Even vallen

 

Vluchten. Ik ben er goed in gebleken. Vluchten voor verdriet, vooral. Vluchten voor gemis, ook. Onvermoeibaar verstop ik me al jaren voor veel van wat hoort bij verliezen wat je lief hebt. Liever dan lief, zelfs. Maar soms lukt het even niet.

Ik zit op het klamme gras van een stukje groen naast een ringweg. Je weet wel; dat het gras niet nat is maar wel vochtig en dat je dat dan langzaam je billen en benen voelt bereiken. Omdat de zon schijnt, maakt het niet uit. De fles champagne helpt ook. Het is een gekke plek waar we zitten, gewoon zo’n loze groenstrook tussen weg en industrieterrein. En daarom toeteren en zwaaien mensen. Ze zien een verliefd stel, genieten van Franse zon. Ze zien niet dat ik huil. Ze zien niet dat ik val omdat ik stopte met vluchten voor even.

Eerder die week staken we een kaarsje aan in een Franse kathedraal. Het was er koud en bombastisch groot. Ik wilde al langer graag een kaarsje aansteken voor mijn dode ouders, maar ik weet nooit goed hoe kerken werken en ik ben altijd bang dat ik iets doms doe. Hier stonden gelukkig instructies bij; één euro vijftig in het bakje voor een klein kaarsje, drie euro voor een grote. De stilte, het kaarsje, de levensgrote Jezus, een hele korte flits van de gezichten van mijn ouders. En dan de tranen die ik al wegslik voordat ze er zijn. Ik kan niet huilen. Het is te veel.

Op die stomme groenstrook met klam gras leg ik het uit. Dat huilen voelt als vallen in een zwart gat waar geen einde aan komt. Dat missen precies hetzelfde voelt. Als oneindig vallen, want er is geen oplossing. En dat vallen, dat vallen is eng. Daarom voorkom ik dat liever.

Zo ben ik al jaren bezig met niet vallen. Zo lang ik wegblijf bij dat zwarte gat is alles te overzien. Soms lijkt het zelfs even alsof het er niet is. Het is als wegrennen voor een grote golf. Maar dat de golf je niet bereikt omdat je toevallig sneller bent, wil niet zeggen dat er geen golven zijn.

En daar val ik even, op het klamme gras. Ik ben het vluchten moe, dan maar dat zwarte gat in. Ik kan niet meer. Ik zie het wel.

Vrolijke Fransen zwaaien. Een ambulance seint met blauwe lampen. De champagne bubbelt maar door. Ik val, ik viel, maar ik ben er nog. Tranen bleken vanzelf te drogen en het zwarte gat bleek minder oneindig dan ik dacht. Op het mooiste stomme stukje groen naast een ringweg.

 

vallen2

Alles gebeurde

Mam, de Bijenkorf stopt met de Drie Dwaze Dagen. Het was zelfs op het nieuws. En ik dacht aan je. Aan de boekjes op de keukentafel en het verlanglijstje dat je maakte, vroeger. Zelf had ik er niet zoveel mee, behalve dat ik het lippenstiftdoosje met spiegel dat je er ooit voor me kocht nog altijd elke dag bij me draag. En steeds weer bedenk hoe ik je nooit heb terugbetaald. Sorry nog.

Ja mam, alles verandert. Toen je nog maar net dood was, dreigde Nederland de finale van het WK te winnen. We keken met z’n allen in jouw woonkamer, op jouw bank. Het greep me aan, want Nederland Wereldkampioen; dat had je moeten meemaken. Helemaal nadat je een keer een glazen pui verbrijzelde toen je na een goal al juichend veel te enthousiast de tuin in wilde rennen. Ze zijn in het ziekenhuis uren bezig geweest om het glas met pincet uit je gezicht te peuteren. Alleen daarom al was het niet de bedoeling dat er deze geschiedenis zou worden geschreven zonder jou erbij. Ze verloren, mam. Ik was er blij mee. Als enige, maar met goede reden. Mijn eigen kleine overwinning: dit bleef in ieder geval zoals het was.

Maar goed, mijn wens dat alles bleef zoals het was had natuurlijk een beperkte houdbaarheid. Er is zoveel anders dan toen. Mijn leven. Nieuw leven. De wereld. Nieuwe rampen, nieuw geluk. Alles gebeurde.

Je huis is verkocht, bijvoorbeeld. Ik werd er niet geboren en ik heb er niet gewoond. Ik heb je er zien sterven. Dat maakt dit huis een van de meest heilige plekken die ik ken. Ik weet dat het goed is, maar toch. Het gebeurde.

Alles gebeurde. En gebeurt.

En zo moet het ook gewoon. Willen dat alles hetzelfde blijft uit zelfbehoud, omdat missen zo pijnlijk is, is op z’n zachtst gezegd wat egoïstisch. Dus ik stop met dat zelfbehoud. Want ik weet dat als ik er niet meer zou zijn, ik zou willen dat alles bleef gebeuren. Vooral: dat de mooie dingen blijven gebeuren. Dat er geluk wordt nagejaagd, liefde wordt gevonden en gekoesterd. Dat er wordt verhuisd, geleerd, gereisd, genoten. Geleefd.

En omdat we vreselijk veel op elkaar lijken, durf ik wel aan te nemen dat jij er net zo over denkt. Hetzelfde gunt. Dus probeer ik verandering tegenwoordig te omarmen.

Behalve dan het stoppen van de Drie Dwaze Dagen. Belachelijk.

Ik ben zo blij dat je er was

Ik ben blij dat je me hebt leren zien dat alleen nu en vandaag belangrijk is. Dat je moet kijken naar de dingen die je hebt en niet naar de dingen die je niet hebt. Dat het leven een groot avontuur is.

Lieve, lieve mama, ik ben blij dat jij mijn mama was. Ik ben blij dat je was zoals je was. Ik ben zo blij dat je er was. 

Dit zei ik jou bij jouw afscheid, want ik dacht dat je dat mooier zou vinden dan gevloek over het feit dat je dood was. Bovendien meende ik het. Je levenslessen neem ik nog steeds elke dag ter harte, zo goed als ik kan.

En vandaag dacht ik dat het wel zou gaan, allemaal. Ik stond anders op dan eerdere jaren. Minder zwaar en minder verdrietig. Ik dacht: misschien omdat ik gister tot laat jouw lievelingsnummer heb meegezongen. Of omdat ik heel liefdevol werd vastgehouden vlak nadat ik wakker was. Of misschien was voor het zesde jaar jouw sterfdag herdenken wel gewoon makkelijker dan de jaren daarvoor en krijgen dingen dus wel echt een plekje. Ik heb het dapper geprobeerd, maar wederom blijkt: ik kan het niet zo goed, deze dag.

Want ik mis je elke dag en elke dag meer. En op vandaag het meest. Want nu zijn er weer 365 dagen die jij hebt gemist. En die je nooit had willen missen. 365 dagen die je ten volste tot je had genomen als je er nog was geweest. En dat zes keer. Want zes jaar.

Stel dat ik je nog eens zou kunnen spreken of zien, dan zou ik je nooit meer kunnen bijpraten over die 2109 dagen. Over de minstens 22000 lachjes van je kleindochter die allemaal even mooi waren en de eerste echte lach van je kleinzoon waar je helemaal van in het weke zou zijn geraakt, geloof me. Over de vragen die ik had en de antwoorden die ik vond. Over de dingen die ik meemaakte van goed tot slecht tot fantastisch en alles daartussen. Over alles dat je hebt gemist. En ook: alles dat ik heb gemist. Want wat hadden we nog veel kunnen meemaken.

Ik blijf bij mijn woorden: ik ben zo blij dat je er was. Zoals je was. Maar ik vind ook het onbeschrijfbaar verdrietig dat je er niet meer bent. En dat vind ik vandaag een beetje extra. Dat is toch ook leven in het nu en vandaag? Morgen is weer een nieuwe dag, toch? Mam?

Dag 1 van jaar zeven maar even zo goed weer een nieuw avontuur. Want dat is het leven. En daar gaan we voor. Elke dag.

Dank je, lieve, lieve mama. Voor dat je er was.

 

 

Stilte

grootverdrietHet gekke van verdriet: het komt op heel vreemde momenten. Zomaar.
Groot Verdriet huist in kleine dingen.

Zo herinner me ik dat ik vlak na het overlijden van mijn vader op de fiets zat en met tegenwind een hoog viaduct op moest. Als ik me niet vergis, regende het ook nog. Ik werd vliegensvlug ingehaald door een ambulance met loeiende sirenes. Het gele gevaarte zoefde voorbij en het lawaai van de toeters en bellen sloot al het andere geluid af. Ik stapte af en keek de ambulance na. De wind joeg de tranen over mijn wangen. Ik wilde gillen. Hoezo flitsten deze levensredders naar een man of vrouw in nood terwijl er voor mijn stervende vader niet eens een arts werd gebeld? Er werd in stilte afgewacht door de nachtverpleegkundige. Niet ingegrepen om de dood weg te houden.

Dit was natuurlijk valse verontwaardiging van mij; mijn vader was niet meer te redden. Zo zachtjes mogelijk sterven was het doel. Het was volledig inhumaan en bovendien kansloos geweest om in te grijpen, anders dan hem gerust te stellen. Mijn vader ging gewoon. En hij werd laten gaan omdat het niet anders kon. Maar die tragiek kwam op dat viaduct even heel hard binnen. Niet te redden. Niet de moeite van het sirenen waard.

Sinds toen trek ik het geluid van sirenes een stuk minder dan voorheen.
Ik denk onwillekeurig altijd even aan papa in het thuiszorgbed en zijn gedwongen overgave.
Groot Verdriet huist in kleine dingen.

Alles heeft zin

mama“Oma Margreet is vandaag jarig. Dus gaan we vanmiddag een taartje eten.”
“Maar Oma Margreet is toch dood?”
Mijn vierjarige dochter heeft geen probleem met het benoemen van de dingen die waar zijn.
“Dat klopt, maar toch kunnen we haar verjaardag vieren.”
“Wie blaast het kaarsje dan uit?”
“Dat mag jij doen.”
“Yessss.”

In de supermarkt kiest zij de taart en vertelt ze aan iedereen die het wil horen dat het taart is voor dode oma Margreet en dat zij het kaarsje uit mag blazen. Als we daadwerkelijk aan tafel zitten met taart en kaarsjes, wil ze toch liever My Little Pony kijken. Ik vertel haar dat we dat niet doen. Dat we taart eten en denken aan oma Margreet. Niet aan valszingende ponies met vleugels. Ze vindt het goed. Dus gaan we denken aan oma. Aan mijn moeder die vijf jaar geleden overleed en 61 geworden zou zijn.

Ik heb mijn beide ouders praktisch zien sterven. Ik heb hun angst gezien en de dood van heel dichtbij gevoeld. Geen mooi gezicht. En in de periode daarna vroeg ik me steeds maar af wat het leven nou eigenlijk voor zin had. Vrij vermoeiend. Bij de kassa in de supermarkt, wachtend in de file, tijdens het lakken van mijn nagels. En nog veel vermoeiender: ik concludeerde steeds hetzelfde. Waar zijn we mee bezig? Waar ben ik mee bezig? Rennen, vliegen, werken, carrière, geld, feestjes. Waarvoor? Allemaal voor niks. Om uiteindelijk doodziek in een vreemd bed weg te kwijnen en kwijt te raken. Leegte achterlatend. Niet bepaald een geruststellende of motiverende gedachtegang.

Tot laatst. Toen ik het ineens begreep. Tijdens het bakken van pannenkoeken, nota bene. Wat het leven voor zin heeft omdat je toch dood gaat? Dat. Dat was de zin. Alles daarvoor. Alles voor dat moment heeft zin. Hier, nu. Het punt is dat je doodgaat. En dat het maar beter afscheid nemen van een rijk leven betekent. En dan bedoel ik niet rijk als in geld. Dan bedoel ik rijk aan belevenissen. Herinneringen. Rijk als in de indrukken die je maakte op anderen. Hoe anderen indruk op jou maakten. De liefdes die je had. Ook de ruzies die je maakte. Alles. Eigenlijk heeft alles gewoon zin.

Sindsdien leeft het een stuk lekkerder. En, belangrijk; het herinnert het een stuk lekkerder. Het denken aan mijn doden vond ik zwaar. Het ging gepaard met een gevoel van plaatsvervangende spijt. Spijt dat het geen zin zou hebben gehad, dat leven. En dat had het dus wel. Alles wat we mee hadden gemaakt, hadden we meegemaakt. Dat neem ik mee, dat geef ik door. Leven heeft heel erg veel zin.

En het denken aan het leven van de doden heeft net zoveel zin. Dus die middag dachten we aan oma Margreet. En niet aan haar dood, maar aan haar leven. Met twee moorkoppen, een kaarsje en een fles bubbels. Ik vertelde, mijn dochter luisterde. En andersom. Een mooi moment waarvan ik me toen voornam dat veel vaker te doen.

Gewoon even lekker zitten en denken. Herinneren. Aan al die dingen die zin hebben. Want alles heeft zin.

 

Deze column schreef ik voor het programma Hemelbestormers op Radio 2. Je kunt het terugluisteren op hun website.

Lieve mama

mamaHet lijkt gister en het lijkt tien jaar geleden. Hypnotische stervende ademhaling in de schemer. Als ik toch had geweten dat de laatste uren je laatste uren waren, dan had ik toch hele andere dingen gezegd? Dan had ik toch nog op de valreep gevraagd of je wel trots op me was, of ik het wel ging kunnen? Alles. Dan was ik nog naast je gaan liggen. Dan had ik veel meer kussen gegeven dan die laatste. Dan had ik nog gezegd hoe blij ik was, ben. Met zo’n moeder. Dan had ik toch je ogen veel beter bekeken en aan je haar geroken en had ik je hand niet losgelaten? Had ik aan één stuk door gefluisterd ikhouvanjeikhouvanjeikhouvanje. Was ik veel royaler geweest met de jaloersmakend lekker ruikende Dior crème toen je me vroeg je gezicht in te smeren. En had ik er veel langer over gedaan. Ook.

Als ik wist dat de laatste dagen je laatste dagen waren, was ik niet meer naar huis gegaan. Had ik mijn hoofd niet meer van je schoot gehaald. En je gevraagd niet te stoppen met het kriebelen door mijn haar. En als ik wist dat de laatste jaren je laatste jaren waren. Dan had ik zoveel niet gezegd. En zoveel wel gedaan.

“Achteraf kijk je een koe in de kont.”
Dat zou jij dan zeggen.
“En daar doen wij niet aan.”
Had ik dan gezegd.

 

Lieve mama. Ik mis je gewoon.

 

 

Als je haar maar goed zit

Zo goed en zo kwaad als het gaat, zit ze rechtop. Benen over elkaar, haar handen op haar buik. In de woonkamer met de deuren naar de tuin nog net een beetje open. Want zelfs in de schaduw van de parasol is het niet uit te houden zomer, aldus mama. Of misschien was wat nu kwam niet bedoeld voor de buren. Of voor buiten überhaupt. Ze geeft korte, krachtige instructies: “jullie doen mijn make-up. Precies zoals altijd, ik wil er uitzien zoals ik was.” Er ontbreekt een inleiding en een aanleiding. Een directe, althans. Ik laat niet merken dat het me overvalt, deze plotselinge confrontatie met straks. Het is bijna zakelijk, alsof er nog een vergeten boodschap gehaald moeten worden. Dan hebben we dat ook maar gehad. Ik beloof alles. Dan volgt er nog een belangrijk punt: “Ik wil naar de kapper” klinkt het resoluut.  Ze kan nog amper lopen. Van de bank naar de tuin, nog net naar de w.c. op de eerste verdieping.  “Tuurlijk. Doen we. Vrijdag, ik maak nu een afspraak. Ik ga met je mee.” Ik ben blij met de overgang van later naar nu. We lachen erom. Want we snappen ook wel dat het een beetje futiel is. Maar ja, aan het leven verandert kennelijk niet zoveel als je weet dat je doodgaat.

“Knippen en kleuren?””Ja. Knippen en kleuren.”

Voorzichtig help ik haar die vrijdagochtend in de auto. Daas van pijn en morfinemisselijkheid, maar opgewekt door dit laatste ritje naar Maryam, haar krullenkunstenares, zit ze uiteindelijk naast me. Ze is zo uitgeput dat ze zelfs haar eeuwige “pas op, een fietser” of “heb je het knipperlicht wel aan” achterwege laat. We rijden richting centrum. “Ik weet nooit precies welke straat het is” zeg ik. “Ik ook niet.” De stad waar we al ons hele leven wonen, samen zo’n tachtig jaar, en we weten de weg niet. Dus we rijden drie rondjes om dezelfde straat. Mij breekt het zweet uit en zij heeft het koud. Gelukkig hebben we ook gemeen dat we altijd overal komen, hoe verdwaald ook. Uiteindelijk zet ik de auto midden op de smalle straat stil en loop om de auto om haar deur te openen. Achter ons toetert een gefokte DHL chauffeur. Zonder na te denken steek ik mijn middelvinger op. Volledig out of character, ik kan me niet herinneren dat ik dat ooit eerder deed en het meende. “Mink, wat doe je” verschrikt mijn moeder. “Mongool” fluister ik. Ze lacht geniepig als ze uitstapt. En giechelt zachtjes als ze zich met twee handen aan mijn arm klemt.  Hij toetert nog een keer. En wij strompelen inmiddels hikkend van de lach bij de kapper naar binnen. “Ik zet de auto even weg voor de mongool, doe ik boodschappen en kom ik weer terug. Niet weggaan hè ” knipoog ik.  “Pas op, anders pies ik nog in mijn broek.”

Als ik terug kom, zit ze te glimmen in de kappersstoel met de folies nog in haar haren. Ze vertelt dat ze, terwijl de kleur moest intrekken, buiten een sigaret wilde roken. Maar ja, ze kon natuurlijk niet meer staan, dus had Maryam haar compleet met stoel, kappersmantel, folies, koffie en een sigaret  in de drukke winkelstraat gezet. Twee Duitse vrouwen hadden vervolgens verrukt gereageerd op deze verschijning, hadden geroepen  dat Groningen echt zo’n fantastische stad was dat dit allemaal kon en vervolgens gevraagd of ze haar op de foto mochten zetten in deze entourage. Mijn moeder, niet vies van aandacht en wars van gêne, had gezegd dat het mocht. De Duitse dames waren vrolijk verder gelopen na het kiekje, mijn moeders e-mailadres op zak om het resultaat later op te kunnen sturen. Wat niemand wist, maar ik wel vermoedde, was dat dit de laatste foto van mijn moeder in leven zou zijn. Een klein uurtje later werd mijn moeder ontslagen uit de kappersstoel met uitgroeivrije rode krullen in drie verschillende tinten. Een perfect kapsel, vonden we allemaal. Tevreden sliep mijn moeder de rest van de dag. Uitgeput door alle inspanning.

Zes dagen later kijk ik toe hoe de lijkenvisagiste met een krultang mijn moeders prachtige haar te lijf gaat. Want als je doodgaat, verdwijnen de krullen bijna direct. Leerde ik toen. Verval heeft kennelijk bizar veel haast. Zo bleek later dat nagellak niet pakt op overleden nagels en dat gewone make-up niet opgewassen is tegen lijkkou.

Bij het checken van mijn moeders mail, drie dagen later, vind ik de foto van de Duitse dames. Ze had er als een ware diva bij gezeten, daar op straat. Op de foto lacht ze uitgelaten, trots. Ik had gelijk gekregen: de laatste foto in leven. Precies zoals ze was.

Altijd blijven lachen

Diepe hap lucht. Vasthouden. Rustig uitblazen. Niet voelen hoe warm ik het heb. Hoe zweet op mijn rug prikt. Als ik maar hard genoeg kijk naar mijn handen, trillen ze niet. Toch druk ik mis. Mijn vingers lijken ineens te groot voor te kleine nummertoetsjes. De negen wordt een acht. Er verschijnt een nul teveel. Een uitgeputte kronkel van een doodziek lijf.  “Het doet zoveel pijn” denk ik dat hij zegt. “Godverdomme” klinkt zacht uit het bed.
Eindelijk heb ik de nummertjes goed. Ik doe mijn ogen dicht. Mijn stem mag niet trillen. Geen twijfel. Niet bang. Niet alsof er iemand ieder moment dood kan gaan. Niet aan denken.  “Ik bel voor mijn vader.”  Te breekbaar.  Voorzichtig ga ik op het bed zitten. Leg mijn hand op zijn rug.  “Hij is bekend bij jullie.”  Ik noem naam en geboortedatum. Dag en maand. Het jaar weet ik niet.  “Hij is net 60 geworden.” Gelukkig doet ze niet moeilijk. “Ah ik zie het. Gaat het niet goed?” Onder mijn hand verkrampt zijn lijf. “Hij heeft pijn. Veel pijn. Daar moet nu iets voor geregeld. Hij kan niet meer slikken. Dus neemt zijn medicijnen niet meer.” Of ik weet welke medicijnen. Ik sta op. Loop naar de kast bij de computer waar witte apotheekdoosjes staan. Daarnaast een asbak met een gedoofde joint. Ik noem onuitspreekbare medicijnnamen. Zij vat het samen. “Die medicijnen zou ik vergeten. Ik stuur iemand langs voor pijnstilling.” Ik bedank. Hang op. Loop terug naar het bed. Fluister vlakbij zijn oor dat de dokter komt.

“Dank je. Zullen we even zitten?” Zijn ogen staan helder. Als in slow motion komt hij overeind en gaat staan. Zelfs voorovergebogen is hij langer dan ik. Hij leunt op een oudemannenwandelstok. Zijn grijze trui is nat van het pijnzweet. We strompelen samen naar de bank. Hij kreunt als hij gaat zitten. “Zitten we dan.” De zon glimt wat schijterig naar binnen. “Ja, pap.” Hij pakt mijn hand. Grote handen. Dikke vingers. Eelt prikt. Ik knijp. Zacht. “Er is een verpleegster. Ze komt straks weer.” Er verschijnt een hele kleine glinstering in het grijsblauw van zijn pijnogen. “Ze heeft zo’n dikke reet, geloof je nooit. Blijf tot ze er is. Moet je zien.” Voor ik het weet lach ik hardop. En harder. En hij. Tot er tranen over onze wangen dansen. “Auw, auw” kreunt hij. “Eigen schuld met je grappen.” Zo zitten we. Tot hij niet meer kan. “Ga maar slapen. De dokter komt vast zo.” Hij doet het. Ik sta naast het bed en kijk naar de man van zestig in foetushouding. Geliefd, gedanst, gedronken, geneukt, gebruikt, gevaren, gelachen. Geleefd.

Ik tril. Nog van de aanblik twee uur eerder. Drie maanden had ik hem niet gezien. Tot hij mailde: “met papa, kom je langs?” En ik kwam langs. Ik dacht om te praten. In de eerste blik wist ik van niet. “Het is goed, papa” fluisterde ik. Want zo was het.

Ze heeft pianohanden. Sierlijk en fijn. Rechts draagt ze een dunne gladde ring. Ik denk een trouwring. Links drie groene steentjes om haar middelvinger. Korte nagels met een doorzichtige lak. Geroutineerd prikt ze. Watje. Pleister. “Dit spul werkt snel.”

“Pap, ik moet gaan. Dit spul werkt snel. Je slaapt vast heerlijk. Zie je morgen.”

Twee uur later. Schemerkamer. Foetushouding, nog steeds. Een ijskoude, dode, grote hand met dikke vingers in die van mij. Ik kan niet kijken naar zijn ogen, zijn gezicht. Genadeloze dood. Dus ik kijk de kamer in. Waar de verpleegster net bukt.

Inderdaad een gigantische reet.

En ik glimlach door mijn tranen heen.

Duizend vlokjes

Ik rits haar groene jas dicht. Doe voorzichtig haar witte wollen muts op zodat haar vlechten niet uiteenvallen. Sjaal. Handschoenen. Haar skibroek is wat te groot waardoor ze een beetje waggelt als ze naar de fiets wandelt. Ze tilt haar beentjes hoog op en zet ze stevig neer in de centimeters verse sneeuw. Ik glibber op mijn hakken achter haar aan. Stevig vastgesnoerd in haar fietsstoeltje gaan we op weg. Naar de crèche en mama werken. Er vallen nog wat verloren vlokjes. De trappers zijn nog niet drie keer rond geweest. Ik glibber weg. Ik kan net voorkomen dat we omvallen. Er is geen sneeuw geschoven, er is niet gestrooid. Misschien als ik de straat uit ben. Ik wandel met de fiets aan mijn hand. Het gaat harder sneeuwen. Emily zegt dat ze het koud krijgt. Ik heb het zelf ook koud.

“We kunnen zo wel fietsen, vast.” We zijn samen stil. Ik had geen topochtend. Drie dagen ziek geweest en zorgen die zich opstapelden terwijl ik koortsig naar het plafond lag te staren. Ondanks de allesverzengende hoofdpijn toch maar besloten te gaan werken. Gedachten verzetten. Het plafond vloog me aan. Stap, stap, stap. Zelfs lopend glibberen we steeds weg. “Ik wil naar binnen, mama.” Ze huilt steeds harder. Ik wil ook wel naar binnen. Voor ik het weet, huil ik mee.

Eigenlijk heb ik het nooit. Het gevoel dat het leven een hele dikke middelvinger naar me op steekt. Wat er ook gebeurde. Wie er ook dood ging, bijvoorbeeld. Gek genoeg nu wel. Recht in mijn gezicht word ik uitgelachen. Alsof het niet genoeg was. Alsof het nooit genoeg is. En dan: “Godverdomme!!!” En niet binnensmonds. Niet zachtjes. Zo hard als ik kan. Veel te hard. Niet bepaald pedagogisch verantwoord. Niet bepaald chique. Helemaal niet omdat ik vlak voor een kerk blijk te staan. Heb ik weer. Ik sta stil en denk dat ik het opgeef. Emily kijkt me geschrokken aan.

Ik kijk omhoog naar de vlokkende lucht. Van boven heb ik na deze actie niet heel veel meer te verwachten, ben ik bang. Als God al bestaat, ben ik nu voorgoed van het lijstje potentieeltjes geschrapt. En het kan me niet eens schelen. Karma, erfenis uit een vorig leven, een zieke vloek, domme pech. Whatever. Ik vind gewoon dat ik mijn portie wel heb gehad. Kutsneeuw. Ik heb mijn best gedaan. Niet bij de pakken neer, niet opgeven, niet boos zijn, niets oneerlijk vinden, achter de wolken. Van dat. Alles heeft een reden. In alles schuilt een les. Blabla. Ik ben er klaar mee. Laat maar zitten. Ik blijf hier staan en sneeuw wel in.

Twee minuten, denk ik. Het duurde twee minuten. Dat ik opgaf. Er was niemand op straat. Het was stil. Het waren Emily en ik en duizend vlokjes. Twee hele minuten.

Ik zie hoe traantjes vormen in de prachtige blauwe ogen van mijn Emily. Hoe ze voorzichtig biggelen over haar rode wangetjes. Ik haal diep adem. Zuig de sneeuwkou zo diep mogelijk naar binnen. “Mama, waarom ben jij boos?” Ik pak haar hand. “Nou. Mama vindt de sneeuw even heel stom.” Ze snikt. “Maar dat ik zo vloekte, dat sloeg nergens op Em. En dat was ook niet leuk van mama. Sorry.” Ik kus haar voorhoofdje.

“Zeg. Ken jij ook een liedje over sneeuw?” Ze schudt haar hoofd van niet. “Dan is het denk ik tijd dat we er één verzinnen.” En zo lopen we. En zingen we. En lachen we om stomme sneeuwrefreintjes. De kou voelt minder koud en de weg lijkt minder glad. Het leven lacht toe in plaats van uit. Ik zag het even verkeerd. Kan gebeuren.

Alle dagen tellen

Wind tegen. Het rukt lokken haar uit mijn zorgvuldig samengestelde Grace Kelly rol. Het waait de tranen uit mijn ogen. Ik trap harder. Langs het water. Langs het grasveld waar vaak schapen staan in de zomer. Langs Emily’s creche. Bij het kruispunt sprint ik voor een auto langs. Hij toetert, ik zwaai. Ik kan daar altijd kiezen tussen het fietspad langs het water en de hobbelige klinkerweg langs een bedrijventerrein. Meestal kies ik de hobbelige weg. Nu kies ik het fietspad. Ik hoop op meer wind. Laat maar komen. Waai me maar.

Het is 30 december. Ik fiets uit de stad terug naar huis. Terug van eindejaarsgesprekken met een vriendin. Dat we een bizar 2012 laten voor wat het is en 2013 ons jaar wordt. Ik ben buiten adem van de wind. Stop met trappen. Ik slalom, net als vroeger, tussen de witte streepjes van het fietspad door. De wind wint. Zo lang mogelijk niet trappen, even helemaal niets doen. Kijken hoe lang dat lukt. Als je niets doet, val je om. Dat geldt bij fietsen. Ik dacht altijd dat het ook voor leven gold. Niets doen is stilstaan is omvallen. Op die gedachte kwam ik 2012 door: doen. Alles doen. Meer doen. Harder werken. Niet stilstaan, niet omvallen. Vasthouden.

Precies in het midden van het fietspad stap ik af zodat ik niet omval. Bijna middernacht, de lucht gitzwart en het gaat zachtjes regenen. Ik doe mijn ogen dicht.

Ik heb me vergist. Stilstaan is heerlijk.

 

 

2012: waarin mijn thuis een huis werd. Waarin mijn geschiedenis nieuwe toekomst ontmoette. Waarin ik dingen deed die ik doodeng vond. Waarin ik hard werkte, met succes. Het jaar waarin schrijven echt mijn hart vond. Ik voor het eerst hardop een droom uitsprak (en er een klein beetje bij bloosde). Een jaar van mooie ontmoetingen en bijzondere gesprekken. Een jaar met strijd en tranen, gelukkig ook van geluk. Het jaar waarin ik besefte dat missen niet overgaat, maar erger wordt. En ik niet bang hoef te zijn. Waarin mijn dochter soms harder wijsneusde dan dat ik hebben kon, grappiger was dan dat ik kon vermoeden en harder bleek te kunnen lachen dan dat ik voor mogelijk hield. Maar vooral het jaar waarin ze me elke dag liet zien hoe lief het leven is. En dat alle dagen tellen.

Want alle dagen tellen.

Even heel iets anders

Morgen is mijn moeder jarig.

Het gekke met verjaardagen, vind ik altijd, is dat je er zelf zo weinig aan hebt. Vooral gedoe: boodschappen, mensen uitnodigen, straks komt er niemand of heb ik juist te weinig wijn en worstjes. En dan zo’n avond zelf: als ome Henk nou maar niet met buurman Dolf gaat kletsen want hij stemt links en hij heel rechts. Laat tante Dora nou alsjeblieft niet zoveel drinken als de vorige keer toen ze voor de deur vol op haar gezicht op de stoeprand belandde en we een ambulance moesten bellen terwijl we haar tanden uit het mos opraapten en hoe reageer ik godsnaam op het cadeau van vriendin Esther die vast weer aankomt met één of ander Kama Sutra boek alleen om blozen uit te lokken nog van die ene keer dat ze van ons een eetbaar slipje kreeg op haar Christelijke vrijgezellenfeestje. Wisten wij veel.

Toen ik klein was, kreeg ik vrij weinig mee van dit soort verjaardagsdynamiek. Hoogtepunt voor mij en mijn zusje (en incidenteel aangehaakte buurkindjes) was altijd ‘Het Optreden’. We legden zonder gene het verjaarsgedruis stil om een uit den treuren gerepeteerd toneelstuk op te voeren. Of dansje. Inclusief verkleedkleren en schmink. Mijn moeder liet dit altijd rustig begaan. Een paar minuten. Dan kwam er luid applaus en gejoel (vaak al voor het echt afgelopen was, trouwens). Wij voelden altijd nog wel voor een tweede bedrijf, maar die kwam er zelden. Want het was een verjaarspartijtje, geen revue. Aldus mijn moeder.

Toen ik ouder was, liet ik de optredens achterwege. Hielp ik met de boodschappen en dronk een wijntje mee. Suste ik ruzies tussen ooms en buurmannen, belde ik op tijd een taxi voor tante Dora en liet iedereen glunderend het Kama Sutra geschenk van Esther zien. Dat laatste was misschien inderdaad niet zo netjes.

Morgen is mijn moeder jarig. Zou ze dat in ieder geval zijn. Maar in plaats van een optreden in oude trouwjurk met klamboe als sluier, speel ik de scene van de dankbare dochter. Ik hoef er niet heel erg mijn best voor te doen. Er is genoeg om dankbaar voor te zijn. Immers. Maar de stilte van een verjaardag die niet gevierd kan worden, is redelijk hard. Toch proost ik maar. Op zesenvijftig jaar prachtig leven, zoals ze het zelf zei. Op heel veel optredens van mijn dochter in mijn oude trouwjurk op heel veel van mijn verjaardagen. Op heel veel slechte cadeaus van wraakzuchtige vriendinnen. En sta ik zo min mogelijk stil bij het feit dat ik bijna dertig word. En dat dertig wel heel dicht bij 56 ligt. Namelijk over de helft.

Niet om heel dramatisch te doen, maar zesenvijftig verjaardagen vind ik gewoon wat aan de krappe kant. Daar hadden er prima wat bij gemogen. Maar goed, als je er dan maar zesenvijftig hele goede hebt gehad. En volgens mij is dat zo. Aan de optredens heeft het in ieder geval niet gelegen.

Een sterfdag aan zee

‘Kijk Emily, daar achter die hoge heuvel is de zee.’ ‘Jaaaa! Zeeeee! Kom, mama!’ Hand in hand beklimmen we het trappetje naar de top van de dijk. Het is warm. Grote witte wolken drijven statig in de blauwe lucht, maar laten de zon met rust. Bij iedere trede roept Emily ‘zee zien’. Ik doe mee.

Bovenop de dijk houden we elkaars handen stevig vast en kijken in stilte uit over kilometers eb. Geen zee. Alleen een boel bodemmodder.

‘Zee nou?’ vraagt Emily. Ze kijkt naar me op door haar rood-wit gestipte zonnebril, trekt haar schoudertjes vragend op en wacht op
antwoord. Tja. Ik ben zelf ook wat verbaasd. Hier had ik geen rekening mee gehouden. ‘Kijk, koeis!’ De teleurstelling is van korte duur en nog steeds hand in hand wandelen we naar een klein weitje.

Na een korte ontmoeting met ‘vijf koeis’ en twee ‘paatjes’, zitten we op een betonnen piertje. Emily op mijn schoot, pop Lisa op haar schoot. Er ontsnappen tranen. Bij mij.

‘Mama drietig?’ ‘Ja. Mama beetje verdrietig.’ ‘O.’

‘Ik zal het uitleggen’ begin ik. Dit wordt wat improviseren. Ik broed al een tijdje op een charmant, lief, kindgeschikt verhaal over waar de dode mensen blijven. Met weinig succes. Ik kijk naar boven. ‘Weet je wie er in de wolken woont’ vraag ik. Emily kijkt ook naar boven. ‘Oma woont in de wolken.’ Het is bijna alsof ik haar kan zien zitten. ‘Oma woont in de wolken en ‘s avonds doet ze daar het licht uit. Dan wordt het overal donker. Daarna doet ze de maan aan. En daarna één voor één alle sterretjes.’ Ik ben even stil. Emily ook.

‘Nou. Oma heeft het prima daar. Maar mama vond het ook heel fijn toen ze nog gewoon hier beneden woonde. Daarom is mama vandaag een beetje verdrietig.’

‘O.’ Ze tuurt in de verte. We zijn weer stil.

Dan kruipt Emily van mijn schoot.  Pop Lisa wordt zorgvuldig met uitzicht op de modder neergezet. Ze staat op, loopt een paar meter terug en gaat op haar buik liggen. ‘Emily even poepen hoor.’

Mijn dochter gaat even over tot de orde van de dag. Het wisselt tranen in voor een uitgelaten lach. Bij mij. En daar boven in de wolken waarschijnlijk ook.

Wat de mensen zeggen

20120825-175424.jpg

Mensen zeggen dan dat “het een plekje moet krijgen”. Dat “het wel slijt”. Nieuws: het slijt niet en er is geen plekje voor.

Ik durf best te zeggen dat ik dat hele doodgeweld ernstig heb onderschat. Iedereen gaat immers dood. Alle ouders gaan dus ook dood. Er gaan iedere dag mensen dood. Planten gaan aan de lopende band dood (bij mij althans). Dood is de normaalste zaak van de wereld.
Dus niet piepen. Genieten. Straks ben je zelf dood.

Nog meer nieuws: die strategie werkt niet.

Want dat doodgeweld sloeg een gat in mijn hart. Het stal mijn veiligheid. Rekende af met mijn idee dat alles altijd ergens goed voor is. Maakte dat ik alle vertrouwen in alles verloor.
Het nam niet alleen twee prachtige mensen weg. Maar ook hun geschiedenis, verhalen en herinneringen. En daarmee die van mij.

Dus ik doe aan piepen tegenwoordig. En geef prima toe dat het doodgeweld, het missen, het wees zijn en het verliezen een drama is van ongekende omvang.
Nieuws: dat werkt veel beter. Zo kom ik er wel.

Het is dan ook niet zozeer ‘het’ dat ‘een plekje’ moet krijgen, volgens mij. (Ik ben uberhaupt wel benieuwd hoe dat zou werken. Dat je op een ochtend wakker wordt en denkt ‘goh, eindelijk, plekje gevonden. Dan kunnen we nu stoppen met janken.’)

Nee. Ik. Ik moet een plekje krijgen. In dit nieuwe verhaal. En dat lukt me ineens veel beter nu ik gewoon maar even toegeef dat het onnoemelijk kut is. En dat dat prima is.

Of het uiteindelijk slijt, dat weet ik niet. Ik denk van niet. Maar ik hou jullie op de hoogte.

Bedankt voor alles

Vogels fluiten om het hardst. De tuinschuifdeuren staan open. Kindergegiechel vliegt binnen. Peutergeruzie. Zomergeuren, barbecuewalm. En het ronken van de lijkkoeling.

Naast mijn dode moeder. Voor het laatst met haar alleen. Ik zit op een hard rood stoeltje. Met mijn ogen dicht. Ik vouw mijn handen onder mijn bovenbenen. Mijn moeder is doder dan dood. Ze ligt hier al een paar dagen. Haar grootste angst was belanden in een uitvaartkoelcel. Maar het is zomer. De koeling redt het niet meer. Met de minuut wordt mijn prachtige mama doder.

Om de geur te verbloemen spray ik om het uur Chanel no. 5. Het helpt maar een beetje. Daar zit ik. Te negeren hoe dood vermengd met Chanel ruikt. Ik vind het eng. Het is doodst. Voorzichtig spiek ik door mijn wimpers.  Ik zie slappe lokken rode krul op het gele kussen. Haar handen rusten op haar buik. Ze draagt een lange jurk met honderden horizontale streepjes in blauw, rood, geel en groen. Haar gezicht heeft niets van de warmte die het had. Ik dwing mezelf te kijken. Het kan alleen nog maar nu. Ik zou willen dat mijn dochter keek. En niet bang was.

Heel plotseling open ik mijn ogen wagenwijd. Ik kijk. Ze is hier allang niet meer.

Dan landt er een grote zwarte bromvlieg op haar borst. Naar binnen gevlogen door de tuinschuifdeuren. Ik spring op en zwaai wild met mijn armen. Hij verroert zich niet. ‘Weg, weg’ gil ik hard. Vliegen en lijken gaan niet goed samen. Daar hebben ze nog voor gewaarschuwd. ‘Weeeeeeeeeg!’ Op mijn aller hardst.

De vlieg vliegt op. Ik zak terug op mijn stoel. ‘Sorry’ fluister ik onhoorbaar. Ik vond mijn paniek wat gênant. Met terugwerkende kracht.

De adrenaline maakt dat ik zonder te knipperen kijk naar het doodste gezicht. Ik zoek naar woorden voor dit afscheidsmoment. Dit is de laatste keer dat ik haar zie.

‘Bedankt voor alles’ fluister ik. Jezus, denk ik. ‘Bedankt voor alles?’  Dat is verdomme iets dat je zegt na een weekendje logeren bij vrienden. Niet na een leven. Ik meen het wel, trouwens. Ik zoek verder. Maar mijn moeder en ik, die nooit verlegen zaten om woorden, zijn uitgepraat. Alles is gezegd. Voor altijd.

‘Bedankt voor mij. En voor jou. En voor de rest’ probeer ik nog. Ik vind het er niet echt beter op worden, mijn tekst. Wat een gelul. ‘Dit is de laatste keer dat ik je zie. Het is goed zo mammie.’ Opgeven zit niet zo in mijn, onze aard. Het blijft gelul.

De kwetsbaarheid van de dood is niet te beschrijven. Ik wil haar hand pakken, een kus geven op het streepje lippen. Ik wil mijn hoofd in haar schoot leggen. Ik wil dat ze mijn haar kriebelt. Ik wil de wereld bij elkaar gillen, dat vooral.

De bel verbreekt het woordenvacuüm . Voor de deur staan twee verrookte mannen. Op een karretje een witte kist. De verrookte lijkenmannen hijsen haar in de kist. Deksel.

Ik kijk hoe ze de auto ingeladen wordt. Hoe ze respectvol langzaam, zoals alleen lijkauto’s dat kunnen, de straat wordt uitgereden. ‘Dank je mam. Ik hou van je.’ Ik fluister het zacht. Het klinkt al iets beter dan de tekst van net.  ‘Ik hou van je’ zeg ik wat harder. En daarmee ben ik uitgepraat.

1 traan per keer

Ik rouw met 1 traan per keer. En dat vind ik meer dan voldoende. Gierig zit niet zo in mijn aard, maar op de tranen ben ik heel zuinig. Ik moet nog een heel leven namelijk. Voor je het weet zijn ze op.

Dus zo af en toe ontsnapt er één. Wel vaak een hele dikke. Over mijn wang naar mijn hals. En soms verder naar beneden. Af en toe stort ‘ie van mijn kaaklijn op mijn borst. En laat dan een klein vlekje achter op mijn kleren. Het droogt weer op. Tranen verdampen vanzelf.

Ik kan me niet herinneren dat ik huilde. Vlak na. Wel de hardste vloek die men ooit hoorde. Een hartvloek. Van onmacht. Van ongeloof. Van boos. Het is nog geen seconde stil geweest. Daarna.

Ik rouw met 1 traan per keer. En ik blijf een beetje zuinig. Er is geen groter verlies dan dat je tranen opraken. Dus is 1 meer dan voldoende. Ik moet er nog een heel lang leven mee. En voor je het weet zijn ze op.