling is dat je iets wordt. Het is de bedoeling dat je er bent. Leert. Ervaring op doet. En zo voor jezelf kan zorgen. Want mijn moeder was dan niet streng op studievlak, ze had me heel erg duidelijk gemaakt dat er maar één iemand voor mij ging zorgen als ik later groot zou zijn en dat was ikzelf.

Point taken, mama. Want hier ben ik. Geen Neerlandica, geen psychologe, geen pedagoge, maar geloof me: ik zorg prima voor mezelf. Ik ben nu daar waar ik precies pas en ik ben nog niet eens klaar ook. Ik deed, ik koos, ik maakte fouten en probeerde opnieuw. En keek vooral veel om me heen.

Ik denk dat je dat ook bedoelde, mam. Niet dat ik alles mocht worden, maar dat ik alles mocht zijn. En dat je het vertrouwen had dat ik er wel zou komen, daar waar ik zou horen. Dus dank daarvoor. Want ongemerkt koos ik precies die dingen die klopten. Omdat het allemaal kon en ik dus alleen nog maar mijn hart hoefde te volgen. Mijn hart van dat moment. Niet mijn hart van jaren later. En juist dat geeft vertrouwen. Want wat je wordt, ben je zelf.

 

Deze column schreef ik voor KRO’s Hemelbestormers en las ik voor op 10 augustus op Radio 2. Terug te zien en luisteren op hemelbestormers.kro.nl.

Marmot

radio2pola

Deze column heb ik geschreven voor het Radio 2 programma KRO Hemelbestormers en werd uitgezonden op 23 maart 2014. Het fragment kun je luisteren op de website van Hemelbestormers

 

Ik was een jaar of acht en werd door mijn moeder naar de kapper gesleept. Mijn lange blonde, maar veel te dunne, warrige haren moesten kort. Ze was de martelgang van het haren kammen ‘s ochtends zat. De kappersmevrouw zocht samen met mijn moeder een mooi kapsel uit. Op het plaatje in het boek leek het inderdaad best aardig..  Kort, praktisch, lekker anders maar best stylish. Ik was enthousiast. En toen ik buiten stond, was ik nog steeds enthousiast. “Nu moeten we ook gel kopen, he mama” vroeg ik toen we hand in hand langs de drogist liepen. Dat had de kapper er immers ook in gedaan en zo stond het ook in het boekje. Ik had dan wel niet zoveel verstand van hippe kapsels, maar dat dit exemplaar geen stand zou houden zonder gelletje of waxje, was me wel duidelijk. “Nee hoor, dat is voor grote mensen”  was haar onverbiddelijke antwoord. En zo gebeurde het dat ik maanden met een soort oversized marmot op mijn hoofd rond liep. Mijn moeder vond het prachtig. En daarom vond ik het zelf ook wel ok. Ik vond het jammer van de gel, maar mijn moeder had altijd gelijk, dus nu vast ook. Dit merkwaardige kapsel was nu gewoon van mij.
Maar daar waar ik mijn nieuwe kapsel omarmde, of in ieder geval onderging, hadden de meisjes uit mijn klas de grootste lol om de marmot op mijn hoofd. Stuk voor stuk hadden zij lange, glanzende haren in vlechten, staarten en met felgekleurde glitterspeldjes. En dat was niet het enige verschil; zij hadden strakke spijkerbroeken van dure merken, liepen op sportschoenen met roze en babyblauw en speelden met de meest prachtige Barbies en MyLittlePony’s die er te koop waren. Ik niet. Ik had vaak twee verschillende sokken aan, droeg regelmatig oude t-shirts van mijn moeder op mijn net iets te ruime C&A spijkerbroeken en speelde met Greetje; de rozeharige, guitige pop met uitpuilende vulling. Ik had zeg maar mijn eigen stijl.

Ik was niet degene die de verschillen zag. Maar werd er wel dagelijks op gewezen. Commentaar op de marmot kon daarom ook niet uitblijven. En zo kwam ik dan toch een keer huilend thuis. Dat mijn haar zo stom zat, zeiden ze.

Mijn moeder glimlachte zoals alleen zij dat kon. Beheerst, geruststellend en in haar ogen las ik al wat ze me ging zeggen. Dat ik prachtig was. Precies zoals ik moest zijn. Dat een spijkerbroek, een kapsel, een pop, nooit onderwerp van gesprek mocht zijn. Omdat het daar niet om gaat in het leven. Dat het prima was dat andere mensen daar veel drukte om hebben, maar dat het iets zegt over hen. Dat het vooral zonde was voor de glitterspeldjes dat zij niet verder konden kijken. En dat het bovendien maar heel erg saai zou zijn als iedereen er hetzelfde uit zou zien.

En bovenal. En met nadruk zei ze dan, met mijn handen in de hare en haar gezicht heel dicht bij de mijne, dat ik nooit, nooit, nooit door een ander mocht gaan twijfelen aan mezelf.

Uiteindelijk bleek de marmot dus een mooie aanleiding voor een onmisbaar stukje levensles. Een les in volharden in jezelf.  In weten wat bij jou hoort en wat bij iemand anders. In staan voor wat je bent en weten dat je er mag zijn, hoe je er ook uitziet. En hoe je haar ook zit.

Niets Carpe Diem

Dit verhaal schreef ik voor het Radio 2 programma KRO’s Hemelbestormers in het kader van de themaweek Ode aan de Doden. Op 27 oktober las ik het voor tijdens de uitzending. Het fragment kun je beluisteren op de website van KRO Hemelbestormers.

Carpe Diem, pluk de dag. Vier het leven.  Maak je niet druk om onbelangrijke dingen, het leven kan zo over zijn. Liefde, dat is pas echt belangrijk. Ga nooit weg zonder een kus. Jaag je dromen achterna. Leef elke dag alsof het je laatste is.

Zomaar een greep uit een aantal dooddoeners waarmee we onszelf en elkaar af en toe eens even goed wakker willen schudden. Vaak als de dood even eng dichtbij komt. Bij de koffieautomaat: “Heb je het gehoord van Marjan?” “Ja vreselijk, zo zie je maar, het kan elke dag je laatste zijn.” “Ja, inderdaad, je moet elke dag genieten. Cappuccino of espresso? En dan gaan we dus verder. Een fractie van een seconde overpeinzen we leven en dood. En dan klagen we over het weer. Slepen we onszelf zuchtend door de files naar onze saaie kantoorbanen. We checken een half uur later gewoon lachend de koersen van onze aandelen en huilen schaamteloos om verlies. We ruziën. Over wie de vuilniszak moet wegbrengen, over de bekeuring voor te hard gereden. Over wie het meeste macht heeft of geld mag. Niemand doet echt aan Carpe Diem. En de grap is: dat geeft helemaal niet.

Want, laten we de dood niet overdrijven. Of beter: laten we het leven niet overdrijven. Van Heel Hard willen leven kun je heel goed doodongelukkig worden.

Dus laten we stoppen met onszelf en de ander steeds wijzen op het belang van een ontzettend gelukkig  leven. Het nastreven van dit optimale geluk, dag in dag uit? Elke dag leven alsof het je laatste is? Dat bestaat niet. Gelukkig zijn in de marge, dat moet ook gewoon mogen. Het leven bestaat uiteindelijk voor iedereen gewoon uit momenten. Momenten van complete euforie en van ontzettend miserabel verdriet en alles daartussen.

Twee weken voordat ze stierf, vroeg ik mijn doodzieke moeder of ze ook geloofde in leven na de dood. “Nee, lieverd” zei ze. “Daar geloof ik niet in.” Ik vond het een hard en  teleurstellend antwoord. Ik wist wel dat ze niet religieus was, maar ik hoopte dat ze misschien nu, met de dood zo dichtbij, iets zou bedenken waardoor ze niet helemaal weg zou zijn straks. Ik deed mijn mond al open om bezwaar te maken en opties aan te dragen. Maar ze was me voor: “Ik geloof niet in leven na de dood. Ik geloof in leven voor de dood.”

En zo is het. Je kunt alleen maar leven voor de dood. En daar maak je het beste van, of niet. Je mag het helemaal zelf weten. Leef gewoon. Geen opdracht, er is niemand die jou op je sterfbed komt vertellen dat je niet optimaal hebt genoten. Je zult het jezelf ook niet vertellen. Je zult weten dat je hebt geleefd. Je zal spijt hebben van dingen. En je zult gelukkig zijn met andere dingen. Niets Carpe Diem. Niet pluk de dag en vier het leven. Leef gewoon.

Nooit weggaan zonder een kus is wel een goeie trouwens. Je weet immers maar nooit…

Lieve mama

mamaHet lijkt gister en het lijkt tien jaar geleden. Hypnotische stervende ademhaling in de schemer. Als ik toch had geweten dat de laatste uren je laatste uren waren, dan had ik toch hele andere dingen gezegd? Dan had ik toch nog op de valreep gevraagd of je wel trots op me was, of ik het wel ging kunnen? Alles. Dan was ik nog naast je gaan liggen. Dan had ik veel meer kussen gegeven dan die laatste. Dan had ik nog gezegd hoe blij ik was, ben. Met zo’n moeder. Dan had ik toch je ogen veel beter bekeken en aan je haar geroken en had ik je hand niet losgelaten? Had ik aan één stuk door gefluisterd ikhouvanjeikhouvanjeikhouvanje. Was ik veel royaler geweest met de jaloersmakend lekker ruikende Dior crème toen je me vroeg je gezicht in te smeren. En had ik er veel langer over gedaan. Ook.

Als ik wist dat de laatste dagen je laatste dagen waren, was ik niet meer naar huis gegaan. Had ik mijn hoofd niet meer van je schoot gehaald. En je gevraagd niet te stoppen met het kriebelen door mijn haar. En als ik wist dat de laatste jaren je laatste jaren waren. Dan had ik zoveel niet gezegd. En zoveel wel gedaan.

“Achteraf kijk je een koe in de kont.”
Dat zou jij dan zeggen.
“En daar doen wij niet aan.”
Had ik dan gezegd.

 

Lieve mama. Ik mis je gewoon.

 

 

Als je haar maar goed zit

Zo goed en zo kwaad als het gaat, zit ze rechtop. Benen over elkaar, haar handen op haar buik. In de woonkamer met de deuren naar de tuin nog net een beetje open. Want zelfs in de schaduw van de parasol is het niet uit te houden zomer, aldus mama. Of misschien was wat nu kwam niet bedoeld voor de buren. Of voor buiten überhaupt. Ze geeft korte, krachtige instructies: “jullie doen mijn make-up. Precies zoals altijd, ik wil er uitzien zoals ik was.” Er ontbreekt een inleiding en een aanleiding. Een directe, althans. Ik laat niet merken dat het me overvalt, deze plotselinge confrontatie met straks. Het is bijna zakelijk, alsof er nog een vergeten boodschap gehaald moeten worden. Dan hebben we dat ook maar gehad. Ik beloof alles. Dan volgt er nog een belangrijk punt: “Ik wil naar de kapper” klinkt het resoluut.  Ze kan nog amper lopen. Van de bank naar de tuin, nog net naar de w.c. op de eerste verdieping.  “Tuurlijk. Doen we. Vrijdag, ik maak nu een afspraak. Ik ga met je mee.” Ik ben blij met de overgang van later naar nu. We lachen erom. Want we snappen ook wel dat het een beetje futiel is. Maar ja, aan het leven verandert kennelijk niet zoveel als je weet dat je doodgaat.

“Knippen en kleuren?””Ja. Knippen en kleuren.”

Voorzichtig help ik haar die vrijdagochtend in de auto. Daas van pijn en morfinemisselijkheid, maar opgewekt door dit laatste ritje naar Maryam, haar krullenkunstenares, zit ze uiteindelijk naast me. Ze is zo uitgeput dat ze zelfs haar eeuwige “pas op, een fietser” of “heb je het knipperlicht wel aan” achterwege laat. We rijden richting centrum. “Ik weet nooit precies welke straat het is” zeg ik. “Ik ook niet.” De stad waar we al ons hele leven wonen, samen zo’n tachtig jaar, en we weten de weg niet. Dus we rijden drie rondjes om dezelfde straat. Mij breekt het zweet uit en zij heeft het koud. Gelukkig hebben we ook gemeen dat we altijd overal komen, hoe verdwaald ook. Uiteindelijk zet ik de auto midden op de smalle straat stil en loop om de auto om haar deur te openen. Achter ons toetert een gefokte DHL chauffeur. Zonder na te denken steek ik mijn middelvinger op. Volledig out of character, ik kan me niet herinneren dat ik dat ooit eerder deed en het meende. “Mink, wat doe je” verschrikt mijn moeder. “Mongool” fluister ik. Ze lacht geniepig als ze uitstapt. En giechelt zachtjes als ze zich met twee handen aan mijn arm klemt.  Hij toetert nog een keer. En wij strompelen inmiddels hikkend van de lach bij de kapper naar binnen. “Ik zet de auto even weg voor de mongool, doe ik boodschappen en kom ik weer terug. Niet weggaan hè ” knipoog ik.  “Pas op, anders pies ik nog in mijn broek.”

Als ik terug kom, zit ze te glimmen in de kappersstoel met de folies nog in haar haren. Ze vertelt dat ze, terwijl de kleur moest intrekken, buiten een sigaret wilde roken. Maar ja, ze kon natuurlijk niet meer staan, dus had Maryam haar compleet met stoel, kappersmantel, folies, koffie en een sigaret  in de drukke winkelstraat gezet. Twee Duitse vrouwen hadden vervolgens verrukt gereageerd op deze verschijning, hadden geroepen  dat Groningen echt zo’n fantastische stad was dat dit allemaal kon en vervolgens gevraagd of ze haar op de foto mochten zetten in deze entourage. Mijn moeder, niet vies van aandacht en wars van gêne, had gezegd dat het mocht. De Duitse dames waren vrolijk verder gelopen na het kiekje, mijn moeders e-mailadres op zak om het resultaat later op te kunnen sturen. Wat niemand wist, maar ik wel vermoedde, was dat dit de laatste foto van mijn moeder in leven zou zijn. Een klein uurtje later werd mijn moeder ontslagen uit de kappersstoel met uitgroeivrije rode krullen in drie verschillende tinten. Een perfect kapsel, vonden we allemaal. Tevreden sliep mijn moeder de rest van de dag. Uitgeput door alle inspanning.

Zes dagen later kijk ik toe hoe de lijkenvisagiste met een krultang mijn moeders prachtige haar te lijf gaat. Want als je doodgaat, verdwijnen de krullen bijna direct. Leerde ik toen. Verval heeft kennelijk bizar veel haast. Zo bleek later dat nagellak niet pakt op overleden nagels en dat gewone make-up niet opgewassen is tegen lijkkou.

Bij het checken van mijn moeders mail, drie dagen later, vind ik de foto van de Duitse dames. Ze had er als een ware diva bij gezeten, daar op straat. Op de foto lacht ze uitgelaten, trots. Ik had gelijk gekregen: de laatste foto in leven. Precies zoals ze was.

Zie je morgen, toch?

Zie ik je morgen nog een keertje? Een heel klein keertje? Een laatste keer? Heel even maar, een minuutje, een halve. Een seconde. Een halve. Dat als ik mijn ogen samenknijp en door mijn wimpers spiek, je daar gewoon heel even bent?

Mag ik je dan heel kort even aanraken? Met een vinger, of mijn pink? Over je zachte wang, je haar? Of dat ik heel even je hand. In die van mij.

En zeg dan iets. Iets kleins. Of veel. Hoe het gaat, hoe je me vindt. Wat je allemaal hebt gedaan. Of een woord. Een letter desnoods. Dat ik heel even kort je stem nog eens hoor.

Zie ik je morgen? Zie je morgen, toch? Zodat ik vandaag iets minder hard kan missen.
Zie je morgen nog een keertje. Heel klein keertje. Alsjeblieft?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Margaret en de gesjeesde regisseuse

Hoogzomer. Een graad of 29. De kantine van zo’n schoolreisjeskampeerboerderij. Ik ben aan het aarden. Beide voeten stevig op de grond, ogen dicht en dan dus aarden. De grond voelen. Prikkend zweet op mijn rug negeren. In mijn concentratie komen. In de zone. Dichter bij Margaret Thatcher, vandaag. Naast mij staan Bill en Hillary Clinton ook stevig te aarden. Ik vraag me af of hun zweet ook zo prikt. Ik spiek tussen mijn wimpers door en zie de regisseuse in haar neus peuteren. Of ik al genoeg geaard ben weet ik niet, maar ik veeg toch maar mijn voorhoofd af. “Scene 5. Toe maar.”

Een zomertheaterkamp. Want ik ging actrice worden. Ik ging later Julia spelen. Van Romeo. Of een lesbische variant in een experimenteel stuk waarmee we dan alle festivals veroverden. Daarna schitterde ik natuurlijk op een wit doek in een prachtige dramatische film, of een komedie waar mijn spel en bijbehorende humor als “van het unieke soort” gerecenseerd zouden worden. Dat was dan mijn grote doorbraak. Vanaf dan zou ik leven uit mijn koffer en in hotels met meer of minder sterren. Ik zou actrice zijn. En een goede ook.

Scene 5 is de scene waarin Margaret Thatcher in een gesprek met Bill laat weten dat ze het weet van miss Lewinsky en Hillary hoort dat dan. Ik weet al een paar repetitiedagen dat ik er niets van bak. Margaret ligt me niet. En daar leg ik me maar moeilijk bij neer. Dus ik concentreer en doe aan aarden zo hard als ik kan. Voor mijn vijftien jaar heb ik er op zich al wel één en ander aan acteren op zitten. Ik had het op mijn tiende zomaar bedacht, dat actrice worden. En ik mocht alles worden van mijn moeder, bij voorkeur vooral gelukkig. Dus daar ging ik. Toneellessen, audities, clubjes. Een verleidelijke kassajuffrouw, de moeder van Kees de Jongen, Meg in een stuk van Pinter, verdrietige veel te jonge bruid. Met publiek en mooie recensies. Maar deze Thatcher lukt me niet.

“Doe nog maar een keer, je zit er niet in. Kom op. De hele scene hangt op jou, je doet niet eens je best.” Ik ben het oneens. Meer mijn best bestaat niet. Ik zeg niets, haal adem, doe nog wat aarden. Rug recht, statig voorkomen. “Zo Bill. Dat is ook wat.” Eerste regel. “Stop maar. Jezus.” Bill en Hillary zuchten met nadruk. De regisseuse kijkt me met felle blauwe ogen aan. “Als ik wil, kan ik je nu aan het huilen maken.” Ik kijk terug. Ben stil. Ik haal diep adem. Slik al mijn tranen weg. “Dat denk je” bijt ik. Wat er ook gaat gebeuren, ik ga niet huilen. Dat denk ik.

Ik huilde niet. En Margaret Thatcher werd uit het stuk geschreven. Daar en toen besloot ik dat ik geen actrice werd. Door die ene waanzin zin van de gesjeesde regisseuse wist ik dat ik niemand liet bepalen wat ik voelen zou. En al helemaal geen zin meer had om te doen alsof. Bij voorkeur vooral gelukkig, bij voorkeur vooral mezelf. Dat ging ik toen worden. Besloot ik. En best goed gelukt.

Alle dagen tellen

Wind tegen. Het rukt lokken haar uit mijn zorgvuldig samengestelde Grace Kelly rol. Het waait de tranen uit mijn ogen. Ik trap harder. Langs het water. Langs het grasveld waar vaak schapen staan in de zomer. Langs Emily’s creche. Bij het kruispunt sprint ik voor een auto langs. Hij toetert, ik zwaai. Ik kan daar altijd kiezen tussen het fietspad langs het water en de hobbelige klinkerweg langs een bedrijventerrein. Meestal kies ik de hobbelige weg. Nu kies ik het fietspad. Ik hoop op meer wind. Laat maar komen. Waai me maar.

Het is 30 december. Ik fiets uit de stad terug naar huis. Terug van eindejaarsgesprekken met een vriendin. Dat we een bizar 2012 laten voor wat het is en 2013 ons jaar wordt. Ik ben buiten adem van de wind. Stop met trappen. Ik slalom, net als vroeger, tussen de witte streepjes van het fietspad door. De wind wint. Zo lang mogelijk niet trappen, even helemaal niets doen. Kijken hoe lang dat lukt. Als je niets doet, val je om. Dat geldt bij fietsen. Ik dacht altijd dat het ook voor leven gold. Niets doen is stilstaan is omvallen. Op die gedachte kwam ik 2012 door: doen. Alles doen. Meer doen. Harder werken. Niet stilstaan, niet omvallen. Vasthouden.

Precies in het midden van het fietspad stap ik af zodat ik niet omval. Bijna middernacht, de lucht gitzwart en het gaat zachtjes regenen. Ik doe mijn ogen dicht.

Ik heb me vergist. Stilstaan is heerlijk.

 

 

2012: waarin mijn thuis een huis werd. Waarin mijn geschiedenis nieuwe toekomst ontmoette. Waarin ik dingen deed die ik doodeng vond. Waarin ik hard werkte, met succes. Het jaar waarin schrijven echt mijn hart vond. Ik voor het eerst hardop een droom uitsprak (en er een klein beetje bij bloosde). Een jaar van mooie ontmoetingen en bijzondere gesprekken. Een jaar met strijd en tranen, gelukkig ook van geluk. Het jaar waarin ik besefte dat missen niet overgaat, maar erger wordt. En ik niet bang hoef te zijn. Waarin mijn dochter soms harder wijsneusde dan dat ik hebben kon, grappiger was dan dat ik kon vermoeden en harder bleek te kunnen lachen dan dat ik voor mogelijk hield. Maar vooral het jaar waarin ze me elke dag liet zien hoe lief het leven is. En dat alle dagen tellen.

Want alle dagen tellen.

Pestkop

Zomaar een dag in groep vijf: het werd ineens duidelijk: ik hoorde niet bij hen. Vonden zij. Ik trof mijn tafeltje aan in een hoekje in plaats van in hun groepje. Vanaf toen zat ik met mijn gezicht naar de muur. Mijn schrift met rekensommen was verdwenen. Op het schoolbord stond ‘Minke is vies’. Het heeft er de hele dag gestaan. Ik snapte er niets van. Eerst durfde ik niets te zeggen. Tegen de meester niet, tegen mijn moeder niet. Gek genoeg, achteraf gezien, viel het ook niemand op. Het was stil terreur, gevaarlijk onzichtbaar. Er gingen dagen voorbij waarin de meiden uren onafgebroken naar me staarden, armen over elkaar op de boekenkast. Ze sisten ‘je stinkt’ terwijl ze langs liepen. Of gooiden een werkje op de grond. Van vrolijk onbezorgd naar ernstig verlegen in een paar week tijd. Ik had geen idee wat er gebeurde.

In horten en stoten kwam het verhaal er thuis uiteindelijk uit. Mijn moeder aarzelde niet en beende vastberaden het schoolplein op naar de meester of, zoals ze het zelf noemde, ‘die lapzwans van een gast’.  Er volgde gesprek na gesprek, maar eigenlijk hielp het niet echt. Soms ging het een tijdje beter. Leek het. Dan mocht ik ineens wel weer in hun groepje zitten. Dat bleek dan alleen maar te zijn zodat ik er weer uitgezet kon worden. Toch schoof ik elke keer weer aan, want ik wilde zo graag bij ze horen. Of in ieder geval maar niet niet bij ze horen.

Heel eerlijk: ik was ook wel een beetje anders. Geen Levi’s spijkerbroeken, maar van de C & A. Kortgeknipt blond koppie en kleurrijke oversized shirts in plaats van lange vlechten met roze strikken en strakke paarse truitjes. Altijd twee verschillende kleuren sokken in nep All Stars. Geen ballet, maar circus. En dan kreeg ik ook nog eens heel laat borsten. Mijn moeder liet niet toe dat ik mezelf omkameleonde. “Jij bent fantastisch zoals je bent, jij verandert helemaal niets. Echt, Mink, jouw tijd komt wel.” En: “Je hebt je hele leven nog tijd voor borsten.”

Na twee jaar meisjesterreur, honderden tranen (altijd thuis) en een eigenwaarde van ver onder het nulpunt vond ik bondgenootjes. Ik was nu in ieder geval niet de enige die nergens bij hoorde en zo hoorden we een beetje bij elkaar. Het gaf wat lucht in de verstikkende schooldagen. Het pesten hield aan, er waren nu meer schouders die het droegen. En zo had ik zelfs vriendinnen. De laatste schooldag van groep acht viel iedereen elkaar huilend in de armen. Ik heb geen traan gelaten. Mij zou dit nooit meer gebeuren. Mijn tijd kwam nu, herhaalde ik de woorden van mijn moeder terwijl ik met opgeheven hoofd het klaslokaal verliet. Mijn toekomst tegemoet. Als vrolijk, zelfverzekerd meisje. Met vast ook borsten. En anders maar niet.

Ik had het geluk dat dit lukte. Toeval. Want ik zal me niet stoerder voordoen dan ik ben: ik kijk nog steeds weg als ik die meiden tegenkom. En dan heb ik weer dat zenuwengevoel in mijn buik. En ben ik, volwassen, zelfverzekerde vrouw zomaar even dat kleine, blonde, onzekere meisje. Er zijn verhalen duizend keer zo erg en vele jaren langer. En op mij maakte dit al een onuitwisbare indruk.

Even heel iets anders

Morgen is mijn moeder jarig.

Het gekke met verjaardagen, vind ik altijd, is dat je er zelf zo weinig aan hebt. Vooral gedoe: boodschappen, mensen uitnodigen, straks komt er niemand of heb ik juist te weinig wijn en worstjes. En dan zo’n avond zelf: als ome Henk nou maar niet met buurman Dolf gaat kletsen want hij stemt links en hij heel rechts. Laat tante Dora nou alsjeblieft niet zoveel drinken als de vorige keer toen ze voor de deur vol op haar gezicht op de stoeprand belandde en we een ambulance moesten bellen terwijl we haar tanden uit het mos opraapten en hoe reageer ik godsnaam op het cadeau van vriendin Esther die vast weer aankomt met één of ander Kama Sutra boek alleen om blozen uit te lokken nog van die ene keer dat ze van ons een eetbaar slipje kreeg op haar Christelijke vrijgezellenfeestje. Wisten wij veel.

Toen ik klein was, kreeg ik vrij weinig mee van dit soort verjaardagsdynamiek. Hoogtepunt voor mij en mijn zusje (en incidenteel aangehaakte buurkindjes) was altijd ‘Het Optreden’. We legden zonder gene het verjaarsgedruis stil om een uit den treuren gerepeteerd toneelstuk op te voeren. Of dansje. Inclusief verkleedkleren en schmink. Mijn moeder liet dit altijd rustig begaan. Een paar minuten. Dan kwam er luid applaus en gejoel (vaak al voor het echt afgelopen was, trouwens). Wij voelden altijd nog wel voor een tweede bedrijf, maar die kwam er zelden. Want het was een verjaarspartijtje, geen revue. Aldus mijn moeder.

Toen ik ouder was, liet ik de optredens achterwege. Hielp ik met de boodschappen en dronk een wijntje mee. Suste ik ruzies tussen ooms en buurmannen, belde ik op tijd een taxi voor tante Dora en liet iedereen glunderend het Kama Sutra geschenk van Esther zien. Dat laatste was misschien inderdaad niet zo netjes.

Morgen is mijn moeder jarig. Zou ze dat in ieder geval zijn. Maar in plaats van een optreden in oude trouwjurk met klamboe als sluier, speel ik de scene van de dankbare dochter. Ik hoef er niet heel erg mijn best voor te doen. Er is genoeg om dankbaar voor te zijn. Immers. Maar de stilte van een verjaardag die niet gevierd kan worden, is redelijk hard. Toch proost ik maar. Op zesenvijftig jaar prachtig leven, zoals ze het zelf zei. Op heel veel optredens van mijn dochter in mijn oude trouwjurk op heel veel van mijn verjaardagen. Op heel veel slechte cadeaus van wraakzuchtige vriendinnen. En sta ik zo min mogelijk stil bij het feit dat ik bijna dertig word. En dat dertig wel heel dicht bij 56 ligt. Namelijk over de helft.

Niet om heel dramatisch te doen, maar zesenvijftig verjaardagen vind ik gewoon wat aan de krappe kant. Daar hadden er prima wat bij gemogen. Maar goed, als je er dan maar zesenvijftig hele goede hebt gehad. En volgens mij is dat zo. Aan de optredens heeft het in ieder geval niet gelegen.

Een sterfdag aan zee

‘Kijk Emily, daar achter die hoge heuvel is de zee.’ ‘Jaaaa! Zeeeee! Kom, mama!’ Hand in hand beklimmen we het trappetje naar de top van de dijk. Het is warm. Grote witte wolken drijven statig in de blauwe lucht, maar laten de zon met rust. Bij iedere trede roept Emily ‘zee zien’. Ik doe mee.

Bovenop de dijk houden we elkaars handen stevig vast en kijken in stilte uit over kilometers eb. Geen zee. Alleen een boel bodemmodder.

‘Zee nou?’ vraagt Emily. Ze kijkt naar me op door haar rood-wit gestipte zonnebril, trekt haar schoudertjes vragend op en wacht op
antwoord. Tja. Ik ben zelf ook wat verbaasd. Hier had ik geen rekening mee gehouden. ‘Kijk, koeis!’ De teleurstelling is van korte duur en nog steeds hand in hand wandelen we naar een klein weitje.

Na een korte ontmoeting met ‘vijf koeis’ en twee ‘paatjes’, zitten we op een betonnen piertje. Emily op mijn schoot, pop Lisa op haar schoot. Er ontsnappen tranen. Bij mij.

‘Mama drietig?’ ‘Ja. Mama beetje verdrietig.’ ‘O.’

‘Ik zal het uitleggen’ begin ik. Dit wordt wat improviseren. Ik broed al een tijdje op een charmant, lief, kindgeschikt verhaal over waar de dode mensen blijven. Met weinig succes. Ik kijk naar boven. ‘Weet je wie er in de wolken woont’ vraag ik. Emily kijkt ook naar boven. ‘Oma woont in de wolken.’ Het is bijna alsof ik haar kan zien zitten. ‘Oma woont in de wolken en ‘s avonds doet ze daar het licht uit. Dan wordt het overal donker. Daarna doet ze de maan aan. En daarna één voor één alle sterretjes.’ Ik ben even stil. Emily ook.

‘Nou. Oma heeft het prima daar. Maar mama vond het ook heel fijn toen ze nog gewoon hier beneden woonde. Daarom is mama vandaag een beetje verdrietig.’

‘O.’ Ze tuurt in de verte. We zijn weer stil.

Dan kruipt Emily van mijn schoot.  Pop Lisa wordt zorgvuldig met uitzicht op de modder neergezet. Ze staat op, loopt een paar meter terug en gaat op haar buik liggen. ‘Emily even poepen hoor.’

Mijn dochter gaat even over tot de orde van de dag. Het wisselt tranen in voor een uitgelaten lach. Bij mij. En daar boven in de wolken waarschijnlijk ook.

Wat de mensen zeggen

20120825-175424.jpg

Mensen zeggen dan dat “het een plekje moet krijgen”. Dat “het wel slijt”. Nieuws: het slijt niet en er is geen plekje voor.

Ik durf best te zeggen dat ik dat hele doodgeweld ernstig heb onderschat. Iedereen gaat immers dood. Alle ouders gaan dus ook dood. Er gaan iedere dag mensen dood. Planten gaan aan de lopende band dood (bij mij althans). Dood is de normaalste zaak van de wereld.
Dus niet piepen. Genieten. Straks ben je zelf dood.

Nog meer nieuws: die strategie werkt niet.

Want dat doodgeweld sloeg een gat in mijn hart. Het stal mijn veiligheid. Rekende af met mijn idee dat alles altijd ergens goed voor is. Maakte dat ik alle vertrouwen in alles verloor.
Het nam niet alleen twee prachtige mensen weg. Maar ook hun geschiedenis, verhalen en herinneringen. En daarmee die van mij.

Dus ik doe aan piepen tegenwoordig. En geef prima toe dat het doodgeweld, het missen, het wees zijn en het verliezen een drama is van ongekende omvang.
Nieuws: dat werkt veel beter. Zo kom ik er wel.

Het is dan ook niet zozeer ‘het’ dat ‘een plekje’ moet krijgen, volgens mij. (Ik ben uberhaupt wel benieuwd hoe dat zou werken. Dat je op een ochtend wakker wordt en denkt ‘goh, eindelijk, plekje gevonden. Dan kunnen we nu stoppen met janken.’)

Nee. Ik. Ik moet een plekje krijgen. In dit nieuwe verhaal. En dat lukt me ineens veel beter nu ik gewoon maar even toegeef dat het onnoemelijk kut is. En dat dat prima is.

Of het uiteindelijk slijt, dat weet ik niet. Ik denk van niet. Maar ik hou jullie op de hoogte.