Buddy – lockdowndiaries, dag achttien

Het is 2 april 2020 en dag en dag achttien van het gevang zonder tralies. Echt heel veel geruster wordt de berichtgeving niet. Er wordt nog steeds veel gevraagd van een ieder en de zorg in het bijzonder. En er wordt nog steeds gespannen gekeken naar wat de wind gaat doen, hoe stevig de storm gaat zijn. En op straat lijkt het zo rustig. 

Vanavond deed ik een online schrijfworkshop. In mijn vorige leven en dan een jaar of drie geleden, ging ik een week op ‘schrijfkamp’ in Eindhoven. Ik heb het eerder gezegd en ik zeg het nu weer: het was een van de meest bijzondere weken die ik beleefde. En leerzaam, bovendien. Diezelfde club organiseert nu online workshops, gegeven door mooie namen. De eerste: Buddy Wakefield. Ik wist na 1,5 minuut al: dit wil ik wel elke dag. De energie, het tempo, de opdrachten, maar ook het samenzijn in een groep met gelijkgestemden, al was het virtueel. Het interessante van een workshop als dit, is dat je wordt gedwongen tot schrijven. Vijf “prompts” kregen we, in elk drie minuten. Wat in het theater improviseren is, zo is dit qua schrijven: niet denken, maar doen. Met interessant en totaal nog niet deelbaar resultaat. Verrassend ook. “A God given blowjob” had ik ook niet aan zien komen als tekst door mij geschreven. 

Wat ik wil zeggen: denk om je input. De dagen en de weken als nu vragen veel. Ze vragen vooral om te geven, ongeveer alles dat je hebt. En nieuwe indrukken, nieuwe beelden, nieuwe perspectieven moeten we actief opzoeken en dat kan niet meer door naar het theater, de bioscoop, een museum, de kroeg of de stad in te gaan.  Dus voor we helemaal opdrogen: vind input. Er zijn heel veel mooie films te bekijken online (check bijvoorbeeld Cinemember), SPOT Groningen zet voorstellingen en concerten online (gratis), musea bieden virtuele tours, veel professionals doen aan online lessen: daar waar je kan, probeer het, want het helpt. Nieuwe indrukken wekken nieuwe gedachten op. En daardoor groeien we. Ook nu. En juist nu. 

Vandaag was dag achttien van uitzitten, afwachten, hopen en het beste er van maken. Vandaag was dag achttien, er werd weinig geruststellend gemeld. Het was dag achttien en steeds meermensen sterven in hun eentje. Hun spullen worden nagestuurd. Vandaag was dag achttien, iedereen doet nog steeds ieders best, in ieder geval voor zover ik kan zien. Het was dag achttien en ik gilde als een viswijf uit het raam naar verveelde jongens die hondenpoep op een achteruitkijkspiegel smeerden: dat ze dat niet moesten doen. Het was dag achttien, er werd niet op straat gezwaaid, maar wel telefonisch en net zo gewaardeerd. Op deze dag achttien zag ik mijn lieve vriendin even kort, we hadden het nodige te bespreken, op afstand, veel afstand. Want hoe ontzettend het dag achttien van een wereldwijde crisis ook was, het leven op microniveau vindt ook weer een weg. Vergeet niet ook uw liefdesverdriet en liefdesvreugd met elkaar te delen. Het was dag achttien. En dat is wat het was. 

Everything is going to be alright. At least I think so.

Hij vond echt, echt, echt dat ik een taxi moest nemen, de man van het hotel in Cancún. Het zou twintig minuten lopen zijn naar het busstation, ik zag de noodzaak niet zo. Hij haalde zijn schouders op en lachte. Ik vroeg hem een taxi te bellen. Eigenwijsheid kent tijd en plaats. Niet nu, niet hier. Bleek natuurlijk een verstandige beslissing: Cancún is niet per se heel voetgangervriendelijk, laat staan voetgangers-met-bagage-vriendelijk. Hotelman-Minke: 1-0.

Het busvervoer in Mexico is belachelijk goed geregeld. De routes bekijk je in de speciale app, kaartjes koop je daar ook, de routes zijn er in overvloed, de bussen hebben een toilet, tv, WiFi en airco. Dat maakt het reizen hier ontzettend makkelijk. Dus pak ik de bus naar Chiquila, waar de boot naar Isla Holbox vertrekt. Dit eiland wilde ik vorig jaar al bezoeken, maar tijdgebrek toen zorgde ervoor dat ik nu wel terug moest :). De busreis duurde twee uur, geen straf als prachtig Mexico aan je voorbij trekt, geloof me. En Isla Holbox is dan nog ongeveer een kwartiertje met de boot. Ik kies het boven-buitendek en moet denken aan die keer dat iemand me achter in een cabrio had gezet en met 150 km per uur over de Groningse binnenwegen tekeer ging. Oftewel: wind, heel veel wind. Maar daar, terwijl mijn haren me het zicht steeds ontnemen, voel ik wel: dat van heel erg gelukkig.

Isla Holbox is een belevenis. Golfkarretjes fungeren hier als taxi’s en ik snap al snel waarom: de weggetjes in “downtown” zijn veel te smal voor auto’s en de wegen daaromheen zijn ronduit k*t. Mijn taximan zet een muziekje op en daar trotseert hij volleerd alle metersdiepe kuilen, metershoge bulten en metersbrede plassen. Zo niet de toeristen die ons tegemoetkomen en dachten dat het leuk zou zijn zo’n karretje te huren. Ja: rondom “downtown” is het nog wel geinig en de lange weg langs het strand is ook prima. Maar daar waar mijn hotel is, is het helemaal niet prima. Ik lach om de geconcentreerde koppies van de -elke keer- mannen achter het stuur en de angstige, bezwete gezichten van de vrouwen naast hen. Hun handen stevig om de stangen voor hen heengeklemd. En: stil. Dan weet je echt hoe groot de paniek is: als de vrouwen stoppen met commentaar leveren en alleen nog maar in stilte wensen dat dit domme idee snel over is.

Natuurlijk gaat er door me heen, terwijl ik heen en weer word gehusseld in de taxigolfkar en het “downtown” steeds verder achter me laat: wat nou als. Wat nou als deze muziekminnende Mexicaan me helemaal niet naar mijn hotel brengt? Maar naar een afgelegen huis. Waar mijn bezittingen worden afgenomen en ik als seksslaaf word verkocht -I know, enig drama is mij niet vreemd. Of: gewoon gelijk afgeknald op een stuk braakliggend terrein en dat was dat? I know- ik kijk teveel Netflix. En natuurlijk kom ik gewoon bij mijn hotel, alwaar hartelijk ontvangen. Er zijn precies 8 andere hotelgasten, het privéstrand is subliem. Oh, en het is “adults only”, no offense lieve kindjes, maar: wat een weelde. Ik drink een wijn (misschien wel meer), ik eet wat nachos, zwem in de zee, lees een beetje boek, ik ben de rijkste vrouw op aarde.

Dan vraag ik Viktor-from-the-hotel hoe ik “downtown” kom, want deze mevrouw heeft een boel dingen bij zich, maar geen antimuggenspul. Ik zie het flesje nog staan, op de kast in mijn slaapkamer. Heeft de koffer niet gered. Viktor vertelt dat ik over het strand kan lopen en er dan in 15 minuten ben. Prima. Ik hang nog wat in de lobby, want WiFi, als Viktor roept dat ik een lift kan krijgen van Diego van het hotel. Diego moet een golfkarretje afleveren en ik mag mee als ik dat wil. Ik wil dat, maar heb alleen een bikini aan en vind dat onverstandig en bovenal koud. Ik zeg dat ik me om moet kleden. “How many minutes?” “Three!” En ik redde het.

Viktor geeft Diego een flesje bier en staat er absoluut op dat ik er ook eentje neem. Zitten we dan. “Salute!” En we rijden. “How many family members have  asked you what the f*ck you were thinking, going to Mexico alone” vraagt hij. “Every single one of them, more or less” antwoord ik. “I told them I would be ok” voeg ik toe. “Text them that you are with a Mexican in Mexico and nothing can go wrong!” We lachen. We (hij) ontwijken weer die gaten en die plassen. Hij vraagt welk werk ik doe, ik zeg dat ik schrijf. Hij vertelt van ook, poëzie, maar nergens te lezen, want op papier. Papier schrijft beter, besluiten we. Het maant tot geduld en overdenken omdat er geen deleteknop is. Dan stoppen we bij een huis. Diego moet geld brengen, hier, zegt hij. Hij stapt uit de golfkar en loopt het voetpad door de voortuin op, naar het gesloten hor met daarachter luid keffende hondjes. “Doctor! Doctor!” roept hij. Een gestalte doet open en neemt het geld aan. Het is een nickname, vertelt hij later. Geen idee waar ik getuige van was, ik neem nog maar een slokje bier. We (hij) leveren het karretje af en Diego wijst me de Pharmacia, waar ik antimuggenspuitbus koop. Net op tijd. Ik bedank Diego-van-het-hotel-en-allemaal-andere-dingen-blijkbaar voor de lift, hij wenst me een fijne tijd. Ik hem ook, maar ik vermoed dat hij alleen maar werkt.

Ok. Ik moest de zonsondergang gaan zien, zei Viktor van het hotel. Dus ik doe dat. En het is prachtig. Ik moet ook wat eten, zei ikzelf, dus ik vind een restaurant op het strand. Het personeel is laks en het eten zozo, maar het uitzicht fantástisch en de zanger-gitarist ondergewaardeerd. Een trio aan een andere tafel en ik zijn groot fan. Waar hij dan weer dankbaar voor is. Hij ziet er uit als achttien, maar zijn stem klinkt als die van een doorrookte volwassen blueszanger.

“You got me on my knees baby” (zing zachtjes mee)

“With or without you” (idem)

“Losing my religion” (iets harder)

“I don’t believe that anybody  Feels the way I do, about you now…” (dit lied! – zingt heel hard mee)

“Stand by me” (Ik zong wederom heel hard mee)

“Everything is gonna be fucking Allright. At least I think so” was zijn toevoeging – ik klap. 

Het was een leuke, besloten karaokeshow en ineens begon er een man tegen me te praten. Zijn tafeltje stond een paar meter verderop, dus ik verstond er zeg maar niks van. Ik maakte daarom een gebaar dat hoort bij “sorry, versta er zeg maar niks van”. De man bedacht zich niet en tilde in een soepele beweging zijn tafel (zijn hele tafel!) op en zette die naast die van mij. Ok. En toen was hij stil, want schreef verder in zijn boekje. Natuurlijk was het nu mijn beurt om 1) te vragen wat hier in godsnaam de gedachte achter was (mijn vraag) of 2) te vragen wat hij zo ijverig aan het schrijven was. Ik hoefde uiteraard helemaal niet te kiezen. Het was zijn dagboek. Van de reis die hij al vanaf 11 november aan het maken was door Cuba en Mexico. “Why? You ask why I travel alone? (Ik vroeg helemaal niks, ik was te verbaasd) “Travelling alone is better than sitting at home alone!” Ik kon de beste man geen ongelijk geven. En moest ineens ook heel erg nodig plassen. Wat ik deed. En daarna mijn rekening betaalde. En toen de ober er van overtuigde dat ik echt moest slapen en heus niet dansen. Maar wel langs de man van de tafelshuffle moest, want ik had bedacht over het strand terug te lopen. Ik stond op gepaste afstand toen ik hem gedag zei en het beste wenste met de terugreis en hij zei dat hij nog nooit zo laat buiten zijn hotel was geweest en me daarvoor bedankte. Ik vond het een kleine moeite en vertrok.

Een strandwandeling is prachtig. Vijftien minuten is prima te doen. Maar: het is inmiddels donker. Heel erg donker. En dit gedeelte van het strand is niet het gedeelte waar iedereen tot diep in de nacht aan het feesten is. Integendeel: het is hier doodstil en uitgestorven. Het zijn ik, de golven, de sterren. Ga ik dat echt doen, als semi-fan van welke natuur dan ook in het donker, in mn eentje? Ik ga het doen. Dus ik doe het. Met de zaklamp van mijn iPhone als onmisbaar instrument. Ik kan precies een halve meter voor mijn voeten uitkijken, dus ik loop voorzichtig. Ik verzeker mezelf ervan dat ik het hotel niet kan missen, want aan het strand en: ik loop op het strand. Ik bedenk wat er verder nog mis kan gaan, maar kan vrij weinig bedenken. Hooguit loop ik een vrijend stelletje overhoop, verkrachters en moordenaars zullen wel niet op de uitkijk staan voor een naïeve Europese, in het donker, op het strand. Toch?

Ok, best spannend, in het begin. Het is, op de golven na, echt stil. En donker. Ademen, in, uit, lopen, komt goed. En dan verlies ik mezelf langzaam in de cadans van mijn voetstappen, het geluid van de kustkussende zee en de fenomenale sterrenhemel. Niet eerder waren ze met zovelen met me. Er is niets anders. En er is niemand. Tot ik in een gordijn van muggen loop. En met gordijn bedoel ik een meterslange drukbezochte en uiterst gezellige vergaderavond van kleine, maar venijnige minimugjes. Ik pers mijn lippen op elkaar en tast naar de gloednieuwe spuitbus in mijn tas. Als ware het een wapen houd ik het ding armgestrekt voor me uit en ik spuit. En spuit. En spuit. Ik waaier met mijn andere arm alsof dat helpt. Versnel mijn pas, nog steeds spuitend en vraag me af waar deze deken van insecten gaat eindigen. En dan kan ik niet verder. Daar waar strand zou moeten zijn, is zee.

Ik sta er nogal stom naar te kijken, al zinloos rondsprayend, ze zijn met veel te veel. Tja, wat kon er gebeuren? Nou dit dus. Ik loop een stukje terug en omhoog en zie een verlicht huis. Hotel, blijkt, bij benadering. Ik verontschuldig me en vertel bij welk hotel ik hoor. “I don’t know what all you guys are searching in that hotel, but I will tell you where to go” zegt hij lachend. Het blijkt nog tien meter lopen, de doorgang via het strand was inderdaad geblokkeerd door de zee herself. Ik bereik de plek waar ik een paar uur eerder nog in de zon lag en ga op hetzelfde bedje liggen. Doodse stilte. Een miljoen sterren. De kussende golven. De gelukkige vrouw met zoveel gedachten dat het bijna teveel is. Wat een fantastische wandeling, terwijl ik nooit durfde. Wat een fantastisch eiland met zoveel vriendelijke mensen. Wat een sterren. Wat een zee. Wat fijn dat ik niet ben verzopen.

Als ik naar de receptie loop, zit daar een clubje te roken en te drinken. Ik sluit me nog even aan, de een had net een sollicitatie gehad bij het hotel en hoopt, heel dronken, aangenomen te worden, de ander woont in Genève en vond Marokko ook zo mooi. De Russische gasten versta ik niet. En het is goed zo. Ik moet dromen over de sterren, over de zee in de nacht. Over liefdes en verdriet. Over al dat is.

 

Mooi setje mensen

Op mijn verjaardagsfeestje werd ik niet alleen verrast met een prachtig lied, maar ook met mooie woorden van vrienden en familie, want zij werden op hun beurt verrast met de vraag: “Wat is je mooiste herinnering aan Minke?” Leuk ook dat dit zonder voorbereiding gevraagd én beantwoord werd. Zo blijkt dat de mooiste herinnering van mijn stiefvader bestaat uit het terugdenken aan urenlang gejengel en gezeur vanaf een achterbank in een 35 graden warm Zuid-Frankrijk, waar ik geheel tegen mijn zin plaatshad, ter verdediging. Ik zou namelijk de hele dag zoenen op het strand, maar dat mocht niet, ik moest kanoën, dan krijg je dat. Die van mijn vriendin ging over hoe ik een andere achterbank ontvluchtte en de overtuiging dat ik daarmee haar en mijn eigen leven heb gered. Zou ook best waar kunnen zijn; in onze oneindige wijsheid waren we in de auto gestapt bij twee politieagenten op een Spaans eiland, want, hey: polities kun je vertrouwen, duh. Dat viel een heel klein beetje tegen, weer wat geleerd en we kwamen veilig thuis. Mijn zusje vertelde vervolgens in tranen hoe ik bij de bevalling van haar zoontje was en vooral ook hoe ik ruzie had gemaakt met het halve ziekenhuis omdat ze haar ruggenprik niet kreeg. Mijn andere vriendin noemde hoe ze me zo’n mooi rolmodel vond voor mijn kinderen (behalve dan dat met die polities, lieve kinderen: dat moet je dus nooit doen).

De betekenis die we in elkaars leven hebben, is vaak zo onuitgesproken vanzelfsprekend. En ik begreep die avond dat dit zonde is. Dat we vaker mogen vertellen welke impact de ander heeft. Ik kan het een voornemen noemen voor 2020, maar besloot er gewoon maar gelijk mee te beginnen. Want wat heb ik ontzettend mooie mensen om me heen. De vriendinnen zogenaamd van ver die op een of andere manier toch altijd weten hoe het met me is of dat er iets mis is, ook als ik ze niet spreek. De vriendinnen van dichtbij die bleven en bleven en bleven zeggen dat alles goed kwam, dat ik dat moest geloven, dat ik meer kon dan dat ik zelf wist, elke keer opnieuw. Die mijn tranen droogden, terwijl ik niet bepaald uitblonk in attentheid. De moeder die mijn moeder niet is en toch ook in alles wel. Die mij al zo vaak troostte en me voor de verandering dit jaar hetzelfde liet doen, wat de cirkel prachtig sloot. Al haar familie die als de mijne voelt. Nog meer familie die technisch gezien geen familie is, maar wel áltijd klaar staat (bloedbanden zijn highly overrated). De familie die wel familie is en ook altijd klaar staat (zo overrated zijn bloedbanden nou ook weer niet). De vriendinnen waar ik wijntjes mee dronk, tripjes mee maakte, samen mee werkte en lekker veel feministische content mee uitwisselde. Die me leerden, toetsten, scherp hielden en inspireerden. De nieuwe mensen die ik leerde kennen en er zomaar zijn alsof ze er altijd al waren. En nu noem ik niet eens iedereen, sorry nog. You all know who you are.

Allemaal zorgden ze voor me, soms zonder dat ze het doorhadden. Ik gun iedereen zo’n setje mooie mensen. Sterker nog: ik geloof dat het nodig is. En ik geloof ook dat het nodig is om heel bewust stil te staan bij welke betekenis mensen hebben in je leven, op welk moment. Dat we dat uit mogen spreken en mogen ontvangen.

In 2020, of gewoon vandaag.

Reislust

“Ga je alleen?”
“Ja.”
“Helemaal alleen?”
“Ja.”
“Echt helemaal alleen?”

Ik knik nu maar gewoon.

“Kun je dat?”
“Ja.”
“Echt?”
“Ja, echt.”
“En de kinderen dan?”
“Daar wordt uitstekend voor gezorgd door hun vaders. Ik laat ze niet alleen thuis ofzo.”
“Maar mis je ze dan niet.”
“Jawel, maar net niet teveel.”
“Vind je het niet eng, in je eentje?”
“Ik vind het spannend, niet eng.”
“Ik zou het niet kunnen.”
“Dat hoor ik vaker.”
“Ik zou het echt niet kunnen.”
“…”

Ik ga alleen op vakantie. En deed dat vaker alleen. Toen ik 18 was, bijvoorbeeld. Heel avontuurlijk naar Mallorca, een week, vliegend vanaf Airport Eelde. Tijdens de heenreis zat ik naast twee dames op leeftijd die eenzelfde conversatie als hierboven met me voerden, minus het stuk over de kinderen. Ze vonden me dapper en stoer en lieten me beloven dat ik een stoel met daarop een glas voor de deur van mijn hotelkamer zou zetten, elke nacht, zodat als iemand dan ongewenst binnen wilde komen, het glas zou vallen en ik wakker werd. Dat deed ik braaf, natuurlijk. Op dag twee van deze vakantie was ik door al mijn boeken heen en ik was nog nooit zo bruin geweest. Het was een heerlijke week met niets en niemand. Ik heb precies 1 club van binnen gezien, danste met iedereen die aan het dansen was en nam om 0:00 een taxi, samen met het stel dat ik had ontmoet. En ik dacht. Dacht heel erg veel na. Schrijven deed ik toen nog niet.

Dat schrijven begon tijdens mijn tweede vakantie alleen, bijna tien jaar later. Toen vloog ik naar Curacao en waren er geen handige tips van oudere dames in het vliegtuig. In plaats daarvan werd ik getrakteerd op een tien uur durende smeekbede om alsjeblieft, al was het maar heel even, alleen een voorgerecht, uit eten te gaan, straks op het eiland, afkomstig van de manfiguur die eerst al had geprobeerd mijn plekje bij het raam te kapen. Deze keer had ik meer boeken meegenomen die ik niet allemaal las omdat ik schreef. Niet alleen verhalen, maar ook mijn scriptie. En kwam ik vooral verbrand terug in plaats van zongebruind. Maar voelde ik me vooral opgeruimd, uitgerust en met bepakt met nieuwe energie.

Sindsdien deed ik het vaker. Soms een weekendje, soms wat langer. Niets ten nadele van niemand en niks: ik moet soms gewoon alleen zijn. Wakker kunnen worden met een dag in het vooruitzicht die ik zelf, helemaal zelf, mag inkleuren. Niet in conclaaf over rechts of links of rechtdoor, misschien wel terug? Nu eten, straks en waar morgen. Wel zwemmen, niet naar de kinderclub, ik ben gevallen, vergeet je zwembandjes niet. Even geen enkel beroep. Op niks.

Alleen ik met een beroep op mij. Zoals vorig jaar in Mexico. Toen ik schreef en schreef en schreef en daarbij mijn hele relatie met mijn vader herzag. Dat kan ik alleen als ik alleen kan zijn. Maar waar ik ook in heel korte tijd veel zag van het prachtige land. Zo zat ik op dag vier om zeven uur al in de bus op weg naar een Mayatempel, een paar uur rijden verderop. Er werd verteld over de geschiedenis van de streek en alsof het niets was noemde de Vlaamse tour guide nog even dat het Tarantulaseizoen net voorbij was en nam ik me voor een volgende keer iets meer vooronderzoek te doen qua het wat en hoe van mijn bestemming en met name het spinnengedrag aldaar. Ik keek tussen de bomen door of ik aapjes zag, kroop onder mijn sjaal want airco. En voelde me toen, op dat moment, zo ontzettend gelukkig. Onderweg naar ontdekken. Op andere bodem. Met overal zoveel te zien en te voelen. En het vermogen dat allemaal tegelijk binnen te laten.

Ik werd verliefd op dat gevoel, dat ik overigens ook had toen ik met mijn oudste dochter op Schiphol zat afgelopen zomer. Wel pas nadat de hele douaneadministratie was afgehandeld, reizen met kind en zonder bijbehorende vader, dat gaat niet zomaar. Reislust. Met de liefsten, maar dus ook alleen. Ik werd niet alleen verliefd op dat gevoel, maar ook op Mexico. Dus ga ik weer. Alleen. Ja dat kan ik. Nee ik verveel me niet. Ja het is spannend en niet eng. Tuurlijk mis ik de kinderen, maar niet teveel. Ja er kan van alles gebeuren. En ook niks. Als wel, dan is dat wat het is. Ja ik pas op, kijk uit, bij oversteken en meer.

Dit keer twee weken, alleen een ticket en mezelf. Alles van mezelf. Om na te denken zoals ik dat alleen kan als ik alleen kan zijn. Verder te schrijven waar ik gebleven was. Met hopelijk precies genoeg boeken en zonnebrand. Ik ben tot nu toe uitstekend reisgezelschap gebleken, vind ik zelf. Alle vertrouwen dat dat nog steeds zo is.

Ja. Dit kan ik dus. Echt.
Alleen mijn eigen rug insmeren; dat kan ik dus niet echt. 

 

Groots

Mijn moeder was groots. In doen en laten. Niet qua fysiek: ze was klein en tenger en soms bijna breekbaar, helemaal toen ze daadwerkelijk te breken bleek. Ze was groots in interesse, in warmte, in troosten, in luisteren en in precies de goede dingen zeggen tegen een ieder die dat nodig had. Ze was groots in de liefde.

Die liefde zag ze het liefst allemaal tegelijk aan de grote houten tafel die ze samen met haar man kocht voor in hun nieuwe huis. En met groot bedoel ik: ruimte voor vier kinderen én de onvermijdelijke aanhang. Het zijn, dat weet ik zeker, haar allerliefste momenten geweest. Dat we er waren, allemaal. Kletsten, aten, dronken en ruziemaakten, want daarin waren we allemaal ook best groots. Vaker lachten, deelden en luisterden we. Ze drukte ons allemaal op het hart, toen ze wist dat ze zou gaan, dat die tafel bezet moest blijven.

Dat is gelukt. Het ene jaar wat beter dan het andere jaar, maar vanavond was het overvol. Niet alleen bijna alle vier van die kinderen en de aanhang daar waar van toepassing, maar ook de rest van de familie en die kinderen en die aanhang daar waar van toepassing. Met zelfs een setje prachtige kleinkinderen. Er waren meer mensen dan plekken aan de tafel. Ze zou genoten hebben. Zoals ik dat deed.

De tafel is verhuisd naar een nieuw huis. Met een nieuwe vrouw des huizes. En ik genoot, maar was soms ook een beetje in de war daarvan. De slabak van Ikea waar ik zo ongeveer mij hele leven uit had gegeten werd gedragen door niet dezelfde handen die me optilden als ik mijn knieën weer eens stuk had gevallen. De Bijenkorfkoffiekopjes, gedecoreerd naar een bekende schilder waar ik niet geheel verrassend de naam niet meer van weet omdat ik namen lastig doe, stonden ineens een levendige herinnering te zijn aan thuis, thuis. De flesjesopener in de vorm van een uil; daarvan wist ik niet eens meer dat het er ooit was, tot het daar ineens lag, op een overvol aanrecht, samen met een verlaten bierdopje als bewijs van functioneren.

Van de heel veel mensen die er waren, deelde ik met precies drie een bloedband. En voelde toch iedereen als familie, zoals elk jaar weer. En ja, natuurlijk mis ik mijn mooie mama en natuurlijk had zij er in alles moeten zijn, daar, aan de tafel. Met de slabak en de kopjes en de flesopener. Maar ze is er niet. En belangrijker dan dat ik toch heel erg genoot van alle gesprekjes, het lachen, de hapjes, mijn kookblunder, de wandeling, de baby, de gesprekjes, het gelach en ook de wijn: ik weet met alles zeker dat mama dat ook heeft of zou hebben gedaan. Dit was de bedoeling. Ze gunde ons allemaal het allerbeste en meer. Ze was groots in de liefde. We moesten en zouden verder, alsjeblieft en in godsnaam.

Dat is dus gelukt.

De slabak werd gedragen door een andere grootse vrouw, met dito man. En er werd uit gegeten door grootse mensen en grootse kleine mensjes. Mijn moeder leeft voort in klein servies en een grote tafel. En in honderduizendmiljoen verhalen bij iedereen die er was, als alles dat ze was.

Dank lieve M en D, jullie geluk straalt van jullie af en is zo gegund. En ook ook dank aan de rest :). Voor de mooie avond. Bijzonder hoe we altijd zo welkom waren en zijn gebleven. x

Imagotechnisch slim

“Slim, die stichting. Staat erg sympathiek” zegt hij. Mijn beweging wijnglas – mond staakt abrupt. “Wat zei u?” Ik verstond dit vast verkeerd. Het is lawaaiig op de zoveelste borrel met weer min of meer dezelfde mensen. “Dat het sympathiek staat, zo’n stichting. Het is imagotechnsich slim. Goed gedaan.” Nu neem ik snel een slok wijn zodat mijn vlijmscherpe respons wel moet vervallen. Ik ken de beste man niet en de beste man kent mij ook overduidelijk niet. Nooit was het in me opgekomen dat dit een manier kon zijn om aan te kijken tegen dat wat ik doe, wat we doen. Kennelijk is dat het wel. En dan kan ik wel boos worden omdat er aan mijn en onze intenties wordt getwijfeld, maar misschien heb ik ook wel niet goed verteld hoe belangrijk dit voor me is. Dat wat we doen.

De stichting die de man bedoelde is van mij en mijn twee goede vriendinnen. We zorgen voor geld waarmee we gezinnen een dagje uit kunnen geven als ze dat zelf niet kunnen betalen. En dat zijn er veel. Gezinnen die dat niet zelf kunnen betalen.

Het moet toch echt zo’n dertig jaar geleden zijn geweest dat ik met mijn moeder, zusje en twee goede vrienden naar Het Land van Ooit ging. Voor wie dat niet kent, het bestaat helaas niet meer: het was een fantastisch fantasieland met een eigen valuta en kinderen waren er de baas. “Behalve over het geld” riep mijn moeder nog. Dat het een fantastische dag was, blijkt uit het feit dat ik me die hele dag nog steeds kan herinneren. Een dagje uit maakt indruk. Heel veel indruk.

Nu was mijn moeder niet arm, maar geld was er ook niet. Ze werkte, kreeg geen alimentatie, alles kwam net rond. Dus uitjes deden wij niet. Nieuwe kleren deden we nauwelijks. Met de vakanties gingen mijn zusje en ik naar de stacaravan van oma zodat mama kon werken. Soms een tripje naar het buitenland, mijn moeder reed dan in haar eentje naar Hongarije waar mijn oom een huis had. Dat dit kon was meer dan pure luxe en dat wisten we.

Terugkijkend kan ik niet zeggen dat ik iets tekort kwam. Zo heeft het in ieder geval nooit gevoeld. Maar bij papa was het anders. Papa had echt geen geld of wel geld maar dan was het niet de bedoeling dat ‘ie geld had dus dat geld was er eigenlijk niet. Als hij iets met ons wilde doen in het weekend, als, dan kon dat alleen als we eerst een rondje stad hadden gedaan langs allerlei donkere kroegjes met veel zwetende mannen, allemaal aan het bier, de harde muziek zorgde ervoor dat we elkaar niet konden verstaan. Uiteindelijk kreeg hij het, charmant als hij was, altijd voor elkaar en stopte iemand hem een briefje van vijftig toe. Dan konden we naar de bioscoop of de kermis. Dat kostte natuurlijk helemaal geen vijftig gulden, maar hij zal de rest ook wel nodig hebben gehad. Leuke dingen doen met papa was het mooiste dat er was.

Samen met mama of papa of beiden of mama en oma of papa en oma of opa en tante, of met wie er dan ook maar is die de zorg draagt, iets leuks doen: dat is het mooiste dat er is. Voor kinderen, maar ook voor de volwassenen. De kinderen waar wij vanuit de stichting contact mee hebben, kunnen nooit een keertje in de klas vertellen dat ze iets leuks hebben gedaan. Zijn soms nog nooit met de bus geweest. Laat staan naar de dierentuin. Bovendien leven ze elke dag in stress. De voelbare stress van hun ouders. Geldzorg is een werkwoord. Geldzorg gaat niet over dingen niet hebben. Het gaat heel erg vaak over de angst dat er nog meer wordt afgenomen.

En als je maar heel erg weinig te bieden hebt aan je kinderen, terwijl je zo graag anders wil, zo graag meer rust, meer gelach overdag, meer zorgeloos samen spelletjes doen, zo graag wel een ontbijtje kunnen maken ‘s ochtends, zo graag iets vrolijker, dan lijkt een dagje uit misschien klein, maar is het juist zo belangrijk. Het gaat om samen herinneringen maken die er anders niet waren geweest. Herinneringen die er jaren en jaren later, soms dus decennia later, nog steeds zijn.

Deze stichting is er omdat ik vond dat het er moet zijn. Omdat ik weet hoe het is, wat het betekent. Omdat ik had gewild dat het er was geweest toen ik klein was. Omdat ik mezelf zo gelukkig prijs dat ik mijn kinderen alles kan geven dat ze nodig hebben en meer. Dat ik mezelf in een positie heb gewerkt met tijd en ruimte om dit te doen. Omdat iedereen, hoe de bankrekening er ook uitziet, mooie herinneringen verdient. En omdat mijn lieve vriendinnen dezelfde passie hebben en zich ook dag en nacht inzetten voor die herinneringen. 

Als wij iets hadden willen doen dat ons imago ten goede zou komen, dan hadden we echt wel iets gekozen dat minder tijd zou kosten, bovendien.

Dus, meneer: ik slikte mijn respons in. Maar had uiteindelijk natuurlijk moeten vragen: wat heeft u de laatste tijd zoal vrijblijvend voor een ander gedaan? En met welke reden?

Lieve Yv en Wieke: <3.         

Meer over onze stichting: Lutje Geluk.

Goed

Ik deed me echt veel groter voor, vandaag. Veel en veel groter dan dat ik ben. Want ik moest Emily iets vertellen. Iets dat mij heel veel verdriet deed om te zeggen. En iets waarvan ik me niet anders kon en kan voorstellen dan dat het haar hart zou doen breken.

Dus moest ik zorgen dat dat niet gebeurde.

Daarom bereidde ik me uitermate goed voor, besprak dit voor met mensen met verstand van kinderen en haalde zeker vijf keer heel diep adem voordat ik begon. In ons favoriete restaurant.

“Em, ik moet je iets belangrijks vertellen.”
“Mmmmm. Ja, ok, even de roze stift zoeken.”
“Nee, schat. Even stoppen met kleuren, ik moet echt even iets zeggen.”
“Hmmmmmmm. Okeeeeeeeee.”

Zoekt toch roze stift. Kleurt verder. Uiteraard.

“Em. Mama en papa doen niet zo aardig tegen elkaar he?”
“Klopt.”
“Dat komt omdat we het niet zo goed eens kunnen worden over wat nou het beste zou zijn voor jou. Dat komt niet door jou. Dat is gewoon dom van ons.”
“Ja.”
“Dus hebben we met wat slimme mensen gepraat. Dat leek ons handig. Nu woon je omstebeurten bij papa en mama, he? We hebben nu samen besloten dat jij binnenkort bij mama gaat wonen. Papa zie je dan om het weekend. Is ook handiger, want papa heeft het heel erg druk en mama heeft geen baas. Geen baas is handiger dan wel een baas.”

Stopt met kleuren. Ze kijkt me aan. 

“Goed.”

Goed. Dat is wat ze zei. En ze kleurde verder.

Buiten winkelen honderden mensen hun kerstspul bij elkaar. Soms hand in hand. Soms met de gepaste afstand die bij een niet zo’n gelukkig huwelijk past. Soms tongzoenend met een hand op de kont. Soms alleen. Ik zie ze door het raam en bekijk ze lang. Dan kan ik mijn tranen verbergen voor mijn dochter die “goed” zei. Tranen om wat ik moest vertellen en tranen om het verhaal dat ik er omheen moest maken. Om maar te zorgen dat haar hart niet brak. Ik weet niet of dat is gelukt, of ik dat heb kunnen voorkomen. Ik weet alleen dat ik mijn best heb gedaan en dat ik dat blijf doen. Ook als “goed” verandert in “kut”. Die kans is best aanwezig.

Even later:
“Mam, mag ik dan elke dag een toetje, als ik bij jou woon?”
“Daar denk ik over na, ik vergeet ze vast te kopen. Moet er verder nog iets anders?”
“Ja. Elke dag slapen bij jou in bed.”

Ze vouwt haar handen in bidpose onder haar kin en zet een pruillip op die ik niet eerder heb gezien. Ik schiet in de lach, zij ook. En onze hamburgers komen. We eten, we kletsen, we lachen, we maken de kleurplaat af. We komen er wel, wij samen. Echt wel.

Het is goed.

 

 

 

Minke in het Dagblad van het Noorden over Zie je Morgen

Twee uur lang sprak ik met Maaike Borst van het Dagblad van het Noorden. Over waarom ik begon met schrijven en waarom ik dat blijf doen. Heel erg spannend om zo’n persoonlijk verhaal te laten opschrijven en in de krant te zien staan. En ook erg mooi. Afgelopen zaterdag stond het er in.

(Als je op het plaatje klikt en wat inzoomt door nog een keer te klikken, kun je het, als het goed is, lezen. Geef anders even een seintje).

Het TedXGroningen filmpje waar in het artikel over wordt gesproken, kun je hier bekijken. En het verhaal waar het allemaal mee begon staat ook nog steeds online.

Rest mij nog: dank voor het zo trouw lezen van al mijn verhalen hier. Echt. Heel erg bedankt.

dvhn 6 juni

Zusje

neefje

Mijn zusje is zwanger. Ze belde me rond bijna middernacht met het nieuws. Ik lag al in bed. En ik wist heel lang niets te zeggen.

“Minke, ben je er nog?”
“Ja, ik ben er nog.”
“Je zegt niets.”
“Dat klopt. Lieverd. Je bent zwánger.”
“Ja. Ik weet niet wat ik moet doen.”

Ik was weer stil. Want ik hoorde aan haar (zo werkt dat) dat ze precies en heel goed wist wat ze moest doen.

“Jij klinkt helemaal niet alsof je niet weet wat je moet doen. Het is prachtig nieuws. Ik ben alleen even een beetje overdonderd.”
“Ik ook.”
“Dat snap ik. Komt goed. We bellen morgen.”

Een beetje kort, misschien. Maar we hadden aan die woorden genoeg.

“Jezus, je bent gewoon zwánger!”
“Ja!”

Ik hoorde een giecheltje. En ik hoorde ook dat ze bang was.

Mijn kleine zusje heeft al heel erg veel leven geleefd. Zij verloor mijnzelfde ouders en was veel van haar jonge leven veel alleniger dan ik. Ze deed slimme dingen, vaak ook minder slimme dingen. Ze leerde lessen bikkelhard en zonder genade. Ze bleef desalniettemin staan en staat nog. Onze ruzies waren rauw en grimmig. Hard om hart. En elke keer, altijd weer, hoorden wij toch bij elkaar.
Horen we gewoon bij elkaar.

“Maar Mink, wat moet ik nou?”
“De baby dragen, baren en er goed voor zorgen.”
“Maar ik weet niet of ik dat wel kan.”
“Jij kan dat. Jij doet dat namelijk al.”

Dat zusje van mij verbouwde haar leven grondig in ongekend korte tijd. We belden uren. Vaker en langer dan ooit. Over weeën. Over tepelkloven en rompertjes. Over bevallen en berusten. Over kraamtranen en zwangerschapspaniek. Over onze moeder en vader die het ontzettend fantastisch hadden gevonden en de pijn van dat gegeven.

Nog een paar weekjes en dan baart zij haar -zeker weten- mooie zoon. Mijn neefje. En kleinzoon van. Leven schenken terwijl je doden mist is geen gemakkelijke opgave.

Mijn zusje is de allerstoerste moeder die ik ken.

Sprookjes

schoentjesOnhoorbaar huilde ze. Van die snikken in stilte. Met grote, dikke tranen uit haar dichtgeknepen oogjes. Snikhete dag en ze zat naast me in de auto. Want voorin zitten is cool. Maar nu even niet. Nu was niks cool. Nu was alles verdriet. En ik snapte heel erg goed waarom.

We waren op pad geweest om een bakfiets te bekijken. En daar hingen we een tijdje in de prachtige tuin. Ik kletste, Emily speelde met haar nieuwe beste vriendin van net zo oud. Trampoline, spelletjes en toen: hakschoentjes. Deze dame had twee paar prachtige Spaanse, gestipte hakschoentjes met van die vastmaakbandjes. Zo liepen ze een tijdje rond, allebei hooggehakt en goedgemutst. Emily vond ze prachtig.

Bij het weggaan had de nieuwe beste vriendin gezegd dat Emily de hakschoentjes wel mocht houden. Zelden zag ik een blijer kinderhoofdje dan toen. “Mama, ik mag deze schoenen gewoon hébben!!!” Spelbreker die ik was, vond ik dat we het nog wel even met de moeder in kwestie moesten overleggen. En die was er -terecht- wat minder enthousiast over. Herkenbaar, want als het aan Emily had gelegen, had ze al haar speelgoed weggegeven. Soms moet je even ingrijpen. En zo geschiedde, de schoentjes moesten uit. Emily hield zich nog redelijk groot bij het afscheid, maar in de auto was ze niet meer te houden. “Mijn voeten hebben ze nodig” huilde ze dramatisch terwijl ik niet probeerde te lachen. Dit was een pittig lesje “omgaan met teleurstellingen”.

Nu vind ik dat teleurstellingen bij het leven horen en dat je die gewoon moet ondergaan. Daar word je groot, sterk en realistisch van. Maar deze tranen, dit verdriet, raakten me. Zelf heb ik niet eens iets met schoenen (echt niet!), maar daar ging het nu niet om. Ze had heel even geroken aan het bezitten van het meest fantastische dat ze bedenken kon en moest het daarna laten gaan. Van oprecht heel blij naar oprecht verdrietig. Dus nam ik een besluit tijdens de tranenmettuitenterugweg.

Omgaan met teleurstellingen is belangrijk. Omgaan met wat je soms gegeven wordt, ook.

De volgende dag kocht ik de rood-met-witte-stippen Spaanse hakschoentjes tijdens mijn lunchpauze. Die avond overhandigde ik haar de prachtig ingepakte doos. Zorgvuldig peuterde ze plakbandjes los, ontvouwde ze het pakpapier en tilde ze de deksel op. Haar mond viel open. Haar ogen groot als schoteltjes, handje naar haar mond. Ongeloof en blijdschap. “Oh mamaaaaaaaa! Dank je wel!!!!!!”

Maar dat was nog niet eens het mooiste. Amper een minuut nadat ze de schoentjes -uiteraard onmiddellijk- aantrok, zat ze in een sprookje. Ze was Assepoester en Sneeuwwitje en Doornroosje tegelijk. Uren achter elkaar.

De volgende dag liepen we naar school. Met elke stap op haar nieuwe hakjes, groeide ze. Ze betrad het schoolplein uiteindelijk alsof ze een Dior-show liep op de catwalk in Parijs. Zij ging de wereld veroveren op deze nieuwe schoenen, dat straalde er aan alle kanten af. Ze toverde daarmee niet alleen hele grote glimlach op mijn gezicht, maar ook op die van alle toekijkende ouders.

Lieve Emily: verover de wereld. Leef je sprookjes. Allemaal tegelijk. Op deze schoenen, andere schoenen, geen schoenen. Als je het maar doet.

Dubai #4 Everything in Dubai is under control, madame.

De vele indrukken van Dubai in combinatie met de tachtigurige werkweken die we in de aanloop van deze vakantie beleefden, maken dat dag drie vooral in het teken van bijslapen en bijkomen staat. Opstaan, ontbijten, verder slapen, lunch op het dakterras van het hotel, nog een beetje slapen en een wijntje op datzelfde dakterras. En dan ervaren we ook gelijk het nadeel van vakantie hier; je hebt constant het gevoel dat je dingen mist. Alles draait continu door. Er staat bijna de hele tijd file, elke tien minuten vliegt er een vliegtuig over, elk half uur een helikopter, de winkels zijn langer open dan dicht. Als ze al dicht gaan. Het is een bijzondere energie. Maar goed, dan missen we maar wat. We zijn moe en vakantie is ook uitrusten, besluiten we. Om vijf minuten later maar liefst twee excursies te boeken voor de dag daarna. Ter compensatie.

Het zit overigens heerlijk op het dak van het hotel. Het uitzicht is perfect. Als in: op een drukke weg met veel auto’s. En auto’s hier zijn vele malen bezienswaardiger dan waar dan ook. Voor tonnen en miljoenen komt langskarren. Naast me wordt de aanschafwaarde van de mooie exemplaren gelijk opgezocht. De Nederlandse aanschafwaarde dan. In Dubai doen ze niet aan belastingen.

Tegen de avond begint op de parkeerplaats bij het hotel een amusant schouwspel. Er lijken structureel veel te veel auto’s te zijn in Dubai. En ze schuwen het gebruik van de claxon bepaald niet. De hele dag horen we overal getoeter met uiteenlopende betekenissen; schiet op, ga aan de kant, rij door ook al is het rood, gewoon omdat het kan, ik heb er immers voor betaald, je kunt wel willen wisselen van rijstrook maar daar ga ik je nu rechts inhalen dus doe maar niet. Etcetera.

Op deze parkeerplaats zwelt het getoeter wel heel erg aan rond etenstijd. Er zijn op het oog zo’n 50 parkeerplaatsen te weinig voor het rijdend bezit. In Nederland wachten we dan netjes in een rijtje. En af en toe is er een aso die ‘m er bruut tussendrukt. Dan steken we in het beste geval onze middelvinger op, maar uitstappen en verhaal halen is geen uitzondering. Op deze parkeerplaats is het een gigantische chaos. Er wachten met gemak drie auto’s bij hetzelfde plekje. De uitparkerende auto moet zich daartussen door manouvreren met een speelruimte van een paar millimeter. En dan gaat het recht van de brutaalste gelden: de bestuurder die het bruutst naar voren rijdt, krijgt het plekje, of de ander daar nou al een kwartier staat of niet. Het is machtsvertoon in zijn puurste vorm. Neus aan neus is het een paar minuten wachten op wie er plaats gaat maken. Af en toe komt er een dikke SUV die alles en iedereen aan de kant drukt en het beste plekje pikt. Vol verbazing staan we te kijken naar zoveel brutaliteit met zo weinig materiele schade en vooral: het wordt allemaal heel harmonieus opgelost. Geen middelvingers, geen gevloek, geen klappen.

Is hier dan meer respect voor elkaar? Hebben ze hier bedeesdheid beter onder de knie dan wij in ons poldermodelland? We zijn het er over eens dat Dubai heel veilig voelt, dat we nergens agressie hebben gezien of gevoeld. Maar een paar dagen later horen we een reden die veel logischer klinkt. “Everything in Dubai is under control, madame” vertelt de barkeeper. En als vloeken en obscene gebaren al verboden zijn, dan zal elkaar tot rede timmeren al helemaal niet de bedoeling zijn. Dubai heeft een heel laag criminaliteitscijfer. En iedereen is superkeurig bij het afrekenen en in afspraken. Nu weten we waarom: kom je in Dubai werken (80% van de bevolking in Dubai komt uit het buitenland) dan wordt er een irisscan gemaakt, worden er niet alleen vingerafdrukken gemaakt, maar leggen ze gelijk elk stukje hand vast en worden alle gegevens die ze van je kunnen vinden vastgelegd. Ga je de fout in? Dan ben je weg. Ze weten wie je bent, waar je bent, er is geen ontkomen aan. En: er is een zeer actieve geheime dienst met overal undercover agenten. “You could be one for all I know” zegt de jongen tegen mijn lief.

Oftewel: je kúnt hier wel uitstappen en iemand op z’n bek tikken omdat ‘ie asociaal doet, maar de kans is heel groot dat dit wordt gezien en bestraft. Te groot, kennelijk. Dus gedoogt iedereen iedereen.

Na het parkeerplaatstheater eten we bij een lokaal tentje in de buurt. Voor twintig euro eten we humous, falafel, heerlijke kip, verse fruitsappen en thee met zoetigheid na. Leven in Dubai kan heel duur, maar ook heel budget.

Met volle buikjes gaan we lekker vroeg naar bed zodat we de volgende dag onze toeristenactiviteiten kunnen volbrengen. En nog veel meer leren over two faced Dubai.

IMG_0733.JPG

Dubai #1 verrassend ontvangst

Ietwat verfomfaaid komen we rond enen ‘s nachts aan in het hotel. Een vlucht van bijna zeven uur en een chaotisch druk Dubai Airport maken je niet per se mooier. Bovendien zweet ik me dood in mijn better-safe-than-sorry-lange-mouwen-lange-pijpen-lange-sjaal-outfit. De kledingvoorschriften liepen nogal uiteen op de verschillende websites die ik ter voorbereiding bezocht. Schouders, knieën bedekt behalve in het hotel, wel in de Mall, soms ook niet, eigen inzicht, ik ben in ieder geval bedekt. En heb het snikheet.

Bij de receptie is het niet heel druk, maar de man die de night shift draait is veel aan het bellen. Ik besluit een wc te zoeken, want ik moet al plassen vanaf dat we boven Iran vlogen. Onze koffers zijn al keurig op een trolley gezet en wordt bewaakt door één van de vijf (!) bell boys.

Als ik de lobby weer in wandel is het beduidend drukker. Naast mijn lief staan nu drie dames met rokjes tot net over hun venusheuvels. Hun nepwimpers raken zacht hun wenkbrauwen, elke keer als ze zwoel knipperen. Koraalrode glans glimt op hun volle lippen. Ik voelde me al niet supersexy met mijn statische KLM haar en droge vlieglippen. Nu voel ik me de in één klap de meest saaie vrouw op aarde. Mijn vriendje kijkt nogal ongemakkelijk en dwangmatig alle kanten op, behalve die van de dames. Een voor een vragen ze om “my passport” en vertrekken vervolgens uit de lobby met aan hun arm een uit het niets opdoemende zakenman.

We wisselen snel blikken uit en weten natuurlijk allebei wat hier aan de hand is. Dubai. Waar alles blijkbaar mag, ook als het niet mag. Een gedoogbeleid waarvan ik dacht dat we dat alleen in Nederland konden.

Het inchecken lukt uiteindelijk en we worden door bell boy #4 naar onze kamer geleid. De glazen lift brengt ons en onze bagage razendsnel naar de vierde verdieping van het ultramoderne hotel. De bell boy wil ons graag even de kamer en bijbehorende faciliteiten uitleggen als hij onze koffers heeft uitgeladen en neergelegd. Nou ja. Aan “ons” is wat overdreven. Het is “Sir” voor en “Sir” na. Als ik een grapje maak over de automatisch bedienbare lampen negeert hij deze vakkundig en knipoogt hij naar de “Sir”. Hij lijkt het maar vreemd te vinden dat ik uberhaupt interesse toon voor wat hij uitlegt. Hij kijkt dan ook verward als ik hem fooi geef na de tour en sluit wenkbrauwfronzend de deur bij vertrek.

Bij nadere inspectie komen we tot de conclusie dat er in deze tweepersoonskamer van alles maar één is. 1 handdoek, 1 badjas, 1 paar slippers, 1 glas, 1 tandenborstel. En dan valt ons kwartje. “Hij dacht dat ik een hoer was” zeg ik lachend. “Uh, ja. Daar lijkt het op.” Ik roep het beeld van de dames bij de receptie weer op, denk aan mijn eigen voorkomen en krijg de slappe lach. “Schat, dan denkt hij nu dat je zit opgescheept met én de meest saaie én de meest bemoeizuchtige hoer van heel Dubai”. We bellen voor extra handdoeken en drinken een welverdiende Corona onder het genot van opzwepende beats die doordringen vanuit de hotelbar.

Dubai is nu al een belevenis. En we zijn er nog maar net. IMG_0408.JPG

Liefde is het allermooiste

liefde

Mijn dochter en ik staan samen te koken. Ik schil de aardappels, zij snijdt ze vervolgens in stukjes. Daarna gooit zij ze met grote kracht in het pannetje met water. Kleine spettertjes springen vrolijk rond bij iedere plons. De radio draait liedjes waar we allebei nauwelijks zichtbaar, maar verbazingwekkend synchroon op meeswingen.

Als ik de aardappels op het vuur zet, vraagt ze of ze morgen haar mooie glittershirt aan mag. Dat mag. Tegen de tijd dat het water kookt, vraagt ze het weer. “Ja, lief. Dat zei ik toch al?” Ze herhaalt de vraag tijdens het dichtschroeien van de slavinken, tijdens het afgieten van de boontjes en vlak na haar eerste hap. Ze mag nog steeds haar glittershirt aan. “Maar waarom vraag je dit zo vaak?”

Met twee jusdruppels aan haar kinnetje komt het hoge woord eruit: “Ik moet er toch mooi uitzien?” Ze zegt het alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat een meisje van vier er mooi uit moet zien op een doordeweekseschooldinsdag. Ik vraag haar met volle mond waarom ze er dan precies mooi uit moet zien. “Voor Ibrahim” zegt ze. “Dan wil hij misschien hand in hand lopen. En mijn vriend zijn.” Ik verslik me in mijn appelmoes. “Ben je een beetje verliefd, Emily?” Haar oortotoorglimlach zegt deze moeder genoeg: mijn dochter van vier is inderdaad verliefd. En niet zo’n beetje ook. Roze blosjes kleuren haar wangen.

Die avond, na het afruimen, afwassen en voorlezen laat ik dit gegeven even goed op me inwerken. Vier en verliefd. Ongewild dringen beelden van puberjongetjes met pussende puistjes zich aan me op. Ik zie voor me hoe hordes scooterhelden zich onder haar slaapkamerraam verzamelen om haar mee te lokken naar de stad. Ik zie hoe hun lippen met vlassige netnietsnorretjes zich richting mijn dochters perfecte hartvormige mond bewegen. Hoe hun vingers, net klaar met een het rollen van een zwaar shaggie, zich onder haar shirtje friemelen, op zoek naar de onuitstaanbaar ingewikkelde sluiting van haar eerste BHtje. Ik hap naar adem en neem een grote slok wijn. En nog maar eentje. Probeer mezelf tot rust en kalmte te manen. Ze is vier. Niet veertien. Nog niet. Ik realiseer me ineens hoe ik mijn moeder tot uitersten heb gedreven. Want wat was ik vaak verliefd. En echt niet allemaal materiaal waar moeders doorgaans blij van worden. Maar ja, iedereen heeft nou eenmaal recht op een eigen zoektocht naar liefde. Ook dochters.

Ook mijn dochter.

Dus de volgende dag mag ze haar glittershirt aan. En help ik haar hartjesstickers plakken op het cadeautje dat ze speciaal voor Ibrahim maakte. Leg ik mijn hand op haar blonde haartjes als ze dapper het cadeautje geeft. Met uitgestrekte armpjes en een grote glimlach. Ze maakt het trouwens zelf alvast wel open. Die dochter van mij laat er geen gras over groeien, dat is in ieder geval duidelijk.

Die middag zie ik haar stralend komen aanlopen, hand in hand met haar nieuwe vriendje. Haar eerste vriendje. Ik wil haar natuurlijk vertellen dat cadeautjes en glittershirts helemaal niet nodig zijn om in de smaak te vallen bij Ibrahim of anderen. En dat ze helemaal nooit haar best hoeft te doen voor wie dan ook omdat ze al zo prachtig is zoals ze is. Dat liefde ook bitter kan zijn en dat ze vlassige snorretjes echt prima links kan laten liggen. Maar ik slik alles in. Want ze is vier en verliefd en ze mag er zelf achter komen wat dat betekent. We hebben nog alle tijd voor wijze lessen en moederwaarschuwingen. En mocht er toch iets misgaan, leg ik gewoon mijn hand weer op die blonde haartjes.

Voor nu moet ze vooral genieten van hand-in-hand. Want liefde is het allermooiste wat er is.

Dit verhaal schreef ik voor KRO’s Hemelbestormers op Radio 2. De uitzending was 21 september. Het fragment kun je hier terugluisteren.

Wat je wordt, ben je zelf

foto (1)Ik mocht alles worden, zolang ik maar gelukkig werd. Mijn moeder is daar altijd heel stellig in geweest. Dokter, vuilnisvrouw, advocate, actrice, glazenwasseres, secretaresse, kinderboerderijhoudster, dolfijnentrainster: alles was goed. Ze was al lang blij dat ik opgroeide in een tijd waar alles worden geen keiharde strijd zou zijn, zoals bij haar het geval was geweest. De wereld lag voor me open, ik kon gaan studeren, of niet. MAVO was prima, VWO ook.

Op mijn zeventiende was ik de eerste van mijn familie die ging studeren aan een universiteit. Nederlands. Want daar was ik goed in en dan zou ik er misschien ook wel gelukkig van worden. Maar als je alles mag worden, is Neerlandica worden dan wel sexy genoeg? Ik kon immers ook psychologe worden. Dus stapte ik over. Nou ja, ik deed een poging. Eerst moest ik een toets doen omdat ik geen eindexamen wiskunde had gedaan. En die toets haalde ik op een tiende niet. Maar gelukkig mocht ik alles worden en was er nog wel een plekje bij pedagogiek en dat was ook een soort van psychologie en ik hield van kinderen. Na twee jaar uni kon ik nog steeds alles worden en wist ik nog steeds niet wat precies. Dus nam ik een jaartje vrijaf, want dat denkt lekkerder na. En werkte ik dat jaar in de bediening en achter de bar. Dat denkt trouwens helemaal niet heel lekker na, maar dat terzijde.

Alles mogen worden is prachtig en beangstigend tegelijk. Het is een luxe, begrijp me goed, maar aan mij was het niet besteed. Niet omdat ik niet ambitieus was aangelegd, niet omdat ik geen doorzettingsvermogen bezat, maar omdat ik gewoon niet wist wat ik dan worden moest. En het is immers wel de bedoeling dat je iets wordt, toch?

Op een dag besloot ik daarom dat ik moest kiezen. Ik sloot me op in de bibliotheek en las alle studiegidsen van alle hogescholen en universiteiten van Nederland. Als je niet weet wat je wil worden, dan kun je nog wel weten wat je graag wil leren. En je kunt besluiten om iets af te maken. Dus dat deed ik.

En zo kwam ik er achter dat het helemaal niet de bedoeling is dat je iets wordt. Het is de bedoeling dat je er bent. Leert. Ervaring op doet. En zo voor jezelf kan zorgen. Want mijn moeder was dan niet streng op studievlak, ze had me heel erg duidelijk gemaakt dat er maar één iemand voor mij ging zorgen als ik later groot zou zijn en dat was ikzelf.

Point taken, mama. Want hier ben ik. Geen Neerlandica, geen psychologe, geen pedagoge, maar geloof me: ik zorg prima voor mezelf. Ik ben nu daar waar ik precies pas en ik ben nog niet eens klaar ook. Ik deed, ik koos, ik maakte fouten en probeerde opnieuw. En keek vooral veel om me heen.

Ik denk dat je dat ook bedoelde, mam. Niet dat ik alles mocht worden, maar dat ik alles mocht zijn. En dat je het vertrouwen had dat ik er wel zou komen, daar waar ik zou horen. Dus dank daarvoor. Want ongemerkt koos ik precies die dingen die klopten. Omdat het allemaal kon en ik dus alleen nog maar mijn hart hoefde te volgen. Mijn hart van dat moment. Niet mijn hart van jaren later. En juist dat geeft vertrouwen. Want wat je wordt, ben je zelf.

 

Deze column schreef ik voor KRO’s Hemelbestormers en las ik voor op 10 augustus op Radio 2. Terug te zien en luisteren op hemelbestormers.kro.nl.

Het concert des levens

“Van het concert des levens heeft niemand een program.” Het hing op zo’n mooi wit-blauw bordje in de woonkamer van mijn oma. Als klein meisje bracht ik uren door, mijmerend over de betekenis van deze spreuk terwijl de twaalf donkerbruine klokken van mijn oma duidelijk hoorbaar de tijd wegtikten en zij deze tijd doodde met het maken van Zweedse kruiswoordpuzzels. Nooit heb ik gevraagd wat het betekende. Ergens dacht ik dat ik er vanzelf wel achter zou komen.

En natuurlijk gebeurde dat. Want dat gebeurt iedereen. Ik denk nog vaak aan de kazige tegeltjesspreuk. Want zo is dat met tegeltjesspreuken; ze staan niet voor niets op een tegeltje. Ze staan er omdat ze waar zijn. Van het concert des levens… het klopt. Niemand weet wat het leven in petto heeft. Zomaar kan alles anders zijn. Je wint een jackpot, ontmoet de liefde van je leven – of van die dag-, koopt het huis van je dromen. Maar dat is niet waar het tegeltje over gaat.

Het zijn niet de momenten van geluk waar we bang voor zijn, het zijn de dramatische wendingen die ons angstig maken. Want: wat als? En dat is het; we niet weten wat. En we weten niet als. Drama ligt op de loer. Er kan van alles gebeuren. Elke dag. En dat het een keer komt, weet je. Je weet alleen niet wanneer of in welke vorm. Wat tegeltje zegt, is; leef gewoon. Want nu is nu, morgen weet je niet.

Gemakkelijk gezegd, lastiger gedaan, weet ik uit eigen ervaring. Want wat ben ik bang geweest. Helaas vaak terecht, ook nog. En dat is het: het hielp niet. Of ik nou bang was, of niet: dat wat gebeurde, gebeurde. We kennen het program niet, we gaan er ook niet achter komen. Ik heb het bang zijn opgegeven. Zo goed mogelijk. Dat concert des levens doet toch wel wat ‘ie zelf wil. Beetje violen, harde pauken, solo van de cellist. Soms binnen een paar minuten van  salonkamermuziek naar geluidenchaos.

En als het dan zo uit de hand loopt, het allemaal onhoorbaar en vals klinkt? Dat is het moment waar het eigenlijk om gaat, waar het er echt op aan komt. Iedereen krijgt een portie ongehoorzame muziek te verduren. Ouders die overlijden, kinderen die ons ontvallen. Kleinere uit de maat muziekmakerij. Dan kunnen we laten zien waar onze dirigentkwaliteiten liggen. Leven gaat niet over het program kennen, het gaat om zachtjes kunnen meedeinen met de muziek en af een toe eens keihard, onbehoorlijk dansen. Trakteer jezelf op en prachtige aria,  juist als het even heel erg tegenzit. Geniet af en toe van een korte stilte en laat daarna alles aanwellen als nooit tevoren.

Vergeet het program. Vergeet gewoon niet te luisteren. En te dansen. Vergeet niet dat de mooiste muziek wordt gemaakt in tijden van totale chaos. Want dat is uiteindelijk de kunst: groot drama kunnen omdirigeren in een prachtig concert. Geen gemakkelijke klus, maar wel ééntje om na te streven wat mij betreft. Want als het lukt. Als dat lukt. Pijn, verdriet, woede, angst meenemen, loslaten en omvormen tot een nieuw, niet eerder gehoord couplet. Dan kan je echt helemaal niets meer gebeuren.

Deze column schreef ik voor het programma Hemelbestormers op Radio 2. Ik las het voor op 29 juni. Het fragment kun je bekijken via deze link of bekijk de video hier

Later als ik oud ben

hemelbestormersZaterdag, einde van de middag. Ik neem plaats aan de bar en bestel iets met bubbels. Ik ben te vroeg, hij is te laat, in ieder geval moet ik even wachten. Het hippe café met jonge, mooie mensen is druk en lawaaiig. “Proost” hoor ik naast mij. Een paar krukken verderop heft een dame met opgeheven pink haar glas witte wijn naar me. “Proost, mevrouw” hef ik mijn glas terug. Ze is halverwege zeventig, schat ik. Haar bloedrode lippenstift vervaagt in de diepe groeven rond haar lippen. Aan haar vingers draagt ze glimmende ringen met prachtige stenen, haar zwarte jurk is bezaaid met pailletten. Ze is wat te klein voor de barkruk, haar benen bungelen speels in de lucht. Ik weet niet of ze een pruik draagt of dat ze verft, maar haar haren zijn behoorlijk zwart voor haar leeftijd. Haar rug kaarsrecht en fonkelende ogen.

“Mooi café wel, dit. Ik ben hier nog niet eerder geweest” roept ze naar me, net iets te hard. “Klopt, dit is wel een leuke plek.” “Wat zeg je, kind?” “Dat het hier inderdaad best leuk is.” “Sorry, ik hoor je niet, ik ben een beetje doof.” Ik ga wat dichterbij zitten. Ze wacht niet tot ik nog een keer herhaal wat ik zei, maar vertelt hoe ze als kind besjes in haar oor stopte en dat die haar trommelvlies hadden doorboord. Ze had nooit meer echt goed gehoord sindsdien. Ze lacht hardop. “Ach, er zijn ergere dingen hoor, kind. Echt waar. Proost.” En ze heft nogmaals haar glas.

De vrouw vertelt. Kleine stukjes chique leven, geboortes van kinderen, over haar moeder. En dat ze af en toe op zaterdagmiddag het café op zoekt, gezellig. Meestal haar stamcafé, maar vandaag toevallig deze. “Gezellig café, hoor. Ik ben hier nog nooit geweest.” Ik bewonder het wel, deze kwieke instelling. Wijntjes in een hippe bar na je zeventigste, ik zie mezelf dat eerder doen dan bingoën met mijn medebejaarden, later, als ik oud ben. En zo’n paillettenjurk misstaat me dan vast ook niet.

De dame valt even stil en ik bestel nog een glas bubbels. “Groot gelijk” zegt ze. “Ik lust ook nog wel een glaasje”. Opvallend sierlijk wenkt ze de barman. “Ik zou nog graag een glaasje Chardonnay bestellen” en ik denk even te zien dat ze er bij knipoogt. “Mevrouw van Dalen, dat kan ik helaas niet doen.” Haar gezicht verstart, haar lippen worden een klein, streng streepje. “Hoe bedoelt u!?” De barman probeert zo discreet mogelijk met haar te praten. Rustig en zacht legt hij uit: “We hebben afgesproken dat u hier één wijntje mag drinken. En dan schenken we niet meer. Het is wel eens misgegaan, weet u nog?.” Mevrouw van Dalen wiebelt heftig met haar benen. Het was schandalig. En het was haar nog nooit gebeurd.  Haar bedeesde en chique toon en tongval, vervallen in Haags gesnauw. Haar verontwaardiging is groot. De barman houdt voet bij stuk. De dame die hier nooit eerder kwam heeft hier kennelijk meer dan eens te diep in het glaasje gekeken. Dit is dus verval.

Ze rekent haar enkele glas Chardonnay af, trekt haar jas aan. Ze kijkt kort naar me. Nog steeds fonkelende ogen. Met een ruk draait ze zich om. Ze doet drie stevige stappen. En dan maakt ze een kort huppeltje. Als het kleine meisje van vroeger. Vervolgens stapt ze dapper door. Op naar het volgende café, waarschijnlijk.

Mevrouw van Dalen met paillettenjurk en glimmende ringen. Met gitzwart haar en bloedrode rimpellippen. Beschermd tegen zichzelf door de barmannen uit de stad. Ik weet niet. Misschien is dat bingoën zo gek nog niet. Later. Als ik oud ben.

 

 Dit verhaal schreef ik voor KRO’s Hemelbestormers en werd 4 mei uitgezonden op Radio 2. Luister het fragment hier terug

Marmot

radio2pola

Deze column heb ik geschreven voor het Radio 2 programma KRO Hemelbestormers en werd uitgezonden op 23 maart 2014. Het fragment kun je luisteren op de website van Hemelbestormers

 

Ik was een jaar of acht en werd door mijn moeder naar de kapper gesleept. Mijn lange blonde, maar veel te dunne, warrige haren moesten kort. Ze was de martelgang van het haren kammen ‘s ochtends zat. De kappersmevrouw zocht samen met mijn moeder een mooi kapsel uit. Op het plaatje in het boek leek het inderdaad best aardig..  Kort, praktisch, lekker anders maar best stylish. Ik was enthousiast. En toen ik buiten stond, was ik nog steeds enthousiast. “Nu moeten we ook gel kopen, he mama” vroeg ik toen we hand in hand langs de drogist liepen. Dat had de kapper er immers ook in gedaan en zo stond het ook in het boekje. Ik had dan wel niet zoveel verstand van hippe kapsels, maar dat dit exemplaar geen stand zou houden zonder gelletje of waxje, was me wel duidelijk. “Nee hoor, dat is voor grote mensen”  was haar onverbiddelijke antwoord. En zo gebeurde het dat ik maanden met een soort oversized marmot op mijn hoofd rond liep. Mijn moeder vond het prachtig. En daarom vond ik het zelf ook wel ok. Ik vond het jammer van de gel, maar mijn moeder had altijd gelijk, dus nu vast ook. Dit merkwaardige kapsel was nu gewoon van mij.
Maar daar waar ik mijn nieuwe kapsel omarmde, of in ieder geval onderging, hadden de meisjes uit mijn klas de grootste lol om de marmot op mijn hoofd. Stuk voor stuk hadden zij lange, glanzende haren in vlechten, staarten en met felgekleurde glitterspeldjes. En dat was niet het enige verschil; zij hadden strakke spijkerbroeken van dure merken, liepen op sportschoenen met roze en babyblauw en speelden met de meest prachtige Barbies en MyLittlePony’s die er te koop waren. Ik niet. Ik had vaak twee verschillende sokken aan, droeg regelmatig oude t-shirts van mijn moeder op mijn net iets te ruime C&A spijkerbroeken en speelde met Greetje; de rozeharige, guitige pop met uitpuilende vulling. Ik had zeg maar mijn eigen stijl.

Ik was niet degene die de verschillen zag. Maar werd er wel dagelijks op gewezen. Commentaar op de marmot kon daarom ook niet uitblijven. En zo kwam ik dan toch een keer huilend thuis. Dat mijn haar zo stom zat, zeiden ze.

Mijn moeder glimlachte zoals alleen zij dat kon. Beheerst, geruststellend en in haar ogen las ik al wat ze me ging zeggen. Dat ik prachtig was. Precies zoals ik moest zijn. Dat een spijkerbroek, een kapsel, een pop, nooit onderwerp van gesprek mocht zijn. Omdat het daar niet om gaat in het leven. Dat het prima was dat andere mensen daar veel drukte om hebben, maar dat het iets zegt over hen. Dat het vooral zonde was voor de glitterspeldjes dat zij niet verder konden kijken. En dat het bovendien maar heel erg saai zou zijn als iedereen er hetzelfde uit zou zien.

En bovenal. En met nadruk zei ze dan, met mijn handen in de hare en haar gezicht heel dicht bij de mijne, dat ik nooit, nooit, nooit door een ander mocht gaan twijfelen aan mezelf.

Uiteindelijk bleek de marmot dus een mooie aanleiding voor een onmisbaar stukje levensles. Een les in volharden in jezelf.  In weten wat bij jou hoort en wat bij iemand anders. In staan voor wat je bent en weten dat je er mag zijn, hoe je er ook uitziet. En hoe je haar ook zit.

Vraag!

minkehavemanMijn dochter, net als alle andere kinderen, heeft nogal eens hulp nodig.  Of haar voet zit onmogelijk vast in de bank, dan weer haar hoofd klem in een trui, laatst had ze  haar haren aan haar wang gelijmd. Schoenen willen niet aan of vast, ritsen van jassen klemmen of broeken zijn zeiknat van zo’n welbekend ongelukje. Kinderen vragen makkelijk, zonder gêne en geheel terecht, allerhande hulp. En ouders staan er dan, helpen,  en over het algemeen lachend. Maar ze doen nog meer: ze geven telkens iets mee waardoor de kans groter wordt dat het kind binnenkort dergelijke problemen zelf kan oplossen. Dat is ook de opdracht achter dat hele opvoeden. Niet alles voor ze doen, maar ze helpen het zelf te kunnen. En zo zijn kinderen ook ingericht: ‘zelluf doen’ wordt op een gegeven moment het meest uitgesproken (en vertragende) zinnetje op een dag. Want opgroeien betekent uiteindelijk juist dat: zelf leren,  zelf kunnen, zelf verantwoordelijkheid nemen, zelf oplossen.

Maar wat gebeurt er eigenlijk met dat vragen verderop in het leven? Groot zijn betekent ineens ook dat ‘help’ niet meer vanzelfsprekend is. Volwassen zijn, is immers  zelf kunnen, zelf doen. In voor- en tegenspoed. In ziekte en gezondheid. Tot de dood je scheidt. ‘Help’ is ineens een zwaktebod, zo lijkt het. Iets niet kunnen, dingen even niet overzien, maar ook troost of bescherming zoeken, staan symbool voor kwetsbaarheid. En kwetsbaar zijn, dat kan niet iedereen zich permitteren. Vinden we.

Waarom werkt dit zo? Willen we gewoon niet zielig gevonden worden?  Zijn we bang voor wat anderen van ons denken? Of heeft het te maken met angst voor teleurstelling? Want wie iets vraagt, kan ‘nee’ horen. Of helemaal geen antwoord krijgen. Uitgelachen worden, zelfs. Want, hey, we zijn toch geen kinderen meer? Wij zijn groot, volwassen, verantwoordelijk. Wij tonen geen zwakte, wij weten waar we mee bezig zijn. Wij zijn allesweters en alleskunners.

Maar niemand kan alles zelf. Gewoon niet. Dus laten we vragen nou eens gaan zien als een gewoonte. Van onszelf, maar eigenlijk ook gewoon van anderen. Want als we allemaal een beetje meer vragen, een beetje meer van die zogenaamde kwetsbaarheid durven  laten zien, dan is iedereen daar toch mee geholpen?  Niet durf te vragen, maar help te vragen. Door te vragen.

Wat er daarna gebeurt, dat zie je dan wel. Grote kans dat het heel mooi uitpakt. En kans dat niet vragen lelijk uitpakt.  Kinderen die niet vragen, zijn hopeloos verloren. Die zitten uren met voeten vast in banken. En vooral: ze leren niet hoe ze zichzelf kunnen bevrijden. Vragen mag en vragen moet eigenlijk ook gewoon.

Dus begin nu. Bedenk wat je nu heel goed zou kunnen gebruiken. En wie je daarbij zou kunnen helpen. Een  oprechte, authentieke vraag, wat dan ook. En dan: vraag. Doe het gewoon. Zonder gêne, zonder angst.  Mail, bel, sms, fax wat mij betreft. Maar vraag en vraag het vandaag nog.

 

Deze column heb ik geschreven voor het Radio 2 programma KRO Hemelbestormers en werd uitgezonden op 16 februari 2014. Het fragment kun je luisteren op de website van Hemelbestormers

Voor later

mallorcaHet enige wat je wilde eten was patat. De hele vakantie. Dus toen ik tapashapjes voor je bestelde, werd je boos. Je sprong van je stoel, gilde wat voor een stomme moeder ik was, liep naar me toe, sloeg me hard op mijn arm. Je keek zo boos. Al dagen. En weken. Ik wist niet meer hoe ik het moest doen. Twintig nieuwsgierige toeristenogen keken naar ons. Je huilde genadeloos hard. En bleef slaan. Ik pakte je bij je arm, zei dat “we dit niet deden”. Dat ik er klaar mee was, met je boosheid. Dat we terug naar het huisje gingen en je het kon bekijken de rest van de dag, de rest van de vakantie. Maar je gaf je niet gewonnen. Ik legde veel te veel geld neer voor eigenlijk inderdaad niet zulke lekkere tapashapjes en jouw Fristi. Ik pakte je hand en sleepte je achter me aan langs de overvolle terrassen. Om de twee stappen gooide je jezelf luid gillend op de grond. Het zweet brak me uit. Ik trilde. “Je doet me pijn, hou op!” En nu huilde ik ook. En ik gaf op. “Zoek het maar uit, Emily.”

Het was niet eens een trucje, dat ik wegliep. Het was niet omdat ik dacht dat je toch wel achter me aan zou komen. Ik wist het echt niet meer. Ik hoorde je onafgebroken huilen terwijl je achter me aan hobbelde en zag dat je moeite had om me bij te houden. Je riep dat je patat wilde en zeker niet terug naar het huisje. Ik riep terug dat je pech had. En dat ik je niet meer wilde horen. We stonden bij een zebrapad en luid toeterende Spaanse taxi’s passeerden zonder te stoppen voor ons. Huilende moeders dwingen maar weinig voorrang af, blijkbaar. Je stond daar naast me en we keken elkaar aan. Toen deed je iets wat ik nooit had verwacht. En wat alles voor altijd anders maakte. Je vroeg: “Mama, waarom ben jij eigenlijk verdrietig.” Ik knielde naast je. Naast tranen liep er vooral snot over mijn gezicht inmiddels. Bij jou ook. Je handjes lagen in die van mij. “Omdat ik zo ontzettend graag wil dat we het fijn hebben. En het lukt ons niet, even.” Dat was het. Ik kon je al weken niet bereiken. Je was zo terecht zo boos, alles wat je kende was in de maanden daarvoor veranderd. Je huis, je basis. Logisch dat je boos was. Ik wilde alleen gewoon met alles dat je niet boos was. Dat je oogjes weer zo straalden als voordat alles anders werd. En het lukte me gewoon maar niet. “Waarom ben jij verdrietig dan, schat?” “Ik ben boos omdat ik patatjes wilde en omdat ik papa mis.” We lachten. “Zullen we er morgen een leuke dag van maken, mama?” “Nee, schat. De dag is nog lang niet voorbij. We gaan patatjes eten en je gaat papa bellen.” Je pakte me zo stevig vast toen. En ik jou. We hadden een echt gesprek, voor het eerst. Je liet me zien waar ik de mist in ging: het was niet dat ik niet wist wat ik met je moest. Het was dat ik niet wist wat ik zonder je moest.

Vanaf toen, dat moment op een Spaans eiland. Omringd door blubberige Engelsen en witte Duitsers. Toen voelde ik dat het goed kwam. En jij voelde het ook. Want God, Emily. Wat hebben wij het ontzettend fijn. Wat ben je ontzettend mooi, groot, wijs en grappig. Wat heb ik bizar veel van jou geleerd in de afgelopen vier jaar. En wat doe je het geweldig.

We aten nog acht keer patat na het incident. Kon ons het schelen. Het was vakantie. En wat voor één.

 

 

2013. Waarin echt alles ander werd.  Waarvan ik sommige dingen graag vergeet. Maar niet: mijn prachtige dochter die dichterbij kwam dan dat ik had durven hopen. Mijn lieve vrienden die me door mijn tranen heen tot piesen aan toe aan het lachen maakten. Mijn familie: zij zorgden voor een verdomd onvergetelijke kerst voor Emily. John Legend die “All of me” zong.  Mijn verhalen die ineens leefden op papier en in de ether. De mooie reacties daarop. Mijn moeder omdat ze laat zien dat er niet zijn niet betekent dat je er niet bent. Mijn vader om hetzelfde.

En dat met die liefde ;). 

 

Bushalte

man-bij-bushalteMijn keukenraam kijkt uit op een bushalte. Ik kan dit iedereen aanraden, zo’n raam. Het overtreft op allerlei manieren televisie. Ik drink er koffie, rook er stiekem sigaretjes en bekijk vooral rennende mensen die bussen dreigen te missen. Zie verliefde stelletjes afscheid nemen onder toeziend oog van altijd norse buschauffeurs. Sla ongegeneerd ruziënde stelletjes en roddelende studentenmeisjes gade. Ook mooi: de man die elke ochtend op de fiets bij het  bushaltehokje arriveert, fiets parkeert, op het bankje gaat zitten, koffie uit een thermosfles schenkt, sigaret opsteekt en zichtbaar even tot zichzelf komt.

Fantastisch en, toegegeven, een beetje voyeuristisch. Helemaal omdat niemand mij ziet. Ik woon op de derde verdieping. En niemand kijkt naar boven.

Tot twee weken geleden. Ik zong wat mee met een top veertig hit terwijl ik kleine slokjes te hete thee dronk. Bij de bushalte zat nu een nieuwe meneer. Rastahaar, legerbroek, trui, geen jas. Hij had twee halve liters bier in goudkleurig blik uitgestald en zat een joint te draaien.  Hij praatte in zichzelf en tegen de rijdende auto’s. Zijn lichaam deinde mee op een onhoorbare beat. Een bijna onzichtbaar dansje op het bushaltebankje. Het was vermakelijk om naar te kijken. Ik was moe van een lange dag rennen en vliegen en vond het mooi om te zien hoe deze meneer hetzelfde rustmomentje als ik zelf op zocht. Zij het onder andere omstandigheden.

Ineens keek de man omhoog. Recht in mijn ogen. Zomaar. Ik lachte. En toen zwaaide ik. Hij deed hetzelfde. Breeduit en met twee handen. De joint was inmiddels af en achter zijn oor gestoken. Hij stond op, stak de straat over en kwam onder mijn raam staan: “Ik wil je wat zeggen!” Ik opende mijn raam. “Wat wil je zeggen?”

“Jij zag mij! Ik voelde dat er iemand keek en jij was het!”

Daar stond hij, onder mijn raam, nog steeds dat dansje op onhoorbare beats, maar nu staand op straat. Voorbijgangers keken verbaasd en een beetje bezorgd.

“Ik heb mijn biertjes mevrouw, ik heb een goede dag.”
“Fijn” riep ik.
“Je ogen prikten me. Je bent een engel. Bedankt.”
En toen: “Ik voel me lonely, can I join you?”

In alle oprechtheid. Hij vroeg het in alle oprechtheid.

“Dat gaat niet, helaas.” En dat ging ook niet.
“No problem! Fijne dag!”

En daar swingde hij weg. Dakloos, gokte ik. En eenzaam. Maar wel met bier. En dus een fijne dag. Deze swingende man had me opgevrolijkt. En ik hem. In anderhalve minuut, met een beetje onbevoordeelde vriendelijkheid bij de bushalte. En door een keer omhoog te kijken. Onbetaalbaar, vind ik dat. Helaas is eenzaamheid lastig af te kopen. Wat je spaarsaldo ook is.Gelukkig is een glimlach gratis.